![]() | ![]() |
| Vragen en antwoorden - slot
de purâna’s en de grote heldendichten van india
Ik heb geprobeerd de Purâna’s in verband te brengen met andere Sanskrietliteratuur. Sommige schrijvers zeggen nu dat ze van veel latere datum zijn dan de Veda’s en de Upanishads, maar toch betekent hun naam ‘oud’. Hoe sluiten ze aan bij de Veda’s, Upanishads, Vedânta, enz.? Met andere woorden, zijn zij een heel afzonderlijk stel werken, zoals het geval schijnt; als dat zo is, waren ze dan uit dezelfde tijd of ouder of jonger dan bijvoorbeeld de Veda’s? De Purâna’s zijn uit een veel latere
tijd dan de Veda’s als we deze beschouwen als samengestelde
of in literaire vorm voltooide werken – hetzij opgetekend
of uit het geheugen herhaald als exacte tradities; en
iedereen weet hoe opmerkelijk het geheugen van de hindoes
is. Ze worden ‘Purâna’s’ genoemd, een woord dat ‘oud’
betekent, omdat het archaďsche legenden zijn, verhalen,
overleveringen, die een grote hoeveelheid zowel exoterische
als esoterische waarheid bevatten, die eeuwenlang, gedurende
het eerste deel van het Indo-Europese ras, van generatie
op generatie als legenden, historische verhalen, halfmystieke
vertellingen, enz., enz., werden doorgegeven. Toch was
de overdracht bijzonder nauwkeurig. Wat dus hun oorsprong
als legenden betreft is het waarschijnlijk volkomen juist
en terecht als we zeggen dat ze even oud zijn als de Rig-Veda
als samengesteld werk en misschien zelfs ouder, teruggaand
tot Atlantische tijden als legenden over goden en helden
en mensen. Maar als samengestelde werken, met verschillende
namen zoals het Vishnu-Purâna en het Linga-Purâna
en het Skanda-Purâna, enz., enz., zijn ze waarschijnlijk
van latere datum dan de Rig-Veda, maar toch van
veel en veel grotere ouderdom dan Europese oriëntalisten
er altijd aan proberen te geven. Ze zijn waarschijnlijk
enkele honderdduizenden jaren oud, zelfs in hun tegenwoordige
volledig vastgelegde literaire vorm, wat niet wil zeggen
in hun geschreven vorm. Maar ik bedoel als samengestelde
literaire verhandelingen, oorspronkelijk overgeleverd
via het brein en het buitengewone geheugen van de hindoes
van leraar op leerling, en zo door de eeuwen heen.
Ze zijn veel ouder dan de Vedânta, zelfs als samengestelde werken, al moeten we bedenken dat de Vedânta als gedachtestelsel, los van haar formulering tot een filosofisch stelsel – ik bedoel dat de filosofische beginselen van de Vedânta – waarschijnlijk zo oud zijn als wat ook ter wereld, en teruggaan tot ver in het glorierijke beste deel van Atlantis – en met best bedoel ik hier het geestelijk deel, zoals dat bestond; want de Vedânta, wat betekent ‘het einde van de Veda’s’, in de zin van ‘de volledige betekenis van de Veda’s’, bevat filosofische beginselen die identiek zijn met de esoterische filosofie. Als geformuleerd stelsel echter wordt de Vedânta gewoonlijk geacht te dateren uit de tijd van Sankarâchârya, die enkele honderden jaren, laten we zeggen ongeveer vijfhonderd jaar, vóór de christelijke jaartelling leefde.
De heldendichten van India, zoals het Mahâbhârata en het Râmâyana, noemen de hindoes itihâsa – een Sanskrietwoord dat ‘aldus gebeurde het’ betekent, wat aantoont dat de hindoes deze boeken zien en altijd hebben gezien als historische werken, ongeveer zoals de Grieken de Ilias en de Odyssee van Homerus beschouwden. Deze heldendichten zijn historisch van veel latere datum dan de Sűrya-Siddhânta, of de legenden van de Purâna’s, d.w.z. de Purâna’s in hun vroegste vorm, en waarschijnlijk veel later dan de Rig-Veda, omdat zij op hun legendarische, halfhistorische wijze, verschillende luisterrijke perioden weergeven uit de geschiedenis van het Indo-Europese hindoeras, die in feite in het kort een beschrijving geven van hun strijd als het nieuwe Indo-Europese ras tegen de afnemende macht van de Atlantische volkeren. Zo groot was de minachting van de vroege Indo-Europeanen voor de gedegenereerde Atlantische tovenaars, dat ze hen beschrijven met termen als râkshasa’s, of yaksha’s, enz., wat sommige moderne Europese oriëntalisten die de situatie niet begrijpen, duiveltjes, kabouters of boze geesten noemen; in zekere zin waren de Atlantiërs dat ook, want het waren gedegenereerde tovenaars, maar het waren niettemin mensen, en geen onbelichaamde natuurgeesten.
Kort samengevat zou ik zover willen gaan – al geef ik toe dat het zonder meer moeilijk is geschriften aan te voeren die Europese geleerden als bewijsmateriaal zouden beschouwen – en zou ik willen zeggen dat de Purâna’s, zoals hun naam ‘ouden’ aantoont, tot de alleroudste overblijfselen behoren uit een archaďsche en nu vergeten oudheid, die het behoudende genie van het hindoevolk door de eeuwen heen heeft kunnen overdragen tot in onze tijd; en ik bedoel niet de Purâna’s zoals ze nu bestaan in de vorm van een min of meer volledig literair werk, maar in hun oorspronkelijke toestand als groepen of verzamelingen van legendarische en mythische en inderdaad historische verhalen die door de eeuwen heen van generatie op generatie zijn overgeleverd, totdat verschillende denkrichtingen, vertegenwoordigd door verschillende mensen die aan deze grote hoeveelheid legendarisch materiaal werkten, ze bijeenbrachten en in de verschillende Purâna’s verdeelden, met de welomschreven en verschillende namen zoals die nu bestaan en waartussen zulke enorme overeenkomsten en ook merkwaardige verschillen bestaan. Maar zelfs dit ‘samenstel’ of deze verzameling en splitsing van de Purâna’s in verschillende verhandelingen is bijzonder oud, en dateert waarschijnlijk uit een tijd die enkele honderdduizenden jaren achter ons ligt. Dat is tenminste mijn weloverwogen mening, na ongeveer veertig jaar studie gewijd aan dit en verwante onderwerpen.
De grote moeilijkheid waarmee Europese oriëntalisten
hebben te kampen, wat inderdaad een zeer betreurenswaardig
struikelblok is dat ze zelf schiepen en voor hun eigen
voeten blijven werpen, is dat ze zich onderwerpen aan
de onjuiste moderne wetenschappelijke evolutie-ideeën,
dat de mensheid maar enkele honderdduizenden jaren of
hoogstens één of twee miljoen jaar oud is, en dat ze zich
in deze bespottelijk korte periode langzaam heeft ontwikkeld
uit een dierlijke of halfdierlijke toestand tot in de
tegenwoordige homo sapiens. Omdat zij niets van
de universele geschiedenis weten behalve fragmenten en
omdat hun historische horizon gewoonlijk beperkt is tot
Griekenland en Rome, Egypte en Perzië, enz., hebben ze
geen idee van beschavingen die elkaar periodiek opvolgden,
en slechts een flauw vermoeden van het verzinken van continenten
onder de wateren van de voortdurend veranderende oceanen,
terwijl andere continenten verrijzen. Deze Europese geleerden
persen dus moedwillig alles samen in de enkele honderdduizenden
jaren die ze toekennen aan de mens tussen zijn oorsprong
en het heden; en in dit procrustesbed willen ze even moedwillig
alles laten passen en als het niet past en er geen aanpassingen
mogelijk zijn, is het constante antwoord aan nieuwsgierige
vragers, ‘mythen’, ‘bijgelovige mensen in hun kindsheid’,
enz., enz. Maar de antropologie, etnologie en archeologie
hebben grote vooruitgang geboekt sinds de tijd waarin
H.P.B. schreef; en op het ogenblik zijn de vertegenwoordigers
van deze en andere wetenschappen niet meer zo zeker van
hun zaak als vroeger, en over de hele linie beginnen er
twijfels te rijzen. Het geheel onjuiste en simpele ‘beeld’,
zoals de Europese geleerden uit H.P.B.’s tijd zich dat
voorstelden, van de vroege mensheid die werd geboeid door
natuurverschijnselen zoals zonlicht en stormen, de wind
en de bliksem, enz., enz., en in verwondering hierover
mystieke en religieuze hymnen zongen die later de Rig-Veda
werden, en waaruit naarmate de tijd voortschreed dichters
en geschiedschrijvers opstonden, astrologen en quasi-astronomen,
en mytheschrijvers die alle latere literatuur deden ontstaan
– heel dit onzinnige ‘beeld’ valt in stukken uiteen; wetenschappers
zijn nu veel bescheidener en daarom beslist deskundiger
dan hun voorgangers van vijftig of honderd jaar geleden.
Nu beginnen ze de mogelijkheid te erkennen en in sommige
gevallen zelfs de waarschijnlijkheid, dat de mensheid
in haar verschillende vertakkingen op aarde, veel ouder
is dan werd verondersteld, en mogelijk beschavingen heeft
voortgebracht waarvan alles dat is overgebleven slechts
bestaat uit herinneringen en legenden van de volkeren
op aarde.
het scheiden van de seksen
Mag ik weten wat er precies wordt bedoeld met de leer over het scheiden van de seksen in een vroeg wortelras. Heeft dit iets te maken met het idee van ‘tweelingzielen’? Deze vraag betreft het scheiden van
mensen in verschillende geslachten, die min of meer tijdens
het derde wortelras plaatsvond: deze scheiding van ieder
individu kwam tot stand door de natuurlijke gang van de
vroeg menselijke evolutie en berust op de tweevoudige
aard van het denken, het mânasische deel in ons. Toen
in het tevoren ‘verstandeloze’ ras het denken zijn intrede
deed, werd het tweevoudige karakter van het denken onmiddellijk
merkbaar in het hele lagere viertal en als ik ‘onmiddellijk’
zeg, bedoel ik vanaf die tijd. Zo gebeurde het dat het
tweeslachtige ras van die tijd zich langzaam splitste
in de afzonderlijke individuen zoals die nu bestaan, met
andere woorden in mannen en vrouwen; en de dieren en zelfs
enkele planten volgden dat voorbeeld doordat de mensheid
zo’n sterk psychisch stempel drukte op het astrale model
van onze wereld.
Deze scheiding was dus een volkomen natuurlijke zaak, in wezen gebaseerd op wat men de positieve en negatieve kant van het denken kan noemen; of anders uitgedrukt, gebaseerd op het bipolaire karakter van manas in ons. Het geslacht is dus eigenlijk maar heel weinig hoger dan de lagere delen van manas, en dus in het geheel niet iets geestelijks, niet meer dan een voorbijgaande fase in de evolutie. Als de mensheid evolueert en opstijgt van het lagere denken naar het hogere, zullen de geslachten verdwijnen.
Laat ik in dit verband een waarschuwend woord spreken: de gedachte van sommige nogal sensuele mensen dat de hogere vorm van menselijke evolutie moet worden verwezenlijkt door ‘de vereniging van tweelingzielen’ is volstrekt onjuist. Het geheim ligt in de persoon zelf, want in ieder mens liggen beide polen. Wat gebeurt is dat een mens twee of drie of meer keren incarneert als man of als vrouw; en omdat karma in deze dingen aanpassing bevordert en uitersten vermijdt, begint zo iemand langzaam te neigen of over te hellen naar de andere helft van de mensheid, zoals ik al vaak heb uitgelegd, en als dat een zeker punt bereikt, dan worden de incarnaties van de man vrouwelijk en de incarnaties van de vrouw, zoals hiervoor verklaard, mannelijk. Zo slingert ons lot ons van incarnaties als man naar incarnaties als vrouw, dan weer terug naar een man en weer terug naar een vrouw; en dit duurt totdat de geslachten langzaam en onvermijdelijk verdwijnen.
Het idee van een tweelingziel is heel gevaarlijk
en in wezen volkomen onjuist. Waar we naar moeten streven,
zowel in ons denken als in onze gevoelens, is om uit te
stijgen boven sekse en onze inspanningen te richten op
het geestelijke in ons, dat noch sekse noch een van de
eigenschappen daarvan kent.
kabbalistische en theosofische
beginselen
Ik zie in hoofdstuk twee van Beginselen van de Esoterische Filosofie dat de mens in vieren wordt verdeeld: (a) neshâmâh, (b) rűahh, (c) nephesh, en (d) gűph. Boven al deze vier beginselen staat het onuitsprekelijke, het grenzeloze ’ęin sôph genoemd. Zou de schrijver van Beginselen zo vriendelijk willen zijn mij zijn mening te geven over de overeenkomsten of verschillen tussen deze vier beginselen en de kabbalistische triade die bestaat uit de drie hoogste sephîrôth: (a) kether (de kroon), (b) hhochmâh (wijsheid), en (c) bînâh (intellect) – elk een emanatie van ’ęin sôph, het grenzeloze. Deze weloverwogen vraag geeft veel
te denken; het feit alleen dat de vraagsteller naar overeenkomsten
of verschillen zoekt tussen het kabbalistische viertal,
zoals dat in Beginselen is gegeven en de kabbalistische
hoogste kosmische triade van sephîrôth, bewijst dat hijzelf
in feite zijn vraag heeft beantwoord, al is hij zich waarschijnlijk
niet volledig daarvan bewust.
De vier menselijke beginselen zoals die door mij in Beginselen zijn gegeven, zijn als het ware afspiegelingen of ‘projecties’, van alle negen sephîrôth van de kabbalistische kosmische levensboom; en de verschillen in de manier waarop de kosmische beginselen en de menselijke beginselen worden opgesomd of verwoord hangen af van het feit dat de menselijke beginselen, zoals hierboven gezegd, afspiegelingen of ‘projecties’ zijn van de kosmische sephîrôth. De drie hoogste sephîrôth, zoals in de vraag vermeld en juist vermeld, zijn de oorspronkelijke beginselen die in de mens in de theosofische filosofie overeenkomen met âtman, buddhi en manas; kether correspondeert met âtman, hhochmâh met buddhi en bînâh met manas.
In een ander opzicht correspondeert neshâmâh met de goddelijke monade, âtmabuddhi; rűahh met de geestelijke monade, buddhi-manas; en nephesh met de menselijk-astrale monade of kâma-manas-prâna. Gűph is in beide gevallen, kosmisch of menselijk, slechts het voertuig van alle andere hogere beginselen en correspondeert in het geval van de mens met het stoffelijk-astrale lichaam.
Alle kosmische sephîrôth komen voort uit de schoot van ’ęin sôph, of het grenzeloze, en hangen als het ware daaraan als een pendant; dit komt overeen met de hoogste drie beginselen in de mens, âtman, buddhi, manas die worden geboren uit de schoot van het grenzeloze; ze zijn eeuwig daarin en zijn daarmee verbonden als een hanger; de vier lagere beginselen van de mens hangen als een tweede groep aan deze hogere, zoals de zes lagere sephîrôth als een hanger verbonden zijn met de hoogste drie sephîrôth.
We zien dus dat, als we het goed begrijpen,
er heel nauwe overeenkomsten bestaan, zoals ik ze in de
vorige alinea’s kort heb geprobeerd te beschrijven.
androgyn en hermafrodiet
Door mijn studie van De Geheime Leer en andere geschriften van H.P. Blavatsky ben ik geneigd te concluderen dat de woorden ‘androgyn’ en ‘hermafrodiet’ eerder betrekking hebben op de dualiteit van geest en stof in het heelal, dan op een dualiteit van geslachten, mannelijk en vrouwelijk. Is dat juist? Volkomen juist. Het woord ‘androgyn’
wordt door de theosofie, en in de regel door H.P.B., niet
gebruikt in de betekenis van ‘tweeslachtig’, behalve wanneer
het heel duidelijk om belichaamde wezens gaat. Als het
wordt gebruikt voor geestelijke entiteiten, ik bedoel
dingen of wezens, die geen geslacht hebben – want geslacht
is in onze aardse evolutie voor ons en de dieren en de
planten een voorbijgaande fase – wordt het alleen gebruikt
om aan te duiden wat in de filosofie dualiteit wordt genoemd,
het dualistische karakter van de gemanifesteerde natuur.
Soms wordt dit het positieve en negatieve, soms het vrouwelijke
en mannelijke genoemd, en deze laatste twee woorden, die
aan het menselijk leven zijn ontleend, betekenen niet
dat één kant van het heelal in feite mannelijk en de andere
in feite vrouwelijk is, wat belachelijk zou zijn, maar
het betekent alleen dat op een bepaald punt, en wel tijdens
de manifestatie, tweevoudigheid overheerst. Meer betekent
het niet.
Als we het over belichaamde wezens hebben, is het natuurlijk volkomen juist om over de mensheid te spreken als androgyn, tweeslachtig, waarvan de rudimentaire organen zich nog als overblijfselen uit een grijs verleden in het lichaam bevinden. Als androgyn voor het heelal wordt gebruikt, duidt het alleen op de dualiteit van geest en stof, bewustzijn en voertuig, geest en substantie – of een ander stel woorden als u wilt. En dit androgyne of tweevoudige karakter van alle gemanifesteerde werelden begon inderdaad met de kosmische buddhi of mahâbuddhi; het begon zich echter pas duidelijk te tonen op het gebied waarop fohat in het bijzonder werkt, en dat is het gebied van de kosmische kâma. Daarboven gaan de twee stralen uit het ene omhoog om zich te verenigen; u heeft een voorbeeld in uzelf: het individuele ego, of de individuele geest, splitst zich gedurende de belichaming in de zevenvoudige constitutie, waarvan men de ene kant geestelijk, en de andere kant voertuiglijk kan noemen; de ene kant bewustzijn, de andere voertuig; de ene kant kan men wil noemen en de andere bewustzijn. Het maakt niet uit hoe men ze noemt: er is dualiteit.
Maar de dualiteit komt voort uit âtman, de
fundamentele egoďteit of monade in de mens, en de mens
kopieert eenvoudig in zijn constitutie en structuur wat
het heelal is. Volgens het axioma van Hermes: ‘zo boven,
zo beneden’. Bestudeer hier beneden wat u ziet en u krijgt
de sleutel tot de kennis van het goddelijke. Het goddelijke
weerspiegelt zich in zijn verre voortbrengselen, in zijn
verre voertuigen – in zowel het belichaamde heelal als
de mens. Âtman weerspiegelt zich zwak in de mens als gevolg
van onze onvolmaakt ontwikkelde voertuigen; en evolutie
bestaat niet zozeer uit de groei van deze geestelijke
werkelijkheden tot iets groters, als wel uit het vervolmaken
van de voertuigen, zoals het denkvermogen waar de goddelijke
straal doorheen gaat, zodat deze voortdurend kunnen groeien
naarmate de evolutie voortschrijdt met haar verfijnende
en zich ontplooiende krachten – zodat de goddelijke straal
zijn licht in steeds grotere pracht kan laten schijnen.
Dat is de betekenis van alle evolutie: van binnen naar
buiten. Zoals het zaad de plant voortbrengt, de plant
de knoppen, de knoppen de bloemen en de bloemen het zaad:
het zaad, de plant, de knop, de bloem, het zaad, de plant,
de knop, de bloem. De natuur herhaalt zich zonder ophouden.
Ze belichaamt zich telkens en telkens opnieuw.
de verleiding van jezus
Ik dacht dat we alleen vóór we
iets hebben geleerd er in onszelf mee moeten worstelen
maar dat, als we in vorige levens een bepaalde verleiding
hebben weerstaan, die verleiding zich nooit meer bij ons
voordoet en we zelfs niet aan de mogelijkheid ervan zouden
denken. Ik dacht dat we op die manier de verschillende
deugden een voor een moesten verwerven. Wilt u alstublieft
uitleggen waarom Christus in de verleiding kwam van zijn
grote taak ontheven te willen worden. Waarom zou hij hebben
gezegd, ‘Laat deze beker mij voorbijgaan’, en in smart
hebben moeten bidden om de verleiding te kunnen weerstaan?
Ik dacht dat hij op dat ogenblik dat stadium wel te boven
moest zijn gekomen.
Deze vraag gaat ervan uit dat de
over Jezus in het Nieuwe Testament van de christenen vertelde
legende historisch is. Dat is ze niet; het ‘evangelie’-verhaal
is geďdealiseerde fictie, door christelijke mystici geschreven
naar het voorbeeld van esoterische mysteriën van de ‘heidenen’,
waarin de inwijdingsbeproevingen van de kandidaat die
wil worden ingewijd worden beschreven; en het is niet
al te best gedaan, want er staan veel fouten en vergissingen
in de ‘evangeliën’.
Een man, Jezus genaamd – de Hebreeuwse naam is Jeshua of Joshua – heeft werkelijk geleefd; hij was een groot en goed mens; ook een ingewijde in de geheime leer van zijn tijd; en na zijn dood ontstonden rond zijn persoon veel legenden en verhalen, die in latere tijden – laten we zeggen een eeuw na zijn dood – werden verweven tot de zogenaamde ‘evangeliën’.
Ja, de vraagsteller heeft gelijk als hij zegt
dat als we eenmaal een verleiding ten volle hebben weerstaan,
we veilig zijn voor toekomstige aanvallen daarvan, maar
alleen als we waakzaam en eeuwig op onze hoede
zijn.
het lot van het dierenrijk
Over het dierenrijk: Er sterven
nu veel soorten uit. Eens – als de levensgolf zich naar
bol E heeft begeven – zullen er op bol D alleen sishta’s
zijn achtergebleven. Zijn er nog dieren in de vijfde ronde?
Velen zijn daarover in verwarring; ik ook. Als er in de
vijfde ronde dieren zijn, betekent dat dan het dierenrijk
zoals wij het nu kennen (maar hoger ontwikkeld) of alleen
enkele van de hoogste soorten? Als een levensgolf, elke levensgolf:
van mensen, dieren, planten, mineralen, elementalen of
dhyâni-chohans overgaat van onze bol D naar bol E, laat
ze sishta’s achter op deze bol D. Wat zijn deze sishta’s?
Zij wachten tot eenzelfde levensgolf, die op de opgaande
boog alle bollen zal zijn gepasseerd, langs de neergaande
boog omlaaggaat langs de bollen in de vijfde ronde; en
als ze bol D, onze aarde, bereikt, beginnen deze sishta’s
in aantal toe te nemen als gevolg van de binnenkomende
monaden van de levensgolf, en in deze zelfde levensgolf
– in het geval van uw vraag de levensgolf van de dieren
met haar ondergeschikte levensgolven of orden en variëteiten
en soorten, enz. – ontstaat dan een tendens zich uit te
breiden. Daarom zullen er in de volgende ronde dieren
zijn.
Een heel interessant punt is het volgende: de dieren vertonen meer en meer de neiging een toestand van nirvânische rust in te gaan, ik bedoel dat hun monaden dat doen vanaf nu tot aan het einde van ons ketenmanvantara. Elke ronde zal minder dieren te zien geven, en dat komt omdat, naarmate de tijd verstrijkt en de treden langs de opgaande boog een voor een worden bestegen, hoe langer hoe minder dieren in staat zullen zijn de opgang met succes te volbrengen. De aantrekkingskracht van de stof is te sterk. Aan het einde van de vijfde ronde op bol D zullen de sishta’s van zulke dierlijke levensgolven dus veel kleiner in aantal zijn dan in de vorige ronde op deze bol, omdat de monaden hun nirvâna ingaan om bovengenoemde redenen. Anders gezegd, de individuen van die levensgolven van dieren zullen voor een groot deel op dit gebied zijn uitgestorven omdat de monaden nirvâna zijn ingegaan; en gedurende de zesde ronde zullen de dieren, hoewel veel verder geëvolueerd dan nu, bijzonder klein in aantal zijn; en vóór de zesde ronde is geëindigd zijn ze volkomen uitgestorven, met uitzondering van de mensapen en mogelijk enkele hogere apen. De mensapen zullen dan niet langer mensapen zijn, al blijven hun meer ontwikkelde lichamen nog bestaan, maar zeer lage mensen in half-antropoďde lichamen, maar toch mensen van een lage graad. Tijdens de zevende ronde zullen ook zij zijn verdwenen, maar hun monaden zullen in het volgende ketenmanvantara mensen van een lage graad zijn in voor hen passende lichamen.
In het algemeen gesproken hebben de diermonaden op de opgaande boog meer en meer de neiging nirvâna in te gaan. Omdat er geen monaden meer zullen zijn om te incarneren, zullen hun lichamen uitsterven.
De oorzaak daarvan is dat de deur naar het mensenrijk (dat betekent het bereiken van zelfbewustzijn), zich sloot in het midden van de vierde ronde; en de dieren houden het als het ware slechts vol door de stuwkracht, de impuls die ze ontvingen op de neergaande boog. Deze stuwkracht bracht ze tot hier, en zal ze nog verder brengen zelfs tot in de vijfde ronde waarin ze, zoals eerder gezegd, voor een groot deel zullen uitsterven omdat ze niet verder omhoog kunnen klimmen. De geestelijke zelfbewuste aard is nog niet uit hun monade ontwikkeld; daarom is er in hen niet voldoende aantrekkingskracht omhoog en daarom vallen zij in deze voortgang terug en sterven uit.
Met andere woorden de dieren zullen zich niet
langer voortplanten. De monaden van veel dieren zijn al
hun nirvâna ingegaan, zelfs tijdens deze vierde ronde
– de grofste van hun soort. Sommige van hen, die aanwezig
blijven, handhaven zich hoofdzakelijk als gevolg van de
stuwkracht waarover ik sprak en door het ontwakende denkvermogen
in hen dat hen nog hier houdt.
boeddhisme en theosofie
Kunt u iets zeggen over het verschil tussen theosofie en boeddhisme zoals dat in deze tijd aan de mensen wordt geleerd? Dat is een goede vraag, een vraag
waar ik van houd, want als ik geen theosoof was zou ik
nadrukkelijk de leringen van Gautama, de Boeddha, hebben
aanvaard als de meest humane, de meest filosofische, de
meest edelmoedige, de meest koninklijke, niet alleen door
hun instelling tegenover de mens, maar ook door de uitwerking
die ze op de mens hebben.
Het verschil is hetzelfde als tussen de moeder en een lieftallige dochter. De verheven moeder is de theosofie, de lieftallige dochter het boeddhisme. Ik zou willen zeggen dat het boeddhisme, zelfs zoals het in deze tijd wordt beoefend, zo’n 2500 jaar na het heengaan van zijn grote stichter, nog steeds de meest theosofische van alle bestaande religies is, de meest edelmoedige, de meest tedere in het begrijpen van menselijke problemen; en het behandelt deze zonder een spoor van iets dat wreed is, onvriendelijk of gekleurd door haat in een of andere vorm. Het kent geen leer van willekeurige bestraffing. Zijn leer van vergelding, gebaseerd op de kosmische wet of karma, betekent oneindig rechtvaardige vergelding. Het kwaad dat u doet zal na u blijven leven en uzelf, de dader ervan, zult het eens onder ogen moeten zien en zolang u het kwaad dat u heeft gedaan niet ongedaan maakt, blijft het bestaan – een wonderlijk logische, bevredigende en vertroosting gevende gedachte.
Zie eens hoe dit op een mens inwerkt. De ware boeddhist zegt van iemand die hem onrecht aandoet: ‘Hij heeft mij vreselijk gekrenkt. Ik heb medelijden met hem. Ik wil geen wraak. Daarmee zou ik slechts mijn kracht toevoegen aan het gedane kwaad, want eens zal het kwaad dat hij mij aandeed op hem, machteloze man, vallen en daarnaast ervaart hij het kwaad dat het kwaaddoen in zijn eigen karakter teweegbracht. Een dubbel kwaad. Ik, zijn slachtoffer in dit leven, ontvang vergoeding, een dubbele vergoeding voor het kwaad, het onrecht dat mij is aangedaan, want ik krijg vergelding voor het kwaad en, omdat ik op mijn beurt de kwaaddoener niet terugsla, versterkt dat mijn karakter, als gevolg van het mij aangedane kwaad, en dat betekent voor mij die heeft geleden een dubbel voordeel. Ik word in mijn eigen ziel beloond omdat ik weet dat ik geduldig moet zijn en niet moet slaan, niet terugslaan.’
Het ademt het goddelijke. Dat is het wezen
van medelijden, van mededogen. En dat is zuivere theosofie.
Met andere woorden, het boeddhisme is slechts een lieftallige
dochter van een nog lieftalliger moeder. Het christendom
is haar dochter, het brahmanisme is haar dochter, het
taoďsme, alle religies van India, Perzië, China, Egypte,
van het oude Europa en van beide Amerika’s. Zij alle kwamen
voort uit deze ene bron, onze godswijsheid, zoals we haar
noemen, bewaard onder de hoede van de mahâtma’s, hoogontwikkelde
mensen. Maar ik denk dat het boeddhisme de lieftalligste
dochter is, want ze is de meest waarheidsgetrouwe. Trouw
heeft haar gekroond. Rechtvaardigheid volgt in haar spoor.
hoe kan men zijn goeroe vinden?
Judge zegt in Brieven die mij Hebben Geholpen: ‘Iedereen die innerlijk heeft besloten het pad te betreden heeft een goeroe.’ Wilt u me zeggen welke goeroe dit is en hoe men die goeroe kan vinden? Het is volkomen juist dat iemand
die innerlijk besluit het pad te betreden een goeroe heeft,
zoals Judge zei. Maar deze goeroe kan een van de volgende
twee dingen zijn of beide: ten eerste zijn eigen hogere
zelf, en er bestaat voor een mens op aarde geen hogere
goeroe; en ten tweede, ook een van de leraren die op grond
van geestelijke en psychologische sympathie, aangeboren
of inherent, de natuurlijke leraar is voor zo’n aspirant;
en dat is een feit of de aspirant dat weet of niet. Eens
als hij voldoende is gegroeid om openlijk instructies
te kunnen ontvangen, dan gebeurt dat, maar het kan
eeuwen duren voor hij bewust rechtstreekse instructies
ontvangt. Maar het feit blijft dat ieder mens als het
ware door de occulte sympathie van de natuur is verbonden
met een groot leraar; en hij moet gereed zijn voor de
tijd dat hij rechtstreeks in contact komt met zijn eigen
hogere zelf of met de uiterlijke leraar of goeroe die
hem zal helpen met zijn eigen hogere zelf in contact te
komen. Maar bedenk dat de innerlijke mens, de geestelijke
mens, het hogere zelf, de meest verheven leraar is die
een mens kan hebben.
incarneren wij ooit als dieren?
Wat is, gezien de lering van de theosofie: ‘Eens een mens, altijd een mens’, de verklaring van sommige oosterse leringen die zeggen dat een mens op aarde terugkeert als een tijger of een olifant, enz. – en ook van de vele overleveringen in westerse landen dat een dier is bezeten door een menselijke geest? Geen mens incarneert ooit als een
dier. Dat is een ondubbelzinnig feit waarop geen uitzondering
bestaat. En de reden daarvan is dat er beslist een barričre
bestaat, van mentaal-psychische aard, die een menselijke
ziel verhindert een dierlijk psychovitaal organisme binnen
te gaan. Dat zou natuurlijk wel door een magische handeling
kunnen gebeuren, door een zwarte magiër, en vandaar het
ontstaan van verhalen over weerwolven, lykantropie, enz.
Maar deze daad van zwarte magie bewijst de algemene en
onveranderlijke wet: dat een mens normaal gesproken nooit
in een dier kan incarneren.
Als aan de andere kant een tovenaar of iemand die onafgebroken een slecht leven leidt, in de loop van vele, vele incarnaties in een voortdurend neerwaartse richting, hoe langer hoe minder menselijk wordt, totdat de breuk met de geestelijke en menselijke monade plaatsvindt – en in dat geval is er niet langer een mens, maar alleen het lagere viertal met enkele zwakke indrukken of psychische afschaduwingen van menselijkheid – als dit plaatsvindt is de entiteit niet langer een menselijk ego maar als het ware een in de steek gelaten lager viertal of een menselijke machine, in feite niet meer dan een menselijke schil, die al zo is gedegenereerd dat hij zich praktisch op het niveau van het dierlijke bevindt. Maar het menselijke, het ego, de mens ervan is allang vertrokken.
Zo’n verlaten voertuig wordt, door de natuurlijke aantrekking tussen gelijken, op een nog lagere graad van afdaling en ontbinding van het lagere viertal, aangetrokken tot dierlijke lichamen en zelfs tot plantenlichamen. Maar let wel, dit is niet de incarnatie van een mens, omdat zo’n gedegenereerd, uiteengevallen, halfvernietigd menselijk viertal niet langer echt menselijk is. Een analoog geval is het menselijk lichaam dat, bezield door een menselijke ziel, een mens vormt. Als het lichaam bij de dood terzijde wordt gelegd, is de mens weg, maar de vorm van de mens is er nog, de levensatomen van de mens die uiteenvallen en hun weg vervolgen. Het lichaam vergaat tot stof en veel van de levensatomen, zelfs die van het lichaam van een waarachtig mens, incarneren in dieren, door de natuurlijke aantrekking tussen gelijken, van dier tot dier, zoals al is toegelicht. Ik hoop dat dit duidelijk is.
Men moet echter bedenken dat zulke gevallen
van gedegenereerde menselijke viertallen, al zijn ze in
feite tamelijk talrijk, niettemin uiterst zeldzaam zijn,
dus zelden voorkomen, vergeleken met het ontzaglijke aantal
wezens waaruit de mensheid bestaat.
cyclussen in china
In De Oceaan van Theosofie
kwam ik een uitspraak tegen in hoofdstuk 14, blz. 144-5:
‘De Chinezen waren altijd een volk van sterrenkundigen
en hebben lang voor de christelijke jaartelling hun waarnemingen
opgetekend; maar omdat zij tot een oud ras behoren dat
gedoemd is uit te sterven – hoe vreemd deze bewering misschien
ook klinkt – zullen hun gevolgtrekkingen niet opgaan voor
de Indo-Europese rassen.’ U heeft, geloof ik, ergens gezegd
dat China zich op de opgaande boog van de huidige cyclus
bevindt. We hebben gezocht naar die verwijzing maar hebben
die niet kunnen vinden. Wat is nu juist? Judge heeft misschien
in een ruimer verband geschreven dan u, die misschien
dacht aan een kleine speciale cyclus. De vraagsteller heeft mijn bedoeling
heel goed begrepen. Het gaat hier om twee korte uitspraken,
die hoewel beide correct, op verschillende zaken doelen;
en lezers die te vlug zijn bij het doorlezen en niet voldoende
nadenken, zeggen onmiddellijk: O, een tegenspraak! Maar
die is er niet. De feiten zijn als volgt:
De Chinezen, dat wil zeggen de echte Chinezen of zij die als ras zo goed als zuiver zijn, zijn de gedegenereerde afstammelingen, zelfs nu, van het zevende onderras van het Atlantische wortelras. Daarom hebben ze, de ontzaglijk lange geologische tijdperken in aanmerking genomen, bijna hun einde bereikt en zijn ze, weer denkende aan de ontzaglijke tijdsperioden, spoedig ‘gedoemd om uit te sterven’; maar als we het over kleinere tijdsperioden hebben, die wij mensen gemakkelijk kunnen begrijpen, dat wil zeggen enkele duizenden jaren, wat geologisch gezien kort is, hebben de Chinezen nog een schitterende toekomst voor zich en gaan ze nu in opwaartse richting. Er zullen nog duizenden jaren Chinezen zijn, al vermengen ze zich gestadig en hebben ze de neiging als zuivere Chinezen uit te sterven.
Dus Judge heeft gelijk omdat hij als het ware
doelde op lange geologische perioden. Ik had gelijk omdat
ik, toen ik sprak, verwees naar de kortere tijdsperioden
van enkele duizenden jaren of een flink aantal honderdtallen
van jaren. De Chinezen van nu streven ernaar als nationale
eenheid naar voren te komen en dat zullen ze ook op korte
termijn doen, misschien binnen honderd jaar en hebben
dan een betrekkelijk korte periode van kracht en roem,
en dan gaan ze weer omlaag, om later misschien weer voor
een nog kortere periode omhoog te gaan en daarna weer
omlaag; en dit blijft doorgaan tot ze tenslotte als raseenheid
verdwijnen. We kunnen dus met Judge zeggen dat ze ‘gedoemd
zijn om uit te sterven’, om bovenvermelde redenen; en
we kunnen met evenveel recht zeggen dat ze in een kleine
cyclus omhooggaan. Wat met de Chinezen gebeurt of zal
gebeuren, gebeurt met alle andere raciale eenheden. Elk
op haar beurt; elk heeft haar begin, haar groei, haar
hoogtepunt wat kracht en glorie betreft, haar ouderdom
en verval, om dan te verdwijnen.
spiritisme
Wilt u me zeggen hoe deze twee aanhalingen met elkaar in overeenstemming kunnen worden gebracht: ‘ . . . de golf van spiritistische verschijnselen . . . is geholpen door de nirmânakâya’s’. (Laatste alinea, hoofdst. 11, Echoes from the Orient) en ‘ . . . het krankzinnigste en noodlottigste bijgeloof . . . – het spiritisme’. (De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett, blz. 314.) Dit lijkt inderdaad een tegenstrijdigheid
maar is daarentegen een paradox en kan gemakkelijk worden
opgelost. Ik spreek uit mijn geheugen want ik heb het
boek niet voor me liggen, maar zoals ik me de passage
herinner uit Echoes from the Orient van Judge,
heeft hijzelf, als men het ziet in het hele verband waarin
het werd gezegd, de paradox opgelost. Het gaat daarbij
om twee dingen, ten eerste dat het spiritisme zoals het
meestal wordt opgevat, een ‘bijgeloof’ is en een heel
‘noodlottig’, dat wil zeggen zoals het in het algemeen
wordt opgevat door spiritisten, die mensen na de dood
beschouwen alsof ze slechts een verlenging of voortzetting
zijn van de gewone menselijke aardbewoners in een zuiver
mythisch zomerland, waar ze in een soort zinloze en dwaze
atmosfeer van zelfbehagen schijnen te leven. Het is in
feite niets anders dan een droomtoestand en houdt geen
rekening met de zevenvoudige constitutie van de mens of
met de verschillende delen van zijn constitutie, en het
lot dat deze verschillende delen na de dood respectievelijk
ondergaan.
Het is de oude dwaze gedachte van het eeuwigdurende persoonlijke, niet veranderende ego, zoals de christenen die in een andere vorm hebben aangenomen; en de spiritisten zien niet in wat de waarheid is. Vandaar dat het spiritisme, zoals dat wordt opgevat, inderdaad een ‘noodlottig bijgeloof’ is.
Maar in een wereld die typisch materialistisch was toen H.P.B. verscheen om haar werk te doen in het westen, die in het algemeen, met uitzondering van de goede kerkgemeenschap, niet geloofde in het overleven van iets in de mens, en die de mens zag als weinig meer dan een lichaam en zijn denken en emoties en zijn ethisch gevoel als een soort etherisch uitvloeisel van de zuiver materiële krachten die in de menselijke hersenen werken – in zo’n wereld, herhaal ik, waren de leringen van de spiritisten, die zeiden dat er in de mens iets meer is dan alleen een stoffelijk lichaam, zelfs al was het alleen een soort verlenging van het ego in een droomwereld, ideeën die toch iets meer vertegenwoordigden dan de grofmaterialistische opvattingen van de geleerden en de even materialistische opvattingen van de kerkgemeenschap.
Het was dit gevoel, niet zozeer van spiritualiteit, maar van het uitzien naar iets dat het stoffelijk lichaam te boven gaat, dat als deel van het spiritisme door de nirmânakâya’s werd gekoesterd, omdat het in het denken van het materialistische westen de gedachte bracht dat een mens iets meer is dan het stoffelijk lichaam dat, zo dacht men in het westen, vertegenwoordigd door zijn wetenschap, de alfa en omega van de mens was.
Deze spiritistische verschijnselen, die voor de materialistische wetenschap van die tijd volkomen onverklaarbaar waren, brachten inderdaad de gedachte dat er in de mens iets meer was dan alleen zijn lichaam, onbekende krachten van psychische en mentale aard, die echter ten onrechte ‘geestelijk’ werden genoemd; en het voorgaande was nu juist de reden waarom H.P.B., toen ze voor het eerst met haar openbare werk begon, onder de spiritisten begon te werken, omdat die probeerden, hoe verkeerd de methode ook was, zich te bevrijden van de overheersende materialistische gedachten, leringen, neigingen en de zielsvernietigende uitzichtloosheid van die tijd. Het was op deze kleine schaal dat de nirmânakâya’s de spiritistische verschijnselen als het ware hielpen en steunden, voorzover die echt waren en geen bedrog.
U ziet dus dat de twee aanhalingen niet met elkaar in tegenspraak zijn, maar samen een paradox vormen en op bovengenoemde wijze gemakkelijk kunnen worden verklaard.
Samenvattend kunnen we zeggen dat het spiritisme
in het licht van ware kennis, een ‘noodlottig bijgeloof’
is; niettemin zijn de spiritistische verschijnselen, als
ze echt zijn en geen bedrog, waar en ze leerden en leren
de materialisten nog steeds dat er in de mens krachten,
vermogens en eigenschappen zijn die de materialisten niet
kunnen verklaren door alles aan het stoffelijke voertuig
van de mens toe te schrijven. Vandaar dat deze echte verschijnselen
toen werden gesteund en zelfs werden bevorderd, al doen
de nirmânakâya’s dat nu niet meer.
euthanasie
Welk licht werpen de theosofische leringen op het probleem van de euthanasie? Euthanasie is een Grieks woord dat ‘gemakkelijke
dood’ betekent. In een poging het denken van de onbekende vraagsteller
te peilen, neem ik aan dat hij of zij doelt op de moderne zienswijze
bepaalde mensen, die volgens anderen gereed zijn om heen te gaan, op
pijnloze wijze te doden?
Is het nodig mij zo’n vraag te stellen? Denkt u echt dat een mens, wie ook, wijs genoeg is en een voldoende diep inzicht heeft, om binnen en boven en verder dan het gepijnigde lichaam te zien? De meerderheid van de voorstanders van dit systeem om het lijden van geliefden weg te nemen, ziet nog niet eens in dat er iets is buiten het gefolterde lichaam. Hun hart doet pijn en zij voelen zich gemarteld door het leed dat ze zien.
Het is vaak uit mededogen dat mensen deze
theorie aanhangen. Maar ik behoor daar niet toe. De moderne
medische wetenschap is ruimschoots in staat pijn te stillen.
Zolang er leven is, leert die ongelukkig gekwelde, karmisch
ongelukkig gekwelde, ziel. Hoe zouden we misbruik kunnen
tegengaan, dat ongetwijfeld zou plaatsvinden als de praktijk
van euthanasie in een beschaafd land werd gelegaliseerd?
Denk eens aan de deur die erdoor wordt geopend voor criminele
praktijken van allerlei aard onder het huichelachtig mom
van een meedogende daad! Euthanasie is veel te gevaarlijk.
Denk er eens over na. Er zou geen afdoende bescherming
mogelijk zijn rond het bed van onze geliefden, die hulpeloos
en in goed vertrouwen zijn, als een dergelijk voorstel
wet werd. Ik ben ertegen op ethische en geestelijke gronden
uit een diep gevoel van mededogen. Ik zou het nooit wagen
het leven van een medemens te nemen, zelfs niet als dit
uit medelijden zou gebeuren.
evolueren wij in de eeuwigheid?
Een van de gedachten die aan
de theosofische leringen ten grondslag ligt is dat we
eeuwig in de eeuwigheid evolueren. Dit lijkt niet bepaald
een logische uitspraak. Eeuwigheid komt ongetwijfeld neer
op een statisch begrip van alles wat eronder valt. Men
kan alleen in de tijd evolueren – men kan niet in de eeuwigheid
evolueren omdat eeuwigheid de afwezigheid van tijd inhoudt
en als er geen tijd is waar kan de mens dan in evolueren?
Is het logisch aan te nemen dat we van oneindigheid tot
oneindigheid in de eeuwigheid evolueren? Het lijkt mij
dat als een entiteit een dynamisch evoluerend iets is,
hij dan een statische achtergrond moet hebben om tegen
te evolueren. Aan de andere kant moet hij, als hij een
statisch iets is, een dynamische achtergrond hebben om
daartegen statisch te zijn. Het woord evolutie betekent
ongetwijfeld groei IN DE TIJD. Als die groei in
de tijd is, kan hij niet in de eeuwigheid zijn. Als hij
niet in de eeuwigheid is, moet hij een begin hebben gehad
en moet hij naar een eind werken?
Iemand die nadenkt en een diepgaande
vraag. Hij heeft gelijk met zijn opmerkingen over evolutie
als een eindig proces, dat niettemin plaatsvindt binnen
de schoot van de eindeloze duur, of wat westerlingen de
eeuwigheid noemen; en het lijkt of hier sprake is van
een logisch klinkende ongerijmdheid, maar dat is een schijnbare
en geen werkelijke, om de volgende algemene redenen: Alle
evolutie vindt plaats in periodieke, zich herhalende wereldperioden,
manvantara’s genoemd, van elkaar gescheiden door even
lange wereldperioden van rust, pralaya’s genoemd. Deze
perioden van manvantara en pralaya volgen elkaar eeuwig
en regelmatig op, dat wil zeggen in de eindeloze duur,
want het is onmogelijk zich een begin ervan voor te stellen
of zich voor te stellen dat ze ooit kunnen eindigen. Als
we ons dat wčl kunnen voorstellen, dan zouden we ons moeten
afvragen: Waardoor bestaan ze nu? De eeuwigheid is niet
een wezen dat handelt. Ze kan geen dingen voortbrengen,
want de eeuwigheid kan alleen eeuwigheden voortbrengen;
en geen enkel manvantara of pralaya, hoe lang deze tijdsperioden
ook zijn, is meer dan een oogwenk in de eindeloze duur.
Als we deze gedachtegang volgen blijkt dat
juist omdat deze elkaar opvolgende perioden bestaan en
we nooit kunnen aantonen dat ze ooit niet bestonden en
evenmin kunnen aantonen dat ze eens in de toekomst zullen
ophouden te bestaan, we logisch redenerend tot de conclusie
moeten komen dat ze elkaar in de eeuwigheid voortdurend
opvolgen. Maar de evoluerende wezens, die we de
monaden noemen, zijn alle als het ware in de eeuwigheid
geworteld; d.w.z. dat de essentie, de hoogste, meest verheven,
meest goddelijke essentie of substantie van elk van deze
monaden, de eeuwigheid, de oneindigheid zelf is. Alleen
de uiterlijke aspecten, het kleed of de sluiers of wat
de hindoemystici het ‘dromen’ van Brahman noemen, evolueren
dus in de elkaar regelmatig opvolgende manvantara’s en
pralaya’s. Het proces van evolutie is dus eindig,
want dat gaat over eindige en evoluerende wezens en dingen.
Maar het hart of de essentie of het innerlijkste van het
innerlijke van deze wezens is het volstrekt goddelijke,
is het eeuwige, is het oneindige; en de hindoes brengen
dit op een prachtige manier tot uitdrukking, en dat doen
ook de theosofen, met de Sanskrietwoorden: Tat tvam asi
– dat zijt gij!
de houding van theosofen tegenover
de militaire macht
Wat is de algemene houding van theosofen tegenover een gewapende macht, landmacht of zeemacht? De eerste gedachte die opkomt bij
een theosoof, die zijn medemensen liefheeft, is dat hij
nadrukkelijk en met zijn hele hart een tegenstander is
van oorlog en geweld van welke aard ook. Maar we zijn
gezond denkende mensen en ik geloof niet dat een verstandig
mens nu zover zou willen gaan en zeggen dat de gewapende
macht van de Verenigde Staten op meedogenloos geweld of
een slachtpartij uit is. Voor mij zijn ze een soort nationale
politie; en zij doen in de wereld politiewerk, soms inderdaad
heel goed; en de ideale strijdkrachten van welk land ook
staan hetzelfde voor. Als er geen politie was die in onze
straten patrouilleerde, wat zou er dan gebeuren, met ons
leven, met hen die we liefhebben en met onze eigendommen!
Wordt macht misbruikt, dan veroordelen we dat nadrukkelijk; maar wat we niet veroordelen – als verstandige, eerlijke, ernstige mensen die hun medemensen liefhebben – is de juiste toepassing van kracht, als alleen kracht vrede en orde tot stand zal brengen, en als ze alleen eerlijk wordt gebruikt ter bescherming van de zwakken en hulpelozen. De gewapende macht van een land kan ongetwijfeld verkeerd worden gebruikt en kan worden misbruikt en dat is een misdaad; en dat is telkens en telkens weer in de geschiedenis van de wereld gebeurd. Maar we moeten de gewapende macht van ons land, of een ander land, niet veroordelen, want ze beoogt, in theorie en gewoonlijk in de praktijk, de orde te handhaven, het recht en de wet in stand te houden en eerlijke en vredelievende mannen en vrouwen de zekerheid te geven dat hun dagelijkse bezigheden worden bewaakt en beschermd.
Militarisme is iets anders; dat is misbruik. Het handhaven van wet en orde, zelfs met de gewapende macht als dat nodig is, is geen misbruik. Een krankzinnige die eropuit is een gebouw in brand te steken of een of andere afschuwelijke misdaad te begaan – moeten we die zijn gang laten gaan omdat hij een mens is en we onze medemensen liefhebben? Welk verstandig mens zou dat zeggen? Men moet hem beletten dat te doen, zelfs met geweld en beheerste machtsmiddelen als daarop een beroep moet worden gedaan. Maar dat is geen meedogenloos gebruik van kracht; het is fatsoenlijk gebruik van kracht.
Een theosoof is een voorstander van liefde, broederlijke liefde; maar liefde is soms sterk, ze is nooit zwak. Ze houdt het recht hoog, beschermt de zwakken, dringt aan op rechtvaardigheid, zal zelfs haar sterke arm opheffen als dat daarvoor nodig is en er geen betere manier is. Dit laatste geval is misschien te betreuren – maar we moeten de feiten onder ogen zien.
Eens zal de mensheid uitgroeien boven de behoefte
aan een gewapende politiemacht om haar te beschermen,
uitgroeien boven de behoefte aan geneeskunde, aan geneesmiddelen
tegen ziekten en andere kwalen van de mens. Maar zolang
wij mensen, waarvan er miljoenen in de gevangenis zitten
als blijk van de bestaande toestanden, ons niet kunnen
beheersen, met geweld optreden tegen anderen als we de
kans krijgen, of misschien omdat we soms te zwak zijn
aan verleiding en kwaaddoen het hoofd te bieden, moet
de maatschappij worden beschermd en dat is juist. We betreuren
dit maar we zijn verstandige mensen en zien de feiten
zoals ze zijn.
de juiste betekenis van pantheďsme
Zijn theosofen pantheďsten? Nee, maar toch, in zekere zin, ja.
We aanvaarden niet het pantheďsme zoals dat in het westen
wordt geleerd, en met geleerd bedoel ik niet iets om in
te geloven, maar wat in het westen onjuist wordt geleerd
en verkeerd voorgesteld, namelijk als iets dat filosofisch
onjuist is en vanuit de oudheid tot ons is gekomen – een
veronderstelling die geheel fout en willekeurig is. De
westerse ideeën over pantheďsme zijn in het westen ontstaan
en het zijn juist die ideeën die we verwerpen. Het westen
zegt dat pantheďsme betekent dat elke stok en steen, elke
plant en bloem, elke zon of elk stukje materie ‘God’ is.
Dat is het pantheďsme zoals het in het westen verkeerd
wordt begrepen. Dat aanvaarden we niet. Dit is niet het
pantheďsme van het archaďsche oosten of uit archaďsche
tijden waar ook ter wereld. Het westerse pantheďsme moeten
we een materieel pantheďsme noemen.
Het andere, het ware geestelijke pantheďsme, aanvaarden we wel, evenals het grootste deel van de mensheid: alles, hoog of laag, is van goddelijke oorsprong en keert tenslotte tot het goddelijke terug, alles komt voort uit het volstrekt onbegrijpelijke, naamloze mysterie, dat door een mens niet is te begrijpen en daarom niet in menselijke taal is weer te geven. Toch heeft de mens uit het zijn onuitblusbare intuďties, want hij komt uit het voort, leeft eeuwig in het, keert tot het terug en het is zijn eigen diepste wezen – de bron van alles, die alles omvat en alles te boven gaat! Vandaar dat de oude vedische wijzen het eenvoudig dat noemden.
Omdat dat overal volstrekt grenzeloos is,
onbeperkt, zowel in ruimte als in duur, en het de bron
is van alle intelligentie en liefde, van alle krachten
en vormen, van alles, noemden zij deze leer pan-theďsme,
al-goddelijk, alles uit het goddelijke. Het ware pantheďsme
zegt dus niet dat elke stok en steen, bloem of stukje
hout, elk hemellichaam en elke komeet, zon, dier en boom,
reptiel en insect ‘God’ is; maar dat het goddelijke, het
volstrekt goddelijke, het supergoddelijke, para-parabrahman,
dat, de volkomen onbegrijpelijke bron en het alomvattende
leven van alles is. Daaruit komt alles voort; zelfs de
aardbol en de zon en de ster komen daaruit tevoorschijn
als hiërarchieën, die andere hiërarchieën bevatten, en
zelf weer zijn opgenomen in nog grotere. Daarom is alles
in essentie goddelijk, maar natuurlijk niet als
vorm; zodat de steen of de bol of het dier of het hout
of de bloem of de zon of de planeet, of wat ook, niet
God is, maar als het ware een klein deeltje van de sluier
of het kleed van het onbegrijpelijke. Zoals wanneer ik
mijn hand op iemand leg, ik hem niet aanraak. Ik raak
alleen een deel van zijn stoffelijke vorm aan. De ware
mens is onzichtbaar, erbinnen, erboven, en het hoogste
in hem is onbegrijpelijk, subliem. Dat is het pantheďsme
dat het westen niet kent; als u dus in westerse boeken
over pantheďsme leest, moet u niet ten onrechte denken
dat het om het echte pantheďsme gaat, maar om wat men
abusievelijk meent dat pantheďsme is.
jezus en boeddha
Wie vindt u, in uw Society, de
grootste meester, Jezus Christus of Gautama-Boeddha? Onze Society heeft een platform
dat breed en vrij is en vrijheid van mening biedt aan
al haar afdelingen, die praktisch autonoom zijn onder
onze constitutie. Het is daarom een zaak van weinig belang
of de ene theosoof meent dat Jezus Christus de grootste
meester is en of een andere theosoof denkt dat Gautama-Boeddha
of een andere leraar van de mensheid de grootste meester
is. Voor mij is zo’n vraag van ondergeschikt belang, want
van werkelijk groot belang is de verheven boodschap van
de theosofie die wij, als ware theosofen, aan de wereld
moeten brengen, en het zijn beslist niet onze persoonlijke
meningen of gevoelens over de Groten die ons officiële
standpunt of gedrag moeten beheersen.
Voor ons was Jezus, de avatâra, uit Palestina,
een van de grote theosofische meesters, en dat geldt natuurlijk
ook voor Gautama de Boeddha en andere geestelijke en intellectuele
reuzen uit de geschiedenis; voor mij persoonlijk is het
van gering belang welke van de grote leraren van de wereld
door verschillende mensen de grootste wordt geacht. Voor
mij is het allerbelangrijkste aan de lijdende mensheid
en onze in duisternis verkerende wereld de levengevende,
lichtgevende, helende geest van de theosofie te brengen,
de verheven wijsheid van de goden.
het oneindige altijd in beweging
zijnde leven
De eerste grondstelling is, zo zegt ons De Geheime Leer, ‘Een alomtegenwoordig, eeuwig, grenzeloos en onveranderlijk beginsel’. In hetzelfde verband lezen we: ‘Deze oneindige en eeuwige oorzaak . . . is de wortelloze wortel van ‘alles dat was, is, of ooit zal zijn.’’’ Als dit ‘onveranderlijke beginsel’ dat zelf wortelloos is, de wortel is van al wat is, d.w.z. de wortel van het veranderlijke, steeds aan verandering onderhevige bestaan op alle gebieden van manifestatie, dan zou men denken dat het in zijn schoot de zaden van veranderlijkheid met zich voert en dus niet ‘onveranderlijk’ is. Ik zou graag zien dat u deze voor mij schijnbare paradox ontrafelt. Het is een vraag die een eeuwig raadsel
is voor de westerse filosofie en religie en in feite geheel
onnodig.
In de eerste plaats dit: toen H.P.B. De Geheime Leer schreef had ze woorden nodig. Ze moest woorden gebruiken die begrepen zouden worden. Het gevolg was dat, door begrijpelijke woorden te gebruiken voor ongeoefende mensen, ze de oneindigheid een etiket, etiketten, opplakte. Maar de oneindigheid heeft geen kenmerken, geen eigenschappen, geen omschrijvende termen, die de meest spirituele verbeeldingskracht van de mens eraan zou kunnen geven en niemand wist dat beter dan H.P.B. zelf. Elke poging om te definiëren is een beperking. Definiëren betekent een grens trekken. Dat is voor de oneindigheid onmogelijk. Dit woord betekent grenzeloos. Niettemin moest ze woorden gebruiken om haar gedachten enigszins duidelijk te maken, want haar idee was christenen en christelijk opgevoede theosofen te leren dat het grenzeloze niet een schepper is, niet een demiurg is, geen stuwende oorzaak, dat het, noch gedeeltelijk noch in zijn geheel, iets doet om scheppingen voort te brengen. Daarom zei ze ‘onveranderlijk’. Toch is dit onveranderlijke eenvoudig het steeds in beweging zijnde oneindige leven, altijd in beweging: het leven zelf, oneindig, grenzeloos, zonder begin, zonder einde, zonder woorden, dat niet kan worden omschreven binnen de grenzen of het kader van een menselijk adjectief of menselijk zelfstandig naamwoord. We kunnen alleen maar zeggen dat het het altijd oneindige leven is, van eeuwigheid tot eeuwigheid, onophoudelijk in beweging en deze beweging zelf is. Ik hoop dat dit enig licht op de zaak werpt.
Dit leven bestaat naar onze menselijke opvatting uit ontelbare hiërarchieën van druppels geest bij wijze van spreken, zoals de grote oceaan uit druppels water bestaat, één en toch vele – altijd één, nooit bewegend als een volledige oceaan, maar eeuwig in beweging in al zijn delen, in bewegingen. Terwijl het ene deel in rust is, beweegt een ander deel. Het deel dat in rust was begint te bewegen, maar het deel dat in beweging was stopt zijn bewegingen en wordt kalm. Dat zijn de heelallen die verschijnen en weer verdwijnen in zijn grenzeloze schoot: Hetzelf, vruchten van zijn schoot; zelf, zelven, van Hetzelf; en zo in de eeuwigheid op alle gebieden.
Westerlingen kunnen niet begrijpen dat de oneindigheid, zoals wij die zien en opvatten, nooit beweegt of kan bewegen als een oneindige eenheid of één, want dat maakt dat ze niet langer de oneindigheid is, maar een één. De oneindigheid wordt weergegeven door het symbool nul, dat alle enen omvat. Met andere woorden, ze is niet een oneindige schepper. Was ze dat wel, dan zou ze een oneindige schepping voortbrengen. H.P.B. probeerde aan te tonen dat het parabrahman van de occulte filosofie geen scheppende, actieve, bewegende, veranderlijke god is. De christelijke theologie zit vol tegenstrijdigheden omdat ze probeert te definiëren en dus af te bakenen, te omsluiten wat grenzeloos is, ‘zonder lichaam, begaafdheden en hartstochten’ zoals zij zeggen – en toch een Schepper! Een tegenspraak.
Denk aan iets in de oneindige schoot van het kosmische leven: u, mij, een zon, een planeet, op welk gebied ook, supergoddelijk, goddelijk, spiritueel, verstandelijk, astraal, stoffelijk of lager dan het stoffelijke. Elke entiteit waar ook, elke monade waar ook, die het kroost, een kind is van het kosmische leven en voor altijd daartoe behoort, kan zich nooit daaruit verwijderen, bevindt zich altijd daarin, van eeuwigheid tot eeuwigheid; en toch is die monade voortdurend in beweging omdat haar hart van het hart, de kern van de kern van het hart van het hart van de kern van de kern ervan de oneindigheid is.
Zo verschijnen en verdwijnen de heelallen als ‘vonken van de eeuwigheid’. In hun uiterlijke vormen van manifestatie zijn ze mâyâvisch, illusies; maar het hart van elk, de essentie van elk, is het kosmische leven in al zijn eindeloze gebieden en uitgestrektheden. En daarom is het hart van elk de oneindigheid: het hart van mij, het hart van u, de kern van mij, de kern van u is de wortel van mij, de wortel van u, die eindeloos reikt tot in het oneindige kosmische leven.
Dat oneindige kosmische leven is nooit als individu bezig om voort te brengen; maar toch, als een oneindig aantal monaden, zoals de oceaan uit een oneindig aantal waterdruppels bestaat, is de essentie van dat kosmische leven ‘voortbrenging’. Elektriciteit bijvoorbeeld, om een huiselijk beeld of analogie te nemen, is universeel, is kosmisch. Gezien als een eindeloze essentie is ze onveranderlijk, maar in een oneindig aantal delen of gedeelten van zichzelf is ze onophoudelijke activiteit. Het leven is oneindig en toch, zo beschouwen wij mensen het tenminste, is het oneindige leven bij wijze van spreken opgebouwd uit een oneindig aantal levens, en elk van deze is een monade, waarvan het hart het hele kosmische leven is, maar is als monade een druppel daarin. Het kosmische leven is dus onveranderlijk omdat het geen individu is; het handelt niet, of beweegt niet of functioneert niet als een individu, dat wil zeggen als een monade. Het is het alomvattende leven van alle monaden, hun moeder, de eeuwigheid, het grenzeloze, waaruit alles tevoorschijn komt en waarin alles terugvalt wanneer zijn loop is volbracht, om weer te verschijnen voor een nieuwe manvantarische opgang naar grotere glorierijke hoogten, om daarna weer in rust te verzinken; zoals wij mensen sterven om weer herboren te worden.
Er is dus geen tegenspraak; de twee uitspraken
vullen elkaar aan, verklaren elkaar. De ‘onveranderlijkheid’
waarover werd gesproken, is dat alleen voor ons heel beperkte
menselijke begripsvermogen, zoals het kortstondige leven
en het nietige denkvermogen van een mug in de beweging
van de zon aan de hemel in het geheel geen beweging zou
zien, maar onveranderlijkheid en bewegingloosheid. Wij
mensen, die binnen het terrein van ons zwakke verstand
of zelfs van onze intuďtie de eerste en laatste en grootste
functie van de oneindigheid, die oneindige beweging zelf
is, niet kunnen omvatten, spreken er dus over als ‘onveranderlijkheid’.
Aan de andere kant zou het even verkeerd zijn het ‘veranderlijk’
te noemen, omdat ‘veranderlijk’ niet meer is dan een menselijk
adjectief dat bepaalde menselijke en andere natuurlijke
aspecten van gemanifesteerd leven beschrijft.
de legende van lao-tse
In één artikel in uw tijdschrift wordt voor de baarmoederperiode van Lao-Tse 81 jaar opgegeven en in een ander 72. Wat is juist en wat is de occulte betekenis van deze legenden? 9 x 9 = 81. 9 x 8 = 72. Zijn laatste avatârische verschijning wordt zijn negende genoemd. Tweeënzeventig en eenentachtig zijn
beide heel mystieke getallen in de oude berekeningen.
72 is dus 6 x 6 x 2, ofwel 6 x 12. Of men kan het
zien als 60 + 12, wat 5 x 12 is plus nog eens het grondtal
12. En 5 x 72 is 360, en dat is 3 x 10 x 12. Men kan vele
andere soortgelijke getallen krijgen, die alle een astronomische
en occulte grondslag hebben. Dus nog eens met 81; dat
is 3 x 3 x 3 x 3, of 3 tot de 4de macht; ofwel het is
9 x 9, negen wordt algemeen beschouwd als het getal van
verandering en 9 zelf is 6 + 3 of 6 + 6/2. Of ook, 81
is 3 x 27, een van de maangetallen; en 81 is 72 + 9, 72
zelf is 8=x=9. We zien dus dat de beroemde oude wortelgetallen,
1, 2, 3, 4, 5, 6, 9, 10, 12 en hun veelvouden telkens
weer terugkeren en een rol spelen. De Hebreeuwse bijbel
zegt ‘de dagen onzer jaren, daarin zijn zeventig jaren’,
een afronding van 72? De hartslagen van een gemiddeld
mens, staand of liggend, variëren van ongeveer 60 tot
72 per minuut.
Als antwoord op bovengenoemde vraag: noem
het 72 als u wilt. Bovengenoemde lange periode van de
groei in de baarmoeder was de archaďsche, mystieke manier
van spreken als het ging om het aantal jaren dat hij in
de schoot van zijn mystieke moeder werd gedragen: beproeving,
ervaring, leren als een chela, vóór hij tenslotte werd
‘herboren’, of wat de Indiërs dvija, ‘tweemaal
geboren’ noemen. Dat is alles. Het betekent niet dat zijn
moeder hem als lichamelijk embryo 72 jaar droeg. Dat is
belachelijk en een uitstekend voorbeeld van de manier
waarop de Ouden esoterische feiten hulden in de taal van
dagelijkse gebeurtenissen en die gebeurtenissen vaak zo
geweldig overdreven, dat ze bijna van de daken schreeuwden
dat het maar verhullingen, beeldspraak, allegorieën waren.
Daarom ook geldt dezelfde verklaring voor verhalen over
maagdelijke geboorten, heilanden die uit maagden werden
geboren. De heilanden zijn de grote adepten, geboren uit
de goddelijke sophia of wijsheid, of uit de geest zoals
soms wordt gezegd.
de oude pâli-taal
Wat kunt u me zeggen over de Pâli-taal? Pâli is feitelijk een Prâkrit-taal
uit het oude India en was ongetwijfeld de gecultiveerde
vorm van die taal die waarschijnlijk in een groot deel
van India werd gesproken in de tijd dat de Boeddha leefde.
Pâli zelf had zijn minder gecultiveerde vormen die door
de massa werden gesproken, de onontwikkelden, zoals ook
nu voorkomt in bepaalde Europese landen of in Japan, of
in China. Er is een taal van de geletterde klasse en de
populaire volkstaal van de massa. Taalkundig is Pâli verbonden
met het Sanskriet, dat feitelijk de heilige taal was van
de brahmanen, die door hen min of meer voor eigen gebruik
werd bewaard of werd geheimgehouden. Zelfs in die oude
tijd was het Sanskriet de taal voor de archaďsche wijsheidsleringen
van de Indo-Europese volkeren van India, zoals in de Veda’s
en de Purâna’s en de Upanishads en de grote heldendichten,
het Râmâyana en het Mahâbhârata. Maar Pâli
was één van verschillende andere cultuurtalen van het
oude India, die alle een zogenaamd Prâkrit karakter hadden,
hoewel er heel weinig bekend is van deze andere literaire
talen. Pâli is merkwaardig genoeg tot nu toe blijven bestaan
omdat het als taal het voertuig werd waarin de leringen
van het boeddhisme werden bewaard, d.w.z. het zuidelijke
boeddhisme, zoals het Latijn is bewaard gebleven omdat
de leringen van het middeleeuwse christendom erin werden
vastgelegd. Zoals er in het oude Italië vele andere Italische
talen bestonden, elk met haar literaire of cultuurvorm
en ook haar volkstaal, was dat ook het geval in het oude
India.
Pâli is niet een ‘verwaterd Sanskriet’. Sanskriet
was veeleer een mysterietaal die door ingewijden van de
heilige tempels werd ‘samengesteld’ of ‘opgebouwd’ en
vervolmaakt; en omdat op die wijze een bijna volmaakt
uitdrukkingsmiddel voor het menselijke denken werd geconstrueerd,
tenminste voor die tijd, werd het sa.msk.rita genoemd,
wat ‘samengesteld’, ‘geconstrueerd’ betekent. Pâli is
dus niet een echt kind van het Sanskriet, maar is en was
de literaire vorm van een van de oude talen van India,
die door het volk kennelijk in grote delen van het Indiase
schiereiland werden gesproken, en die om bovengenoemde
redenen bewaard is gebleven.
boeddhisme, brahmanisme en de
advaita-vedânta
Hoe komt het dat het boeddhisme na de dood van de Boeddha voor een groot deel uit India verdween en in naburige landen wortel schoot en bloeide? Kan Sankarâchârya een boeddhist worden genoemd? Wat het boeddhisme betreft: deze
edele religieuze filosofie maakte grote opgang in en verspreidde
zich over bijna heel India, en vierde zijn hoogtij in
de tijd van Chandragupta en Asoka, twee grote boeddhistische
vorsten; en zij waren het voornamelijk die boeddhistische
zendelingen aanmoedigden en steunden, d.w.z. diegenen
van hen die het boeddhisme overbrachten naar Noord-Azië
en naar de landen ten oosten en zuiden van India. Dat
was tijdens de bloei van het boeddhisme in India. Het
brahmanisme, met verschillende andere Indiase stelsels,
bleef natuurlijk tijdens die honderden jaren van boeddhistische
glorie bestaan voornamelijk omdat het boeddhisme in wezen
verdraagzaam en mild is. Maar na de boeddhistische bloeitijd
in India kreeg het brahmanisme langzamerhand de overhand
en wel om verschillende redenen; één reden was het gedeeltelijke
verval van het oorspronkelijke boeddhistische enthousiasme
bij de boeddhisten zelf; gedeeltelijk ook omdat het brahmanisme
een vorm van verheven religieus en filosofisch denken
vertegenwoordigt dat inheems en dus de Indiase geest eigen
is; en gedeeltelijk ook omdat het boeddhisme, zoals H.P.B.
en ikzelf hebben gezegd, oorspronkelijk eigenlijk een
soort brahmanisme van het heilige der heiligen was dat
de Boeddha aan ieder doorgaf die het kon en wilde aanvaarden,
en dat het in zijn diepere aspecten moeilijk was te doorgronden,
en dus de massa in het algemeen minder aansprak dan de
eredienst en de ceremoniën, de praal en de vormen en de
mythologische literatuur van het brahmanisme. En zo verdween
het boeddhisme langzamerhand uit India, maar kreeg tegelijk
meer en meer invloed in China, in Tibet en in alle landen
ten noorden van India, zowel als in Siam [Thailand] en
Birma, Ceylon [Sri Lanka] en Java, de landen ten zuiden
en oosten van India, waardoor tenslotte de twee grote
boeddhistische filosofische en geografische verdelingen
ontstonden die tot op heden zijn blijven bestaan.
Het boeddhisme van het noorden was vanaf het begin heel mystiek, filosofisch en typisch esoterisch van aard. Het boeddhisme van het zuiden was vanaf het begin heel filosofisch maar minder mystiek in zijn presentatie en veel pragmatischer van geest dan het boeddhisme van het noorden. De meeste aspecten van de ware leer van de Boeddha kan men vinden, althans exoterisch, door het mahâyâna van het noorden samen met het hînayâna van het zuiden te beschouwen.
Dat Europese oriëntalisten, zoals wijlen prof. Rhys Davids, het verval van het boeddhisme in India aan oorzaken toeschrijven die voor deze Europese oriëntalisten logisch en waarschijnlijk zijn, is begrijpelijk; en zij moeten voor die veronderstelling niet scherp worden bekritiseerd, want ze hebben geen andere middelen om te beoordelen waarom het boeddhisme het tenslotte in India niet haalde. Maar de waarheid is dat het boeddhisme, dat afkomstig is uit de innerlijke heiligdommen van het brahmanisme zelf, en in die tijd als het ware een esoterische kant van het brahmanisme was, over het land streek als een geestelijk vuur zolang de Boeddha en zijn arhats en zijn onmiddellijke discipelen aanwezig waren om er leiding aan te geven; de latere Indiase boeddhisten verloren echter dit geestelijk vuur van enthousiasme en de helderheid van inzicht en zonken geleidelijk terug in de verschillende vormen van het brahmanisme. Dat is het hele verhaal in een notendop.
Tenslotte is er een heel belangrijke, hoewel typisch occulte en esoterische reden voor het verdwijnen van het oorspronkelijke boeddhisme uit het Indiase schiereiland, en die lag in een situatie die bijzonder moeilijk op bevredigende wijze kan worden beschreven en die toch de hoofdoorzaak was die bijdroeg aan de boeddhistische achteruitgang daar. De feiten zijn als volgt: In zijn ontzaglijke liefde voor de mensheid en zijn medelijden, zijn verlangen bepaalde fundamentele geheime leringen uit het heilige der heiligen onder de aandacht van de menigte te brengen als een geestelijke hulp en voor hun intellectuele en morele gezondheid, gaf Gautama, de Boeddha, een over het geheel genomen zo goed als volmaakt beeld van de filosofische en ethische kant van de oude wijsheidsreligie; maar kort voor zijn nirvâna besefte hij dat de mystieke en religieuze aspecten of delen van de wijsheidsleringen op onvoldoende wijze waren uitgewerkt, behalve voor de onmiddellijke kring van de Boeddha en zijn arhats. Om dit tekort te corrigeren bracht Gautama de Boeddha, ongeveer vijftig jaar na zijn heengaan, de geboorte en het bestaan teweeg van de avatâra, de grote Sankarâchârya, en de Boeddha zelf verschafte het psychische gestel van deze grote hindoeleraar van de Advaita-Vedânta. Hoewel geboren in het zuiden van India, en zo’n vijftig of meer jaar na het heengaan van Boeddha, was Sankarâchârya, bij wijze van spreken, dus een ‘wederverschijning’ als Sankarâchârya van het menselijke deel van Boeddha Gautama. Theosofen zullen onmiddellijk begrijpen wat er hier wordt bedoeld als zij zich de theosofische leer van de avatâra’s herinneren. Toen Sankarâchârya tot man opgroeide en zijn werk begon, verspreidde zijn leer, die bijna vanaf zijn tijd tot nu toe de Advaita-Vedânta wordt genoemd, of de non-dualistische Vedânta, zich als een lopend vuurtje over het Indiase schiereiland; en deze werkelijk grote leraar bracht het merendeel van de meest intuďtieve en filosofische geesten in India van alle eeuwen sinds zijn tijd binnen de kring van zijn leer, zodat zelfs in onze tijd de Advaita-Vedânta misschien de meest geliefde en algemeen aanvaarde vorm van het filosofische en mystieke brahmanisme is die we kennen.
De filosofische en mystieke leer en instelling van de Advaita-Vedânta van Sankarâchârya zijn inderdaad zo nauw verwant aan en lijken zo op de mahâyânaleringen van het noordelijke boeddhisme, dat vooringenomen critici van beide de Advaita-Vedânta beschrijven als een ‘versluierd boeddhisme,’ en op eenzelfde manier het noordelijke mystieke boeddhisme aanduiden als een ‘versluierde Advaita-Vedânta’. De kritiek is in feite volkomen juist, want de Advaita-Vedânta en het esoterische boeddhisme van Gautama waren zo goed als identiek. Zo kwam het dat de avatâra Sankarâchârya, de ‘wederverschijning’ zoals hierboven gezegd van het ‘menselijke deel’ van de Boeddha-Gautama er de oorzaak van was, misschien meer dan iets anders, dat het filosofische en ethische boeddhisme uit de vroegste periode van het toneel verdween –een vreemde paradox die tot diep nadenken stemt.
Het is ook waar dat het mystieke mahâyânaboeddhisme van het noorden over het geheel genomen een beter beeld gaf van de volledige leringen van de Boeddha zoals hij die aan zijn arhats leerde dan de meer formeel filosofische weergave van het oorspronkelijke boeddhisme zoals we die zelfs nu nog belichaamd vinden in de leringen van de zuidelijke school, het hînayâna geheten.
Vandaar dat als men de Advaita-Vedânta van
Sankarâchârya combineert met de schitterende mystieke
en occulte filosofie en verheven ethiek van het vroege
boeddhisme, welk laatste nu vooral is belichaamd in het
mahâyâna, men niet alleen de oorspronkelijke leer krijgt
van Boeddha-Gautama zoals deze die onderwees aan zijn
arhats en zijn rechtstreekse leerlingen, maar ook zal
ontdekken dat de samenvoeging van die twee identiek is
met de archaďsche esoterische en occulte wijsheid van
de eeuwen, nu theosofie genoemd.
de positie van mohammed
Ik was bijzonder geďnteresseerd
in uw uitspraken over Mohammed, maar kan die niet helemaal
verenigen met een passage uit De Oceaan van Theosofie.
W.Q. Judge spreekt over Mohammed als een minder grote
avatâra. De passage waarop ik doel komt voor in hoofdstuk
14, blz. 139: ‘Mohammed was een minder grote avatâra,
gekomen voor een bepaald deel van het ras, en was wereldlijk,
militair en religieus.’ Wat W.Q. Judge over Mohammed zegt
als een ‘minder grote avatâra’ is volkomen juist, maar
er moet sterk de nadruk worden gelegd op de woorden ‘minder
grote’; de waarheid is dat Mohammed een avatâra kan worden
genoemd, maar alleen als we de betekenis van het woord
‘avatâra’ aanzienlijk uitbreiden. Mohammed deed een bepaald
raciaal werk beďnvloed door een straal van de planeetgeest,
maar was zich niet bewust van zijn zending in die betekenis
van het woord en was, in feite, maar heel weinig hoger
dan welke andere in het oog vallende figuur die een instrument
van karmische activiteit wordt. Alleen in die zin was
Mohammed een minder grote avatâra en hij behoorde inderdaad,
zoals Judge zegt, tot het ‘wereldlijke, militaire en religieuze’
type.
kwaad, het conflict tussen willen
Wat is uw mening over de oorsprong
van het kwaad? Er is geen twijfel aan dat we een integrerend
deel zijn van het heelal; maar wanneer we bedenken dat
het plan van de schepping overal berust op het doden van
elkaar, op pijn en angst, dan kan ik als iemand die gelooft
dat ons leven een vredige overgang zou moeten zijn van
jeugd naar ouderdom en dat ons leven een periode van vreugde
en geluk zou moeten zijn, het niet meer begrijpen. Deze
ontzagwekkende intelligentie, deze wonderlijke macht,
deze verschrikkelijke kracht die het heelal beheerst,
wat die ook mag zijn, is voor mij duivels. Zij vormt de
tijger en geeft de ongelukkige dieren geen gelegenheid
het gevaar dat hen omringt te ontlopen. Wat geeft aan
de slang het vergif en aan de tijger de grote hoektanden,
wat geeft de mensen de gedachte dat ze elkaar moeten bevechten
en doden, ware het niet dat wij slechts een tegenstrijdige
hiërarchie van tegenstrijdige idealen zijn, bestemd om
eens uit te stijgen boven deze kosmische onrust en hemelse
vreugde te genieten? Waar u op wijst is natuurlijk iets
dat iedereen die het leven en de dingen om ons heen bestudeert,
overkomt. Ik herinner me dat toen ik een jongen was dit
de eerste ernstige vraag was die bij me opkwam, en pas
toen mijn ogen werden geopend begreep ik dat geluk zonder
tegenstelling niet kan bestaan; dat er geen vrede is die
niet is verdiend. Hoe vaak heb ik niet als kind, als jongeman
tegen mezelf gezegd: Men spreekt over de almachtige God,
een barmhartige Vader, en toch is het heelal vol strijd
en pijn! Het kwaad overheerst soms het goede, althans
tijdelijk; wat een monster moet God zijn, de maker van
alles, om de dingen zo te hebben gemaakt!
Uw gedachten zijn inderdaad heel natuurlijk en hebben mijn diepste sympathie; maar we moeten de dingen aanvaarden zoals ze zijn en de verklaring van het probleem is als volgt: geen ‘God’ is de maker of schepper van de onrechtvaardigheden waarover u spreekt. Naast het gif bestaat zijn tegengif; naast wanorde is er orde; oneer wijst op het bestaan van eer; duisternis zou niet kunnen bestaan zonder licht. Wij kunnen ons deel van het stoffelijke heelal met al zijn kwalijke aspecten niet in één klap veranderen; maar dit zijn niet meer dan gebeurtenissen in het marcherende leger van wezens die in ruimte-tijd voorwaarts en opwaarts trekken. Door te lijden, leren we; en de onsterfelijke goden zij dank dat het heelal zo in elkaar zit dat we kunnen leren. Stel dat een heelal zo was gevormd dat er niets anders in bestond dan vrede en geluk, saaie inactiviteit en traagheid die tot in eeuwigheid voortduren! Dat zou een hel zijn. Er is iets in me dat er vurig naar verlangt licht te brengen aan hen die het niet bezitten; er is iets in me dat ernaar verlangt de hand in mededogen uit te steken; er is iets in me dat kostbaarder is dan mijn eigen wezen, dat me doet verlangen mijn medemensen te helpen. Bedenk eens wat het zou betekenen als ik werd beroofd van deze verheven vreugde het mijne te doen om de last van de wereld te verlichten.
We kunnen het heelal niet anders maken dan het is en het is wat het is op grond van karma – het ingewikkelde en verstrengelde karma van ontelbare menigten wezens die door groei en pijn en lijden leren deel te nemen aan het kosmische werk, geleid door mededogen, oneindige sympathie en liefde voor al wat is, en zich aan te sluiten bij de gelederen van de verheven goden. De verschrikkingen waarover de vraagsteller spreekt bestaan inderdaad; maar er bestaat ook onuitsprekelijke schoonheid. Waarom spreken we niet ook over de mooie dingen in de natuur? Waarom niet gesproken over haar geordendheid, haar wetten, vrede, groei en uitbreiding van bewustzijn die alle wezens ondergaan in alle elkaar cyclisch opvolgende tijdsperioden? Waarom spreken we, behalve over de verschrikkingen van het natuurlijke bestaan, niet ook over de schoonheid ervan? Er bestaan inderdaad ziekten, maar gezondheid bestaat toch ook. Er bestaat misdaad, maar er bestaan ook mensen die geen misdadigers zijn. Er bestaan verschrikkingen, maar ook die hebben als tegenhanger dingen in het leven die mooi, harmonieus, welgevormd en heilig zijn en eeuwige vreugde betekenen.
Het heelal is zoals het is; en deze verschrikkingen zal ik nu verklaren door u de theosofische leer van de oorsprong van het kwaad uit te leggen. Kortom, al deze dingen bestaan in en door evoluerende schepselen, onvolmaakte wezens, in ontelbare menigten, die allen, door lijden, door leed en pijn, leren om ordelievend te worden, liefdevol, meedogend, vredelievend, innerlijk en uiterlijk mooi te zijn – in de oorspronkelijke betekenis van het woord mooi.
Dit alles doet me denken aan het oude christelijke idee van de hemel. Ik herinner me wat mijn dierbare vader, die geestelijke was, me over de hemel vertelde: Als ik een heel goed jongetje was zou ik als ik stierf beslist naar de hemel gaan, aan de rechterhand van God zitten en eeuwig liederen zingen. Zo’n bestaan trok me helemaal niet aan. Het beantwoordde aan niets in mijn eigen wezen; en toen ik ouder werd en de argumenten hoorde die mensen te horen kregen, en ook de filosofische ideeën die onder mensen gangbaar waren over de zogenaamde onsterfelijkheid, verwierp ik die onsterfelijkheid zoals die werd voorgesteld, want deze onsterfelijkheid was niets anders dan een speculatieve onsterfelijkheid van de persoonlijke mens met al zijn vele en soms monsterlijke onvolmaaktheden; en ik kon de gedachte niet verdragen dat als die leer waar was, ik zou zijn voorbestemd eonenlang, eindeloos, een onvolmaakt wezen te zijn; hoe ik ook zou veranderen, ik werd geacht altijd hetzelfde egoďsche wezen te blijven. Nee, ik wilde op een andere manier groeien; ik wilde groter worden en ruimte en uitdrukking geven aan de in mij besloten geestelijke, verstandelijke en andere krachten. Ik ontdekte dat er voor de persoonlijke mens geen onsterfelijkheid bestaat; was dat wel zo dan zou de persoonlijke mens betrekkelijk onveranderd moeten blijven. Als hij veranderde, hoe weinig ook, dan was hij niet langer dezelfde – en zou de veronderstelde onsterfelijkheid verdwijnen. In plaats van onsterfelijkheid voor de persoonlijke mens, zeggen theosofen dat er een eeuwige, eindeloze evolutie bestaat, een eindeloze groei, eindeloze uitbreiding van vermogens, van krachten, waardoor er voortdurend meer en meer naar buiten wordt gebracht van wat innerlijk is opgeslagen, een overgang vanaf de lagere en onvolmaakte gebieden van het heelal naar de hogere en dat, daar gekomen, men zich omwendt en een helpende hand van mededogen uitstrekt naar hen die zich in de lagere duisternis bevinden. Ik leerde de grootse en diepe waarheid dat zelfs het ego verandert, dat zelfs de geest zich ontwikkelt tot grotere dingen, zodat de onsterfelijkheid van het ego, of wat de persoonlijke mens wordt genoemd, slechts een ijdele droom was van een vertroebelde verbeeldingskracht.
Ongetwijfeld bestaat het kwaad in de wereld,
maar het komt voort uit het feit dat de wereld vol onvolmaakte
wezens en entiteiten is – zoals er ook ontelbare hiërarchieën
van betrekkelijk vervolmaakte en goddelijke wezens bestaan.
Omdat de eerste onvolmaakt zijn, handelen ze ook op een
verwrongen manier en op een wijze die men slecht noemt.
Dat brengt disharmonie voort, het azen van het ene wezen
op het andere en de pijn en het lijden die daaruit voortvloeien.
Denk verder na over deze diepe leer. Zoals gezegd bestaan
er boven deze menigten die in de lagere gebieden worstelen,
de verheven gebieden van de goden. Het is heel goed mogelijk
dat ook zij hun problemen hebben en persoonlijk denk ik
dat ook; maar het zijn gebieden die voor ons mensen onvergelijkelijk
licht, heilig en majestueus zijn en onze innerlijke geestelijke
en verstandelijke natuur is daar thuis. Vandaar komen
in ons hart en hoofd onze edelste impulsen om goede daden
te doen; onze edelste intellectuele aspiraties worden
geboren in deze innerlijke goddelijke en geestelijke gebieden.
Daar is onze geest werkelijk thuis.
de onzichtbare metgezellen van
kinderen
Wat is de verklaring van de ‘onzichtbare metgezel’ waarover sommige kinderen voortdurend spreken alsof hij bijna een deel is van henzelf? Een interessante vraag en een die
ook aantoont hoezeer wij volwassenen het intuďtieve vermogen
hebben verloren om geestelijk gezelschap te herkennen,
een vermogen dat kinderen, tenzij ze zijn bedorven door
ouders die hen op overdreven wijze liefhebben en vertroetelen,
nog hebben behouden.
Het zou geheel onjuist zijn, denk ik, te veronderstellen dat deze lieve kinderen zelfbewust, zoals volwassenen dat zouden kunnen doen, de aanwezigheid ervaren van een onzichtbare metgezel; wat ze wel hebben is een duidelijk ‘gevoel’ of een innerlijk besef van de geestelijke aanwezigheid van het innerlijke zelf; aan deze ‘aanwezigheid’ geeft het kind vaak een naam, en voor elk van deze kinderen geldt dat ze daarvan de menselijke uitstraling zijn.
Omdat de straal die op weg is naar incarnatie en zich gaat belichamen op de manier die ik in mijn The Esoteric Tradition en elders probeerde te beschrijven, nog maar betrekkelijk kortgeleden uit de devachanische toestand is gekomen waarin deze geestelijke aanwezigheid van het innerlijke zelf een levende werkelijkheid was, hoewel toen niet ervaren als iets afzonderlijks – wat ze ook niet is – bezit hij nog de intuďtieve kennis van die geestelijke aanwezigheid; en de kinderziel, die instinctief deze aanwezigheid voelt, maar nog niet het ontwikkelde verstand bezit om het te beredeneren of te analyseren, herkent het feit en praat over wat wij volwassenen ‘een onzichtbare metgezel’ noemen of zouden kunnen noemen of met een soortgelijke naam aanduiden.
Het is een feit dat hoogontwikkelde mensen, die ook esoterisch zijn getraind, deze geestelijke aanwezigheid zelfbewust ervaren, en wel in die mate dat adepten en ingewijden het feit kennen in zijn juiste verhoudingen en dit innerlijke zelf dat door hen werkt met verschillende termen aanduiden, zoals ‘vader-vlam’, ‘vader in de hemel’, ‘vader-vuur’, enz., enz. Met andere woorden de adept kent en herkent zijn innerlijke zelf als de ‘onzichtbare metgezel’, en plaatst zich onder zijn voortdurende en nooit falende leiding en inspiratie. Kleine kinderen, pas terug uit de geestelijke gebieden, voelen dat feit ook, zoals hierboven gezegd, hoewel niet met de zelfbewuste analyse van de adept; maar ze herkennen hem onbewust, bij wijze van spreken, als een ‘gevoel’; en het onbedorven kind zal vaak zo onder de indruk zijn van dit onzichtbare gezelschap dat het er met anderen over wil spreken.
In het geval van de adeptziel, is de onzichtbare
metgezel precies wat de avatâra Jezus bedoelde toen hij
over zijn ‘Vader in de Hemel’ sprak.
cyclussen binnen cyclussen
Op welke manier worden de grote
cyclussen in de evolutie van een wortelras op kleinere
schaal herhaald in de ontwikkeling van de verschillende
onderverdelingen daarvan? Overlappen ze elkaar niet in
belangrijke mate? U zegt daar iets dat voor u misschien
een heel eenvoudige vraag lijkt, maar na enige overweging
zult u inzien dat het een buitengewoon ingewikkelde vraag
is, die het nodig maakt de ingewikkelde aard van de cyclische
werkingen van de natuur en de wijze waarop het grote het
kleine omvat, volledig toe te lichten of te verklaren.
Dat is een geweldige taak! Een heel boekdeel is nodig
om die ene vraag te beantwoorden, een vraag die bij velen
opkomt, en juist omdat ze zo ingewikkeld is, is er altijd
aan voorbijgegaan sinds de tijd van H.P.B. Er zouden letterlijk
honderden bladzijden nodig zijn om een volledige uiteenzetting
te geven en dagen en dagen van hard werken om het te dicteren.
Maar er zijn altijd algemene regels en tot de goden mij een paar jaar of meer de tijd geven, zult u, denk ik, daarmee tevreden moeten zijn. De algemene regel is – en het is een prachtige sleutel – dat het kleine het grote herhaalt, dat kleine yuga’s niet alleen door grotere yuga’s worden omvat, maar die op hun eigen kleine schaal herhalen. Bijvoorbeeld: Het huidige vijfde wortelras, als een geheel gezien, waaronder al zijn ondergeschikte onderrassen vallen, grote of kleine, is nu in zijn kaliyuga, dat ruim vijfduizend jaar geleden begon, bij de dood van Krishna, en nog ongeveer 427.000 jaar zal blijven bestaan. Let wel, dit is het kaliyuga van het hele wortelras, het grote kaliyuga.
Van alle ondergeschikte cyclussen of yuga’s van dit vijfde wortelras zullen sommige omhooggaan en sommige omlaag; ze zijn alle met elkaar verweven, en toch onderworpen aan het grote kaliyuga van het wortelras, dat pas is begonnen. Een ondergeschikt yuga of ras kan dus in zijn jeugdperiode zijn, omhooggaan naar zijn bloeiperiode, maar toch, omdat het wordt omvat door het grote neergaande kaliyuga, hoewel het een scherpe stijging meemaakt, niettemin onderworpen zijn aan de algemene achteruitgang van het grote kaliyuga.
Elke ondergeschikte cyclus, groot of klein, behorend tot het wortelras, is op zijn beurt zevenvoudig en heeft daarom zijn eigen kleine kaliyuga en zijn numerieke verhoudingen zijn ongeveer dezelfde. Zoals het grote kaliyuga 432 duizend jaar duurt, duurt een klein kaliyuga misschien slechts 432 jaar of wellicht 4.320 of zelfs 43.200 jaar. Het hindoe- of Indo-Europese ras dat een van de allereerste onderrassen van ons eigen vijfde ras was, is nu in zijn eigen raciale kaliyuga, maar behoort ook tot het vijfde wortelras en dus natuurlijk ook tot het grote kaliyuga van het wortelras. Maar het streeft naar omhoog om weer tot bloei te komen en zal dat ook in de toekomst doen.
Op kleine schaal gezien is Spanje in zijn korte kaliyuga, evenals Portugal. Italië heeft juist een kort kaliyuga beëindigd en streeft weer naar omhoog.
Omdat ons vijfde wortelras een heel materialistisch ras is, d.w.z. diep gedompeld in de stof als gevolg van onze vierde ronde, zijn deze opgaande bewegingen helaas hoofdzakelijk op materialistisch gebied. Verder beweegt onze eigen Europese algemene stam van rassen, die we het Europese onderras of misschien familieras kunnen noemen, gestadig in opgaande richting sinds de val van het Romeinse Rijk, en zal, met verschillende kleinere schokken en neergangen en opgangen, nog ongeveer zes- ŕ zeven- of mogelijk achtduizend jaar blijven stijgen. En dan zal er een snelle neergang zijn totdat hun kaliyuga is bereikt, een klein kaliyuga, en er een grote Europese natuurramp zal plaatsvinden. Dat zal over ongeveer zestien- ŕ achttienduizend jaar gebeuren, misschien over vijftien- of mogelijk over zeventienduizend jaar. Ik heb nooit tijd gehad het exacte cijfer te berekenen. Maar men kan zeggen ‘ongeveer’ 16.000 jaar na heden. In die tijd zullen de Britse eilanden worden overspoeld. Het grootste deel van Frankrijk zal onder water staan, evenals Nederland, een deel van Spanje, een flink deel van Italië en andere plaatsen. Natuurlijk gebeurt dat alles niet in één nacht. Er zullen voortekenen zijn, zoals langzame dalingen van de kust en grote aardbevingen, enz.
achtergronden van het precipiteren
van de brieven van de meesters en de aanval op h.p.b.
door de gebroeders hare
Ik heb een kortgeleden verschenen boek gelezen, Who Wrote the Mahatma Letters? van de gebroeders H.E. Hare en W.L. Hare. De algemene lijn van kritiek die de schrijvers volgen lijkt mij heel onrechtvaardig maar toch heb ik me ook zelf het hoofd gebroken over het feit dat bepaalde brieven uitdrukkingen bevatten die gelijk zijn aan die van H.P.B. Ik weet natuurlijk uit wat ik over De Mahatma Brieven heb gelezen, dat sommige ervan door H.P.B. werden overgebracht. Is het mogelijk hiervan een verklaring te geven? Alle verschillende eigenaardigheden
van taal en stijl enerzijds, alle verschillende gallicismen
anderzijds en de verschillende onvolkomenheden in interpunctie,
spelling, grammatica en wat al niet, waar de kritische
gebroeders Hare triomfantelijk op wijzen als en waarvan
ze veronderstellen dat deze voor een groot deel aan H.P.B.’s
brein zijn ontsproten – waren het gevolg, en zijn als
zodanig begrepen sinds H.P.B.’s tijd, van de mentale en
psychische eigenaardigheden van tussenpersonen of chela’s,
d.w.z. discipelen, door wie de meeste van de brieven van
de mahâtma’s werden overgebracht.
Wat zouden we anders kunnen verwachten? Een straal zonlicht die door gekleurd glas valt zal de muur of de vloer waar de straal op valt de kleur geven van het glas waar hij doorheen gaat; niettemin bestaat de oorspronkelijke straal.
De volgende feiten moeten goed worden begrepen, zoals serieuze theosofen al zo’n veertig jaar of langer hebben gedaan: (a) Alleen in hoogst zeldzame gevallen schreven de meesters zelf brieven met hun eigen hand en daarom kunnen die, als ze er inderdaad zijn, waarschijnlijk op de vingers van één hand worden geteld; ze vormen dus het kleinste aantal van alle; (b) bijna even zeldzaam, maar talrijker dan de onder (a) genoemde zijn wat algemeen ‘precipitaties’ zijn genoemd, of mededelingen die ‘neervielen’ of door de ontvangers op onverwachte plaatsen werden gevonden; ook deze zijn dus betrekkelijk klein in aantal; en (c) de grote meerderheid van alle brieven die in die begintijd door bepaalde personen van de meesters werden ontvangen kwamen via verschillende tussenpersonen of overbrengende chela’s (discipelen), tot wie we, zoals we heel goed weten, H.P.B. zelf moeten rekenen, Damodar, Bavaji, Bhavani-Rao in een of twee gevallen en een of twee anderen, en daartoe behoorde waarschijnlijk de welbekende en erudiete hindoetheosoof en geleerde Subba-Rao.
Het belangrijke punt dat we in dit verband in het oog moeten houden is dat al deze overdrachten van berichten, met andere woorden al deze verschillende brieven of mededelingen, waaronder de verschillende notities en kleine briefjes enz., werden overgebracht via het brein van de chela’s die ze ontvingen en naar hun verschillende bestemmingen brachten en vaak via het heel prozaďsche en gewone middel van de posterijen.
De gebroeders Hare lopen ver bij hun tijd achter door zich niet bewust te zijn van het feit dat de vele experimenten met wat nu algemeen telepathie of gedachteoverbrenging of gedachtelezen wordt genoemd, begeleid door serieuze mensen die ontegenzeglijk bevoegd en van onbesproken reputatie zijn, hebben aangetoond dat een dergelijke telepathische overdracht van berichten niet alleen mogelijk is maar in feite veel vaker voorkomt dan de meeste mensen beseffen; maar in de begintijd van de Theosophical Society, toen het materialisme van Haeckel, Huxley, Tyndall, Moleschott en van alle andere hoge heren uit die tijd hoogtij vierde, werd zelfs zo’n gewoon feit als telaesthesie [het op afstand waarnemen], of telepathie, of gedachteoverbrenging of gedachtelezen, niet alleen niet aanvaard maar zelfs belachelijk gemaakt – en dit tegen de eeuwenlange getuigenis en algemene ervaring van de mensheid in; want het is een van de gewoonste feiten uit het leven van de mens dat menselijke gedachten zonder woorden of onuitgesproken kunnen worden overgebracht.
Een dergelijke overdracht van berichten van meester naar leerling of chela is praktisch hetzelfde als wat nu gedachteoverbrenging wordt genoemd of telepathie of gedachtelezen, zo u wilt, alleen in een veel volmaaktere vorm omdat de overbrenger een mahâtmische intelligentie is en het ontvangende brein van de chela goed geoefend is; telepathie of gedachteoverbrenging, enz., zijn slechts lagere voorbeelden van de algemene regel. De experimenten die in de laatste veertig of vijftig jaar werden gedaan met gedachtelezen of gedachteoverbrenging hebben duidelijk aangetoond dat het ideeën zijn die worden overgebracht en ontvangen, maar dat ze bijna altijd worden verminkt of verdraaid door het ongeoefende brein van de ontvanger en bijna altijd min of meer worden gekleurd door het brein of het psychische gestel van de ontvanger; hoewel de essentiële gedachte vaak wordt ontvangen, wordt ze veelal verminkt of vervormd.
Precies hetzelfde, maar met een mindere mate van verminking of vervorming, zal natuurlijk plaatsvinden wanneer de overbrengende chela de essentiële ideeën min of meer duidelijk ontvangt, en zo nu en dan of zelfs vaak in de taal van het brein en het denken van de overbrenger; maar omdat de oorspronkelijke ideeën via het psychische gestel van de chela binnenkomen, worden ze bij het doorgeven min of meer beďnvloed door de kenmerken of mentale vormgeving van de chela zelf. Het zou dus eigenlijk verbazingwekkend zijn geweest als er in H.P.B.’s overdracht van de essentiële oorspronkelijke gedachte die duidelijk werd ontvangen geen gallicismen waren aangetroffen; maar omdat de boodschap kwam via het brein van H.P.B., met haar uitstekende kennis van de Franse taal en haar bekendheid met amerikanismen, was het zo goed als zeker dat ze nu en dan met een min of meer Franse inslag of spreekwijze werd overgebracht, of met een Amerikaanse spelling waaraan H.P.B.’s denken gewend was.
Dat geldt eveneens voor boodschappen die door andere chela’s werden ontvangen en doorgegeven – ieder schonk er zijn eigen ‘atmosfeer’ aan of voegde in meerdere of mindere mate iets van zijn of haar eigen mentale karakter toe aan de boodschap zoals die werd doorgegeven; maar de oorspronkelijke gedachte, de essentiële gedachte, de fundamentele taal en begripsinhoud waren altijd aanwezig en dat verklaart de grootsheid en diepte van die overgebrachte boodschappen.
Dit voert ons rechtstreeks naar ons tweede punt, dat de kritische Hare’s volkomen negeren. Dit tweede punt is de kwestie van het individueel karakteristieke van de literaire vorm of inhoud, gewoonlijk de literaire stijl genoemd. Het is bijzonder vreemd dat de twee schrijvers van dit boek met geen woord rechtstreeks of in het bijzonder hebben gezinspeeld op de enorme verschillen in literaire stijl van M. aan de ene kant en K.H. aan de andere kant, en geen van deze twee is wat betreft literaire stijl of kwaliteit zelfs maar vergelijkbaar met H.P.B.’s eigen stijl, wanneer ze rechtstreeks uit haar eigen geest schreef. Het stempel van een literaire stijl alleen al wordt door elke bevoegde geleerde of student zo duidelijk gezien als een van de allerbeste middelen om de echtheid van documenten te beoordelen, dat het verzuim van de gebroeders Hare enige toespeling te maken op de enorme verschillen in stijl, een heel ernstige tekortkoming is in hun poging tot kritiek. De stijl van M. bijvoorbeeld munt uit door zijn directheid, zijn mannelijke kortheid, zijn gebruik van aforismen, enz.; terwijl de stijl van K.H., hoewel gelijk wat diepzinnig denken betreft, duidelijk anders is: vloeiend van aard, vlot en gemakkelijk in verteltrant, vaak halfhumoristisch verhalend, en, wat kort en bondig ‘vriendelijk’ werd genoemd, vergeleken met wat men de ‘ruwe’ stijl van meester M. noemde.
Als H.P.B. zelf schreef, schreef ze nooit iets dat wat diepte betreft vergelijkbaar was met het literaire materiaal van de beide meesters, of met de kracht ervan, hoe mooi en verbazingwekkend haar eigen geschriften ook waren; en haar stijl verschilt enorm van die van hun, al bezit deze ongetwijfeld een eigen charme en aantrekkelijkheid. Men hoeft slechts de literaire stijl en atmosfeer van de twee boeken, (a) De Mahatma Brieven aan A.P. Sinnett en (b) The Letters of H.P. Blavatsky to A.P. Sinnett, te vergelijken om te zien hoe zwaar dit argument van literaire stijl en atmosfeer weegt.
Tot slot kom ik terug op het feit dat de berichten van de meesters via hun chela’s werden ontvangen. Zoals hierboven gezegd, noemde ik dit betrekkelijk volmaakte telepathie, gedachteoverbrenging of gedachtelezen – noem het zoals u wilt. Het is heel belangrijk dit in gedachte te houden omdat, als men dat doet, en de criticus is ook oprecht, hij zal inzien hoe absurd en onbelangrijk het is te blijven hameren, alsof het om iets nieuws gaat, op wat theosofen al zo’n veertig of vijftig jaar weten en wat ook als een feit is bewezen door het onafhankelijke onderzoek van wetenschappers en anderen – gedachteoverbrenging – waardoor de Mahatma Brieven als geschreven documenten werden voortgebracht. De geoefende geest en wil van de meester richtte zijn denken, dat uit heldere, scherp geformuleerde ideeën bestond, op en in de geest van de ontvangende maar geoefende middelaar, die de ideeën min of meer duidelijk ontving naar gelang van zijn training en ontwikkeling, en die ideeën zo getrouw als het hem of haar mogelijk was, overbracht; maar omdat de overgebrachte boodschap het brein van de middelaar passeerde, moest die wel worden gekleurd door de mentale kenmerken van de middelaar – het brein van de discipel – waar ze doorheen ging. Vandaar de aanwezigheid van gallicismen en zo nu en dan van een amerikanisme als H.P.B. de overbrengende chela was; en datzelfde geldt, mutatis mutandis, als andere chela’s dan H.P.B. de overbrengende middelaars waren.
het leven van de leraren in duisternis
gehuld
Waarom is het voor ons zo moeilijk achter het ware verhaal te komen van het leven van de grote leraren en filosofen in de wereld? Er schijnt daarover altijd zoveel duisternis en onzekerheid te bestaan. Ik vraag me af of juist die duisternis,
die het leven en het werk omhult van mensen zoals Cagliostro,
Apollonius van Tiana, Saint-Germain en Jezus, waarvan
geen authentieke gegevens bestaan, niet bewijst dat het
buitengewone mannen waren, gezien het feit dat hun leven
de mensen zo enorm interesseert en boeit? Zij komen, niemand
weet vanwaar. Ze leven en doen hun werk, niemand weet
hoe. Ze slagen en verdwijnen uit het gezicht van de mens
en niemand weet wanneer of waar ze sterven. Hetzelfde
kan worden gezegd van de vier mannen die ik hierboven
noemde.
Wat is uiteindelijk de betekenis van het leven van zulke grote mannen? De plaats van hun geboorte of de plaats waar ze stierven? Het verhaal van hun leven zoals we dat bezitten? Wat maakt de geschiedenis van Jezus zo dierbaar voor het menselijk hart? Niet het feit dat hij in een bepaalde plaats zou zijn geboren, heeft geleefd en elders is gestorven. Zelfs niet het zogenaamde historische verhaal van zijn leven zoals wij dat kennen – op heel onhistorische wijze! verlucht met legenden – maar dat wat hij leerde, wat hij deed, het leven van de man zoals dat was, zoals het sprak tot het hart van de mens.
Persoonlijk denk ik dat er in dit alles van enige opzet sprake is. Zoals u weet bestond er onder de vroege christenen een sekte die door haar tegenstanders de Docetisten werd genoemd, met andere woorden ‘zij die in verschijningen geloven’, en die leerden dat het niet de echte Jezus was die aan het kruis stierf als gekruisigde, maar een verschijning. ‘Ketters’ noemden de orthodoxen hen. Maar ik vraag me dat af!
Natuurlijk zou het prachtig zijn als we alles wisten over Saint-Germain en Cagliostro en Jezus en Apollonius van Tiana, maar het probleem is dat er geen beschrijvingen bestaan. Dat is de moeilijkheid. Ik wil niet zeggen dat het verkeerd is deze persoonlijke dingen te willen weten, maar ze zijn niet vastgelegd; ze zijn verborgen of worden achtergehouden. Ze kunnen dus niet worden gevonden; en elk verhaal dat voorgeeft een verslag van hun leven te zijn is volgens mij grotendeels verzonnen.
het nalaten van daden van barmhartigheid
In welke mate moet hulp en genezing worden gegeven aan een andere ziel die lijdt zonder dat we ons mengen in de noodzakelijke ervaringen van die ziel? – van degene die hulp ontvangt? Het lijkt me dat uw vraag ervan uitgaat
dat het verkeerd is iemand te hulp te komen die hulp nodig
heeft, omdat hij een karmische ervaring ondergaat die
hij zelf over zich heeft gebracht en die hem dus een noodzakelijke
les leert! Die gedachte van het nalaten van daden van
barmhartigheid, is een verkeerde gedachte. Als we die
denkwijze volgen worden we hardvochtig. We zeggen, of
zouden kunnen zeggen: ‘Wat gaat het mij aan? Hij ondergaat
eenvoudig de ervaringen die hij zelf heeft opgeroepen.
Laat hem daaruit leren, en hoe eerder hij de les heeft
geleerd, hoe beter voor hem.’ Nee, zo is niet de ware
leer. De leer is liefde en mededogen, dat het onze heilige
plicht is elkaar te helpen en dat men zelf niet kan groeien
en zich niet kan ontwikkelen zonder gebruik te maken van
de krachten van liefde, mededogen en wijsheid die innerlijk
aanwezig zijn. Door haat worden ze niet geoefend. Door
onverschilligheid worden ze niet geoefend.
We mengen ons nooit in het karma van een ander als we hem helpen. Nooit! We maken eenvoudig goed karma voor onszelf; en verder is het, als we iemand helpen, kennelijk zijn karma om door ons te worden geholpen. Het doen van barmhartige daden verandert de majestueuze krachten tot herstel van de natuur niet, want deze krachten zijn in wezen gebaseerd op harmonie en sympathie en dat zijn precies de elementen van wat zich in de mens als broederlijke liefde openbaart. Als u uw broeder helpt, is het kennelijk zijn karma door u te worden geholpen. Als de gelegenheid zich bij u voordoet is het uw karma en ook zijn karma dat hulp wordt verleend, gegeven en ontvangen.
Bedenk wel, al wat is, is karma. Al wat is zijn karmische gevolgen. Een van de schakels in de keten van oorzaken bracht die tijdige hulp en de helpende hand. In beide gevallen werkt degene die ervan afziet hulp te verlenen of degene die toesnelt om te helpen, karmisch; en hij die ervan afziet brengt de gevolgen over zich van zijn zelfzuchtig kwaaddoen; het nalaten van een barmhartige daad wordt het doen van een doodzonde, want barmhartigheid is ethisch, is rechtvaardig, is harmonisch, het evenwicht wordt erdoor hersteld, de vrede bevorderd. Onrechtvaardigheid en wreedheid zijn onharmonisch. Ze veroorzaken disharmonie. Er wordt nieuw en slecht karma door gemaakt. Herinner u de wet: Het nalaten van een barmhartige daad wordt het doen van een doodzonde.
sympathie door lijden
Voor de gewone man in de straat lijkt het soms vreemd dat een mens al het leed dat hij heeft moet ervaren om volmaaktheid te bereiken, en dat het zolang moet duren. Ik zou van u graag een antwoord ontvangen om het door te kunnen geven. Hoe komt het dat er leed en lijden
in de wereld zijn en dat ze voortduren? Mijn antwoord
klinkt misschien wat hard, maar sommige dingen in het
leven lijken wat hard op het eerste gezicht; toch zien
we dat als ze worden begrepen, dat de ‘hardheid’ niets
anders is dan de sterke hand van de wet die onze voetstappen
leidt. De verklaring is als volgt: Alle groei gaat gepaard
met groeipijnen; een verandering van toestand is een verandering
van houding en bewustzijn en de menselijke natuur is in
haar zwakkere delen, zoals wij mensen die hebben, zo gebouwd
dat ze tegen veranderingen in opstand komt; ze wil liever
in het oude spoor blijven, langs de vertrouwde paden lopen
die de mensheid al eeuwenlang heeft gevolgd. Maar smart,
pijn, lijden en zelfs ziekte zijn onze beste vrienden.
Nu lijkt dit een hard, een duister gezegde; maar hoe waar is het! Ga uw eigen leven na. Wat heeft uw karakter kracht gegeven? Wat heeft uw hart, dat misschien door voorspoed en gemakzucht hard en onvriendelijk is geworden, geopend voor mededogen? Dat zijn de schokken en slagen van tegenspoed. Door leed ontwikkelen we medegevoel, sympathie, medelijden en mededogen, leren we anderen te helpen, waardoor we nu hun beproevingen begrijpen zodat, nu we zelf hebben geleden en pijn hebben gehad, we begrijpen wat zij moeten doormaken. Het zijn leed, pijn en lijden die ons louteren. We zijn als erts dat in de hitte van de smeltoven wordt geworpen; en leed en pijn louteren ons zodat we als stralend en glanzend goud eruit komen.
Wees niet bang voor leed; wees niet bang voor beproevingen.
Ze zijn onze beste vrienden; zie eens wat een manhaftige leer het is.
Het is een leer van mededogen; ze is ruim van geest, ze is menselijk,
ze is humaan, ze is sympathiek en vol wijsheid en kalme vrede. Een hart
dat nooit door leed is gekweld, heeft voor anderen geen medegevoel. Een
brein dat nooit door leed en twijfel is gemarteld, is door een sluier
omgeven. Leed en twijfel schudden ons wakker, vuren ons intellect aan,
openen ons hart en breiden ons bewustzijn uit; en leed, lijden, ziekte
en pijn behoren tot de welwillende instrumenten, de barmhartige dienaren
van het evolutieproces. Iemand van wie het hart nooit door leed is gekweld,
kan het leed van anderen niet begrijpen. Iemand die nooit smart heeft
gekend, kent geen grootsheid. Hij is noch groot van hart, noch groot van
ziel. Grootsheid, ethische majesteit, geestelijke en intellectuele kracht
worden geboren uit beproevingen. Aspecten van de Occulte Filosofie, blz. 714-56 ©
1999 Theosophical
University Press Agency |