Theosophical University Press Agency

Inhoudsopgave

Vraag 7 (vervolg)

Door generaal A. Cunningham ontdekte inscripties

T. Subba Row, BA, BL, lid van de TS

[‘Inscriptions discovered by general A. Cunningham’, The Theosophist, november 1883, blz. 43-4; CW 5:259-62]

De onlangs door generaal A. Cunningham ontdekte inscriptie op grond waarvan men nu verklaart dat de door de boeddhistische schrijvers aangenomen datum voor de dood van Boeddha onjuist is, hebben we nauwkeurig onderzocht; volgens ons bevestigt de genoemde inscriptie de waarheid van de boeddhistische overleveringen in plaats van aan te tonen dat ze onjuist zijn. In het eerste deel van zijn verslag schrijft bovengenoemde archeoloog daarover het volgende:

De interessante inscriptie (in Gaya) is lang en volledig, en wordt gedateerd volgens de jaartelling die begint bij het nirvana, of de dood, van Boeddha. Ik las de datum als volgt: Bhagavati parinirvritte samvat 1819 Karttike badi 1 Budhe – ‘in het jaar 1819 van de bevrijding van Bhagavata, op woensdag, de eerste dag van de afnemende maan van Karttika’. Als de hier gebruikte jaartelling dezelfde is als die van de boeddhisten van Ceylon en Birma, die begon in 543 v.Chr., is de datum van deze inscriptie 1819 – 543 = 1276 n.Chr. De stijl van de letters komt met deze datum overeen, maar komt in het geheel niet overeen met de stijl die hoort bij de Chinese datum. De Chinezen stellen de dood van Boeddha op meer dan 1000 jaar v.Chr., zodat volgens hen de datum van de inscriptie ongeveer op 800 n.Chr. zou uitkomen, een periode die veel te vroeg is voor de stijl van de daarin gebruikte karakters. Maar omdat hier gelukkig de dag van de week wordt genoemd, kan de datum door berekening worden nagegaan. Volgens mijn berekening komt die datum dan overeen met woensdag 17 september 1342. Dit zou het nirvana van Boeddha plaatsen in 477 v.Chr., wat precies het jaar is dat door mijzelf eerst werd voorgesteld als het meest waarschijnlijke jaartal voor die gebeurtenis. Dit gewijzigde jaartal is sindsdien door prof. Max Müller overgenomen.1

1. Alexander Cunningham, Archaeological Survey of India, 1871, deel 1, blz. 1-2.

De redenen die sommige oriëntalisten aanvoeren om dit zogenaamde gewijzigde jaartal als het ware jaartal van Boeddha’s dood aan te nemen, zijn in het vorige artikel al behandeld en bekritiseerd. We hoeven nu dus alleen na te gaan of deze inscriptie de oude datum weerspreekt.

Generaal-majoor Cunningham schijnt er bij zijn huidige berekening vanzelfsprekend van uit te gaan dat in Magadha en door de boeddhistische schrijvers in het algemeen het aantal dagen in een jaar op dezelfde manier wordt geteld als nu in Engeland; en deze onjuiste veronderstelling heeft zijn berekening in de war gestuurd, waardoor hij tot een verkeerde conclusie komt. In de tijd waarin Boeddha leefde waren er in India drie verschillende berekeningswijzen in gebruik en ze worden in verschillende delen van het land nog steeds gebruikt. De methoden zijn bekend als Sauramana, Chandramana en Barhaspatyamana. Volgens de hindoe-sterrenkundige werken bevat een Sauramana-jaar 365 dagen, 15 ghati’s en 31 vighati’s,1 een Chandramana-jaar heeft 360 dagen, en een Barhaspatyamana-jaar 361 dagen en bijna 11 ghati’s. Gezien deze feiten had generaal Cunningham alvorens te gaan rekenen de moeite moeten nemen om eerst vast te stellen welke mana (maatstaf) door de schrijvers van Magadha en Ceylon werd gebruikt bij het bepalen van Boeddha’s sterfdag en welke mana werd gebruikt bij de in deze inscriptie gebruikte boeddhistische jaartelling. In plaats van zich te verplaatsen in de positie van de schrijver van de genoemde inscriptie en de vereiste berekening vanuit zijn standpunt te maken, gaat hij rekenen volgens de methode van een Engelsman van de 19de eeuw en volgens zijn eigen kalender.

1. Noot vert.: Een ghati is 24 minuten, en een vighati is 24 seconden.

Als de berekening op de juiste manier was gemaakt, zou deze hem hebben getoond dat de genoemde inscriptie volledig overeenstemt met de bewering dat Boeddha is gestorven in het jaar 543 v.Chr. volgens de Barhaspatyamana (de enige mana die in Magadha en bij de Pali-schrijvers in het algemeen in gebruik was). De juistheid hiervan zal duidelijk blijken als men de volgende berekening wil nagaan.

543 jaar volgens de Barhaspatyamana komt overeen met 536 jaar en (bijna) 8 maanden volgens de Sauramana.

Evenzo komt 1819 jaar volgens eerstgenoemde mana overeen met ongeveer 1798 jaar volgens laatstgenoemde.

Omdat de christelijke jaartelling is begonnen in het 3102de jaar van kaliyuga (volgens Sauramana), is Boeddha gestorven in het jaar 2565 van kaliyuga (volgens de Sauramana). En nu is het de vraag of volgens de hindoe-almanak de eerste dag van de afnemende maan van Karttika van dat jaar op een woensdag valt.

Volgens de Suryasiddhanta is het aantal dagen van het begin van kaliyuga tot middernacht van de 15de dag van de wassende maan van Asvini 1.593.072, want het aantal van de adhikamasa’s (schrikkelmaanden) gedurende die tijd is 1608, en het aantal kshayatithi’s 25.323.

Als we dat getal door zeven delen, houden we vijf over. Omdat kaliyuga op vrijdag begint, eindigt bovengenoemd tijdperk op dinsdag, omdat volgens de Suryasiddhanta een dag wordt gerekend van middernacht tot middernacht.

Men moet bedenken dat in plaatsen waar de Barhaspatyamana wordt gebruikt, krishnapaksha (of de veertien dagen van de afnemende maan) het eerst komt en gevolgd wordt door suklapaksha (de periode van de wassende maan).

Daarom zal de eerste dag na de 15de dag van de wassende maan van Asvini de eerste dag van de afnemende maan van Karttika zijn voor hen die volgens de Barhaspatyamana-kalender rekenen En daarom was die dag, waarvan de datum in de inscriptie wordt vermeld, woensdag in het jaar 4362 van kaliyuga.

De geocentrische lengte van de zon op het tijdstip dat hij de meridiaan passeert was op de genoemde dag 174° 20′ 16″ en de lengte van de maan 7° 51′ 42″ (volgens de Suryasiddhanta), en zo kan men gemakkelijk inzien dat het toen in Gaya padyamitithi (de eerste dag van de afnemende maan) was gedurende 7 ghati’s en 50 vighati’s na zonsopgang.

Uit bovenstaande berekening blijkt dat ‘Karttike 1 badi’ samenvalt met woensdag in het jaar 4362 van kaliyuga of het jaar 1261 n.Chr., en dat dit jaar vanuit het standpunt van de schrijver van de inscriptie het 1819de jaar was van de boeddhistische jaartelling. Deze onlangs ontdekte inscriptie bevestigt dus de juistheid van de sterfdatum die boeddhistische schrijvers voor Boeddha opgeven. Het zou beter zijn geweest als generaal-majoor Cunningham de basis van zijn berekening eerst zorgvuldig had onderzocht, voordat hij aan de hele wereld verkondigt dat de boeddhistische verslagen onbetrouwbaar zijn.


H.P. Blavatsky: Geselecteerde artikelen, Deel 2: 1882 – 1887, blz. 323-5
isbn 9789491433177, paperback, eerste druk 2016, bestel boek

© 2016 Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag