Bron van het occultisme / G. de Purucker

Een moderne presentatie van de oude universele wijsheid
gebaseerd op
De Geheime Leer van H.P. Blavatsky

geredigeerd door Grace F. Knoche

isbn 9070328720, gebonden, bestel boek

Uit deze uitgave mag alleen met toestemming van de uitgever
iets worden overgenomen.

© 2006   Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

 

   
      Inhoudsopgave     

 

Rascyclussen en -yuga’s


Wat binnen een ras plaatsvindt is slechts een kopie van wat elders op grotere schaal gebeurt. Elke planeet en zon, of elk heelal, heeft zijn eigen vier perioden met een duur en werkingssfeer die overeenkomt met zijn levenscyclus. In de hindoekosmogonie worden ze yuga’s genoemd, waarvan de duur in alle gevallen afhangt van de schaal van de levenscyclus, van hetzij een mens of een zon.

De manier waarop de grote cyclussen in de evolutie van een wortelras in het klein worden herhaald, is buitengewoon ingewikkeld. De algemene regel is dat het kleine het grote herhaalt, dat kleine yuga’s niet alleen zijn besloten in de grotere yuga’s, maar dat ze deze op hun eigen niveau herhalen. Ons huidige vijfde wortelras, bijvoorbeeld, gezien als een geheel met al zijn kleinere onderrassen, bevindt zich nu in zijn kaliyuga dat meer dan vijfduizend jaar geleden bij de dood van Krishna begon, en nog ongeveer 427.000 jaar in de toekomst zal duren.

Sommige van de kleinere cyclussen of yuga’s van dit vijfde wortelras zullen een stijgende en andere een dalende lijn volgen, en toch werken alle onderling samen en zijn ze onderworpen aan het grote kaliyuga van het wortelras. Een kleiner yuga of kleiner ras kan daarom in zijn jeugd zijn en opklimmen naar zijn bloeiperiode, en toch, omdat het onderdeel is van het overkoepelende kaliyuga, onderworpen zijn aan de algemene neergang van het hoofd-kaliyuga.

Iedere ondergeschikte cyclus, groot of klein, binnen het wortelras is op zijn beurt zevenvoudig en heeft daarom zijn eigen kleine kaliyuga, en zijn getalsverhoudingen zijn ongeveer gelijk. Terwijl het grote kaliyuga 432.000 jaar duurt, kan een kleiner yuga slechts 432 jaar duren, of 4.320, of zelfs 43.200. De hindoes of Indo-europeanen die een van de allereerste onderrassen vormen van ons eigen vijfde wortelras, bevinden zich nu in hun eigen ras-kaliyuga en tegelijk ook in het langere kaliyuga van het wortelras. Maar ze streven ernaar weer omhoog te klimmen en zullen dat in de toekomst ook doen. Op kleinere schaal is Spanje in zijn korte kaliyuga, evenals Portugal. Italië heeft juist een kort kaliyuga beëindigd en begint nu weer op te komen.

Omdat ons vijfde wortelras helaas zeer materialistisch is, en als gevolg van onze vierde ronde diep in de stof is afgedaald, manifesteren deze perioden van opgang zich meestal als materiële welvaart. Verder volgen de Europese rassen in het algemeen, die we gezamenlijk misschien het Europese onderras of familieras kunnen noemen, sinds de val van het Romeinse keizerrijk gestaag een opgaande lijn, en dat zal met verscheidene kleinere schokken en op- en neergangen nog ongeveer zes- of zeven-, mogelijk achtduizend jaar doorgaan. En dan volgt een snelle neergang tot zijn kaliyuga wordt bereikt, een klein kaliyuga, waarin een grote Europese natuurramp zal plaatsvinden. Dit zal over ongeveer zestien- tot achttienduizend jaar gebeuren. Deze periode zal de overstroming van de Britse eilanden te zien geven. Het grootste deel van Frankrijk zal onder water zijn, ook Nederland, een deel van Spanje, een flink stuk van Italië, en nog meer plaatsen. Natuurlijk voltrekt dit alles zich niet in één nacht, want er zullen voortekenen zijn, zoals een langzame daling van de kust, grote aardbevingen, enz.

Het is belangrijk te weten dat, hoewel het vijfde wortelras als geheel zich in zijn kaliyuga bevindt dat ongeveer vijfduizend jaar geleden begon, zijn onderrassen hun op- en neergang kunnen hebben, elk volgens zijn eigen tijdsperioden; elk zo’n onderras heeft zijn eigen kleine kaliyuga, dat zich overeenkomstig het grote herhaalt en dat in dezelfde verhouding staat tot de hele duur van zo’n klein ras, als het grote kaliyuga tot het wortelras.

Een andere naam voor yuga of cyclus in het Sanskriet is kalachakra, tijdwiel. Zoals een wiel draait, zo draaien ook de vier yuga’s, de vier tijdwielen, die de getalsverhouding 4, 3, 2 volgen met daarna een periode van rust; dan weer 4, 3, 2, rust, en zo het hele manvantara door. Dezelfde relatieve getalsverhoudingen heersen in alle afdelingen van de natuur. Het bol-manvantara, bijvoorbeeld, kan worden onderverdeeld in perioden die zich verhouden als 4, 3, 2, rust of één, die samen de volledige tien vormen; en die kunnen het satyayuga, tretayuga, dvaparayuga en kaliyuga van het bol-manvantara* worden genoemd, elk met zijn sandhya of periode van rust.

*Zie Occulte Woordentolk, blz. 200-1.

Als we precies hetzelfde beginsel van herhaling in de werkingen van de natuur toepassen, dan kan een hele ronde, een gang door alle bollen, worden gezien als een tijdsperiode die volgens dezelfde getalsverhouding kan worden verdeeld. We kunnen daarom zeggen dat de vier yuga’s betrekking hebben op elke periode in het verloop van de tijd: op een planetaire ronde, een bolronde, een wortelras of zelfs op de periode van één mensenleven.

Ter illustratie: een mens is niet in zijn kaliyuga als hij op gevorderde leeftijd is. Zijn kaliyuga wordt bereikt in het meest actieve deel van zijn leven, de middelbare leeftijd, wanneer hij in het volle bezit is van zijn fysieke vermogens, maar nog een kind in zijn hogere vermogens. Dit feit gold echter niet voor de vroege wortelrassen, omdat zij zich op de neergaande boog bevonden en hun kaliyuga bereikten als ze oud waren. Omdat we het laagste punt in onze evolutie voorbij zijn en zijn begonnen te klimmen, is onze innerlijke aard ver genoeg geëvolueerd om onze latere jaren, na onze individuele kaliyuga-periode, tot een tijd van bloei en verwezenlijking te maken. We sterven nu niet meer op het hoogtepunt van onze fysieke ontwikkeling, zoals de oude Atlantiërs en Lemuriërs. We leven langer dan de bloeitijd van onze fysieke activiteit, tot in de rijpere en rijkere jaren die de ouderdom meebrengt. Tijdens de zesde en zevende wortelrassen zal ons kaliyuga, merkwaardig genoeg, samenvallen met de rijkere periode van ons leven, maar dan zullen we betrekkelijk volledig in het bezit zijn van al onze vermogens.

Laten we deze yuga’s of tijdscyclussen toepassen op de wortelrassen: elk wortelras heeft zijn satyayuga, gevolgd door zijn treta-, dvapara- en kaliyuga. Dan volgt een sandhya of rusttijd, een overgangspunt, waarna de geboorte van het nieuwe ras volgt. De zaden van het volgende nieuwe wortelras verschijnen; maar het oude wortelras vervolgt zijn weg, hoewel het niet langer de heerschappij over de aarde heeft. De reden is dat in de openingsfase van het satyayuga van het volgende wortelras alle sterkere verdergevorderde ego’s van het ras dat dan in zijn kaliyuga verkeert, zich in het nieuwe ras belichamen; terwijl de lichamen van het in verval rakende ras worden overgegeven aan de minder ontwikkelde ego’s, die ze binnengaan. Omdat die lichamen van het oude ras nog gedurende enkele opeenvolgende eeuwen blijven leven en zich blijven voortplanten, gaan ego’s van een steeds lagere graad van evolutionaire ontwikkeling deze binnen, tot die lichamen tenslotte als gevolg van langzame degeneratie slechts door de minst ontwikkelde ego’s van de mensheid worden gebruikt. Maar het uitstervende wortelras blijft bijna net zolang bestaan als het volgende wortelras nodig heeft om zijn kaliyuga te bereiken.

Dit is de sleutel tot deze lengte van de perioden zoals ze in de brahmaanse berekeningen worden gegeven. Een wortelras heeft vier yuga’s of 4.320.000 jaar nodig om zijn groei en zijn fysieke bloei te voltooien. Het laatste tiende deel van deze periode is zijn kaliyuga. Dan ontstaat het nieuwe ras, net zoals op kleinere schaal de geboortezaden van het zesde onderras van ons huidige vijfde wortelras in Amerika al aanwezig zijn, waar ook de zaden van het komende zesde wortelras nu worden gelegd, dat nu in ons kaliyuga begint, maar voorlopig nog slechts een flauwe afspiegeling is van wat het eens zal zijn. Wanneer ons kaliyuga tegen het einde gaat lopen, over ongeveer 427.000 jaar, zullen de zaden van het zesde wortelras vrij talrijk zijn. Intussen blijft ons vijfde wortelras bestaan als lichamen voor minder ontwikkelde ego’s, totdat deze reeks van lichamen, niet van ego’s, door degeneratie tegen het einde nog slechts de voertuigen zullen zijn voor de minst ontwikkelde ego’s van de mensheid. Hieruit zien we dat een wortelras op deze bol in deze vierde ronde in het verleden en tot nu toe ongeveer 8.640.000 jaar nodig had voor zijn bestaan, vanaf het zaad tot zijn verdwijning, hoewel slechts de helft van die tijd – het mahayuga of de vier yuga’s van 4.320.000 jaar – terecht het bloeitijdperk van dat wortelras kan worden genoemd. De resterende 4.320.000 jaar vertegenwoordigen de periode van zijn uitsterven.

Omdat elk wortelras ongeveer in het midden van zijn moeder-wortelras begint, ving de geboorte van ons vijfde wortelras aan in het kaliyuga van het vierde. Het zesde wortelras dat ons opvolgt zal beginnen te ontstaan in ons kaliyuga, een tijdperk waaraan we nu zijn begonnen. Als een ras begint, zijn er maar heel weinig voorlopers; het zijn vreemde mensen en ze worden bijna als een speling van de natuur beschouwd. Langzamerhand blijken ze in de meerderheid te zijn, en op dat moment is hun wortelras sterk geworden. Het zijn de ego’s die de wortelrassen vormen en ook de ego’s die de yuga’s vormen. Wat op grote schaal gebeurt, herhaalt zich in het klein: een wortelras is maar een analogie, een herhaling van een ronde; zelfs van een heel zonnemanvantara. Het leven van een mens is precies hetzelfde: het is een analogie van een zonnemanvantara, van een ronde, van een bol-manvantara en ook van een wortelras.

Sinds het begin van het Lemurische of derde wortelras is de duur van een wortelras, vanaf het zaad tot aan zijn dood, tussen de acht en negen miljoen jaar. Als we het in yuga’s berekenen is het 8.640.000 jaar, maar van dit tijdperk kan eigenlijk slechts de helft, of het mahayuga, met recht dat wortelras worden genoemd, als een beginnende, groeiende en volwassen entiteit. Zoals eerder uiteengezet, is het resterende of tweede mahayuga de periode van zijn langzame verdwijning, omdat het ras, gezien als fysieke lichamen, ego’s zal opnemen van een voortdurend afnemende graad van evolutionaire ontwikkeling. Zo hebben we nu Atlantiërs in ons midden, maar de ego’s die deze gedegenereerde ‘Atlantische lichamen’ bewonen, zijn van een veel lagere orde dan de beste klassen van Atlantiërs toen Atlantis in zijn bloeitijd was. We hebben zelfs enkele oude Lemuriërs onder ons, armzalige overblijfselen van eens hoogstaande voorouders, want Lemurië was in zijn tijd een schitterend ras en continent. Deze weinige ‘Lemurische lichamen’ die nog steeds bestaan – en zo worden genoemd omdat ze rechtstreeks afkomstig zijn van de Lemuriërs – verschaffen een voertuig aan de allerlaagste klasse van de mensheid. Deze lagere ego’s zijn geen verloren zielen. Het zijn eenvoudig de minst ontwikkelde menselijke ego’s van deze tijd, en komen dus achter ons aan. Elk wortelras omvat dezelfde ego’s die zich in het eraan voorafgaande wortelras hebben ontwikkeld.

Laten we ons weer bezighouden met de levenscyclussen van de wortelrassen met betrekking tot de yuga’s: de Lemuriërs en de Atlantiërs stierven in de regel snel nadat hun lichaam, hun leven, de periode bereikte die we nu het menselijke kaliyuga zouden noemen. De reden hiervan was dat ze nog niet in voldoende mate de hogere verstandelijke vermogens en spiritualiteit hadden ontwikkeld. Met andere woorden, deze vroege rassen stierven jong omdat ze niet de rijkheid en volheid van de oude dag tegemoet konden zien.

Wij zijn in de evolutie dat stadium gepasseerd dat zo opvallend was in de Atlantische tijd; en omdat we ons in het vijfde wortelras bevinden en op de opgaande boog, groeien we langzaam toe naar die evolutiefasen van bewustzijn waarin het hogere intellect en het spirituele elke honderdduizend jaar sterker en sterker worden, waardoor de tweede helft van het leven, naarmate de tijd verstrijkt, steeds rijker zal worden aan begrip en gevoel.

Met het begin van het vijfde wortelras begon de tweede helft van het leven van de mens zich te ontwikkelen. Eens zal de oude dag de tijd zijn dat hij in het volle bezit is van zijn vermogens, fysieke, verstandelijke en spirituele. Dan zullen de kinderjaren en de jeugd verhoudingsgewijs korter zijn, omdat de mens veel sneller zelfbewust zal functioneren dan nu. Dit proces zal zich eeuwenlang voortzetten, zodat, wanneer we het zevende wortelras op deze aarde in zijn vierde ronde hebben bereikt, alleen de tweede helft van het leven de moeite waard zal worden geacht. De lichamen zullen dan sterker, soepeler zijn, in sommige opzichten heel anders dan nu: vitaler, met groter weerstandsvermogen, en toch etherischer. In die verre toekomst zal het lichaam van een mens vóór zijn dood sterker zijn dan in wat we zijn jeugd noemen.

Hoewel de Atlantiërs stierven in wat wij het einde van de jeugd of het begin van de middelbare leeftijd zouden noemen, leefden zij veel langer dan wij. Met het voortschrijden van de tijd zal zich een tendens voordoen dat kinderen worden geboren met steeds rijpere innerlijke vermogens en ook lichamelijk meer ontwikkeld, hoewel fysiek niet noodzakelijkerwijs groter. In het verleden speelde het lichaam de grootste rol in het menselijk leven. Bij ons gaan de zaken zich omkeren. De innerlijke mens – het denken, het spirituele – zal zich steeds meer gaan manifesteren.

We leven in een zeer interessante tijd. Ik denk dat er in de geschiedenis die nu aan ons bekend is, nooit een tijdperk is geweest waarin serieuze onderzoekers van de oude wijsheid de mogelijkheden hebben gehad die er nu zijn.

Er is veel gezegd over deze donkere tijd, het kaliyuga, maar het is juist deze spanning en druk die ons hart openen en de sluiers voor onze geest wegnemen. Het is de IJzeren Eeuw, een harde, starre cyclus, waarin alles heftig beweegt en moeilijk is; maar juist ook de tijd waarin heel snel spirituele en verstandelijke vorderingen kunnen worden gemaakt. In de Gouden Eeuw, in de zogenaamde Eeuw van Saturnus, het tijdperk van menselijke onschuld, verliep alles soepel en werkte alles in de natuur samen om het leven mooi en aangenaam te maken; en er is iets in ons hart dat vurig verlangt daarnaar terug te keren. Maar het is niet wat het evoluerende ego verlangt.

Het is een vreemde paradox dat het moeilijkste en wreedste van alle yuga’s juist dat is waarin de snelste vooruitgang kan worden geboekt. Het is de tijd van de kansen, de tijd van keuze, waarin de verst gevorderde ego’s het zaad worden van het volgende grote wortelras. Zo zal het satyayuga van het nieuwe ras uit het kaliyuga van het oude worden geboren, en in de verre toekomst zullen er zelfs grotere dingen gebeuren dan in het verleden. Het leven van de mens zal opnieuw zijn afgestemd op de inspiratie van universeel mededogen en universele wijsheid, en de archaïsche leringen over het licht dat uit het hart van de spirituele zon vloeit, die ieder mens in het mystieke innerlijk van zijn wezen is, zullen weer het kostbaarste erfdeel van de mensheid worden.

 


Bron van het occultisme, blz. 181-7

© 2006  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag