Goed en kwaad
In de allegorieën van de wereldreligies
bestaat geen symbool dat filosofisch diepzinniger, grootser of levendiger
en suggestiever is dan dat van de twee Broeder-Machten uit de mazdeïsche
godsdienst, die Ahura Mazda en Angra Mainyu worden genoemd, beter
bekend in hun moderne vorm als Ormazd en Ahriman. . . .
De twee machten zijn op
ons huidige gebied en in dit evolutiestadium onscheidbaar en de een
zou zonder de ander geen betekenis hebben. Ze zijn dus de twee tegengestelde
polen van de Ene gemanifesteerde, scheppende macht, of men
die nu opvat als een universele, kosmische kracht die werelden bouwt,
of in haar antropomorfistische aspect wanneer haar voertuig de denkende
mens is. Want Ormazd en Ahriman vertegenwoordigen respectievelijk
goed en kwaad, licht en duisternis, de spirituele en de stoffelijke
elementen in de mens, en ook in het heelal en alles wat zich daarin
bevindt.
– H.P. Blavatsky, Lucifer,
maart 1891, blz. 1-2; CW 13:123-4
Wat is goed? Wat is kwaad? Zijn het op zichzelf
bestaande dingen of zijn het toestanden waar wezens doorheen gaan? Goed
is harmonie omdat het betrekkelijke volmaaktheid is en kwaad is disharmonie
want het is onvolmaaktheid; en deze twee, goed en kwaad, hebben voorzover
het ons betreft alleen betrekking op onze hiërarchie. Ons ‘goed’
is ‘kwaad’ voor entiteiten die in een hogere hiërarchie
leven. Kwaad betekent een toestand van een entiteit of een groep entiteiten
die zich in meerdere of mindere mate tegen de voorwaartse beweging van
de evolutiestroom van leven verzetten.
Waar komt het kwaad in de wereld vandaan, als het
goddelijke, dat machtiger is dan het kwaad, overal is? Uit zo’n
vraag zou men kunnen concluderen dat het kwaad een entiteit is, een
macht of een kracht die uit het hart van een ding of wezen voortvloeit.
Het is daarentegen slechts de toestand van een evoluerende entiteit
die de latente godheid in haar kern nog niet volledig heeft gemanifesteerd
en die door haar onvolmaaktheid niet in harmonie is met haar omgeving.
Goed wordt niet geschapen. Kwaad wordt niet geschapen.
Het zijn twee kanten van dezelfde zaak. Er is in het heelal geen duivel
die ten onrechte wordt gehouden voor de schepper en beheerser van het
kwaad. Evenmin is er een God die ten onrechte wordt gehouden voor de
schepper en beheerser van het goede. Het is allemaal een kwestie van
groei. Mensen zijn slechte wezens als we ze vergelijken met de goden.
De goden zouden op hun beurt slecht kunnen worden genoemd door nog verhevener
entiteiten dan zij.
Goed is niet geest, kwaad is niet stof, de andere
pool van geest, want dat zou betekenen dat stof in essentie slecht is
en dat is niet zo. Kwaad, spiritueel of stoffelijk, is alles wat onvolmaakt
is en door een fase van groei gaat naar iets beters. Stof noch geest
bevinden zich in absolute zin, en eeuwig, in de ene of de andere
toestand. Een spirituele entiteit evolueert evengoed als een stoffelijke
entiteit. Omdat geest en spirituele wezens echter dichter bij het hart
van de natuur staan, zijn ze collectief gezien volmaakter en dus minder
slecht dan stof en stoffelijke entiteiten.
Het kwaad per se wordt niet goed per se, dat wil
zeggen dat de ene toestand niet de andere toestand wordt, want in werkelijkheid
is het de evoluerende entiteit die van de ene toestand naar de andere
gaat. Zowel goed als kwaad zijn toestanden van groei. Dit doet denken
aan de oude theosofische – en christelijke – uitspraak over
entiteiten die zich in een ‘toestand van spirituele verdorvenheid’*
bevinden. Als die entiteiten, hoewel ze tot spirituele gebieden behoren,
daar onvolmaakt en disharmonisch zijn, zijn ze in die toestand natuurlijk
‘slecht’. Als entiteiten die thuishoren in een toestand
die wij betrekkelijk volmaakt noemen, in harmonie met de hen omringende
wezens leven, dan zijn die entiteiten spiritueel goed. Harmonie, wet,
orde, vrede, liefde: dit zijn allemaal toestanden van entiteiten die
in overeenstemming zijn met de voorwaartse stroom van evolutionaire
groei. Zulke entiteiten zijn in hogere mate één met het
hart van het Zijn, en blijven daarom bestaan.
*Efeziërs, 6:12.
Het evenwicht van spirituele en stoffelijke wezens
– de natuurlijke loop van het universele zijn – is de oorzaak
van de verscheidenheid in het heelal. Er is geen macht (of machten)
die het heelal hetzij helemaal goed of helemaal slecht maakt; want het
is noch het een, noch het ander. Het heelal bestaat uit zeer uitgestrekte
hiërarchieën, hiërarchieën op de onzichtbare gebieden
en ook op die doorsnede die we onze fysieke wereld noemen; en het zijn
de verschillen in evolutionaire graad, bereikt in deze hiërarchieën
en in de menigten entiteiten van wezens waaruit ze bestaan, die de enorme
verscheidenheid opleveren die het heelal vertoont. Het kan nooit helemaal
goed of helemaal slecht zijn, want het gaat voortdurend vooruit; en
dit optrekkende leger kent geen begin en geen einde.
Een vloedgolf bereikt het land en sleurt twintigduizend
mensen mee het water in, en ze verdrinken. Is er daarom kwaad in de
wereld? Wat veroorzaakte die natuurramp? Of een aardbeving vernielt
een stad en meer dan honderdduizend mensen komen om. Is dat het kwaad
per se? De aardbeving is een gebeurtenis, evenals de vloedgolf. Het
is een wet in de natuur dat een oorzaak een gevolg teweegbrengt. De
natuur is in wezen en in al haar delen strikt harmonisch, en al haar
werkingen zijn gericht op herstel van de harmonie, dat wil zeggen op
evenwicht. Wat we zaaien, zullen we oogsten. Niets gebeurt toevallig.
En als iemand door een vloedgolf wordt gegrepen of bij een aardbeving
het leven verliest, komt dat omdat hij zich door zijn vroegere karma
in die omgeving heeft geplaatst. Hij oogst wat hij heeft gezaaid.
Het zou een waanzinnig heelal zijn als karma niet
bestond, als mensen het leven van anderen konden verwoesten en zelf
buiten schot blijven. Zo werkt de natuur niet. De mens is in zijn diepste
innerlijk een god; en omdat hij zowel met de goddelijke elementen als
met alle andere elementen van het heelal is verbonden, reageert de natuur
op alles wat hij doet. Hij heeft een vrije wil en oogst dus de gevolgen
van alles wat hij denkt en doet en is. De hele evolutiestroom van de
natuur staat achter iemand die werkt voor broederschap en vriendelijkheid;
dat brengt kracht en licht en leidt tot een kosmische uitbreiding van
zijn innerlijke vermogens. Het onberekenbare gewicht van de hele natuur
drukt op de mens die haat, die werkt voor zelfzuchtige doeleinden en
met zijn nietige wil ingaat tegen de stroom van evoluerende levens.
Zo handelen betekent onvolmaaktheid, disharmonie en daarom kwaad.
De universele natuur is in haar manifestatie tweeledig
van aard, verdeeld in bewustzijn of de lichtzijde, en stof of de donkere
zijde. In De Sleutel tot de Theosofie (blz. 103-4) lezen we:
Licht zou onbegrijpelijk zijn zonder duisternis waardoor
het zich als tegengestelde doet kennen; het goede zou niet langer
goed zijn zonder het kwade dat de onschatbare waarde van het goede
aantoont; zo zou ook persoonlijke deugdzaamheid geen aanspraak op
verdienste kunnen maken, tenzij ze de vuurproef van de verzoeking
heeft doorstaan.
De oude religie van Zarathoestra legde sterk de
nadruk op deze dualiteit, en deze gedachte werd in een zeer vroege periode
door de christenen overgenomen.* Maar als de kosmos zijn pralaya ingaat,
verdwijnen goed en kwaad en lossen weer op in de onuitsprekelijke eenheid
van het kosmisch goddelijke – om daar in latente toestand te blijven
tot de nieuwe periode van manifestatie van een heelal begint.
*Vgl. De Geheime Leer (1:450-64), ‘Demon
est Deus Inversus’.
We zien in de hele kosmos dat het kwaad het conflict
is tussen entiteiten, dat ontstaat door hun nog onvolmaakt ontwikkelde
spirituele vermogens. Als we dit op de mens en zijn daden toepassen,
blijkt dat het conflict van menselijke wilsuitingen en intelligenties
die met elkaar in strijd zijn, disharmonie, pijn, ziekte en alle vormen
van kwaad voortbrengt. Als we echter de les leren dat we dezelfde en
geen verschillende belangen hebben, zullen we naarmate ons spirituele
inzicht groeit steeds meer gaan samenwerken.
Op universele schaal ontstaat het kosmische kwaad
uit de verschillende strevingen en conflicten van de prakriti’s
in de natuur met hun respectieve bewoners. De stof – de zeven
prakriti’s – is niet kwaad per se, maar gekristalliseerde
of verdichte geest; en de prakriti’s zijn eenvoudig de onberekenbaar
grote aantallen monaden die individueel onontwaakt of onontwikkeld zijn
en daarom in de natuur functioneren als gebieden van stoffelijke of
prakritische uitgebreidheid. Als een heelal door evolutie van al zijn
verschillend gedifferentieerde prakriti’s tenslotte de spirituele
gebieden bereikt, zullen deze differentiaties opgaan in de spirituele
eenheid van de kosmische monade en zo het grootse consummatum est
tot stand brengen, wanneer de dualiteit opgaat in de eenheid.
De volgende passage uit De Mahatma Brieven
(blz. 446-7) geeft nog een sleutel:
. . . de harmonie van het heelal wordt gevormd door
tegenstellingen . . . Zo volgt . . . evenals in de prachtige fuga’s
van de onsterfelijke Mozart, het ene deel voortdurend op het andere,
in een harmonische disharmonie op het pad van de eeuwige vooruitgang,
om samen te komen en zich tenslotte op de drempel van het beoogde
doel op te lossen in één harmonisch geheel, de grondtoon
in de natuur सत् [sat].
In essentie is de stof dus even goddelijk als de
geest, want ze is slechts de schaduw of de voertuiglijke kant van de
geest.
Bron
van het Occultisme, blz. 468-71
© 2006 Theosophical
University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag