Theosofische inzichten
Artikelen van W.Q. Judge

isbn 9789491433016, gebonden, eerste druk 2012, bestel boek

© 2012  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     

 

Is armoede slecht karma?

[The Path, juli 1891, blz. 101-2]

De vraag wat goed en wat slecht karma is, is door theosofen gewoonlijk vanuit een werelds en egoïstisch standpunt beschouwd. Een zakelijk element is een rol gaan spelen bij de berekening van verdiensten en tekortkomingen. Over de eeuwige rechtvaardigheid – die slechts een andere naam voor karma is – wordt soms gezegd dat ze het reïncarnerende ego de ene of de andere levensomstandigheid toewijst precies zoals een balans in een grootboek wordt opgemaakt, met in het ene geval een uitbetaling bij wijze van beloning en in het andere geval een betalingsverplichting als straf.

Men denkt vaak dat indien iemand rijk is en in goede omstandigheden verkeert, dit bewijst dat hij in zijn vorige incarnatie rechtschapen maar arm was; en dat indien hij nu arm is, de conclusie is dat hij, toen hij vroeger op aarde was, een slecht leven leidde hoewel hij rijk was. Zo hanteert men maar één criterium voor goed en slecht karma, en dat is uitsluitend gebaseerd op de portemonnee. Maar is armoede met al haar ellende slecht karma? Als iemand in de laagste maatschappelijke positie wordt geboren, en altijd gedwongen is om heel eenvoudig te leven, vaak honger heeft en zijn vrouw en kinderen om voedsel hoort roepen, volgt daaruit dan dat hij slecht karma ondergaat?

Indien we de vraag uitsluitend vanuit het standpunt van dit ene leven, van deze persoonlijkheid, beschouwen, dan kan alles wat in het leven onaangenaam of pijnlijk is natuurlijk slecht worden genoemd. Maar als we alle omstandigheden van het leven beschouwen als ervaringen die het ego voor zijn ontwikkeling moet opdoen, dan is zelfs armoede geen ‘slecht karma’. Kracht krijgen we alleen door beproeving en oefening. Door armoede ondergaat men de hevigste beproevingen op het punt van uithoudingsvermogen, en dat is het beste middel voor het ontwikkelen van die karakterkracht die als enige tot ware edelmoedigheid leidt. Deze ego’s die we om ons heen zien en die leven in lichamen onder zulke zware omstandigheden dat er veel uithoudingsvermogen voor nodig is om de strijd vol te houden, doorlopen – voor zover we weten vrijwillig – deze moeilijke school om meer en diepere ervaring op te doen en daarmee kracht.

De oude definitie van goed en slecht karma is de beste: ‘Goed karma is dat wat voor Isvara aangenaam is, slecht karma dat wat voor Isvara onaangenaam is.’ Dit biedt maar weinig ruimte voor meningsverschillen over armoede en rijkdom, want de toetssteen en maatstaf liggen hier niet bij onze tegenwoordige, vergankelijke, menselijke voorkeuren en verlangens, maar het oordeel wordt overgelaten aan het onsterfelijke zelf, Ìsvara. Het zelf verlangt misschien niet naar de genoegens van rijkdom, maar ziet in dat er discipline nodig is en besluit om te leven onder stervelingen in die lage maatschappelijke positie waar uithoudingsvermogen, geduld en kracht door ervaring kunnen worden verkregen. Er bestaat geen andere manier om de levenslessen in het karakter in te prenten.

Men zal dan misschien vragen: zijn armoede en minder goede omstandigheden altijd goed karma? Dat kunnen we volgens de zojuist gegeven regel ontkennend beantwoorden. Zulke levens zijn soms en zelfs vaak slecht karma en zijn onaangenaam voor het onsterfelijke zelf dat in het lichaam is opgesloten, want ze zijn niet het gevolg van een zelfbewuste keuze maar van oorzaken die in vroegere levens roekeloos zijn gelegd. Deze oorzaken zullen in de persoon onvermijdelijk zaden van verderf zaaien en hij zal deze later met veel moeite uit zijn karakter moeten verwijderen. Volgens dit criterium kunnen we zeggen dat de meeste arme mensen die geen slecht karakter hebben meestal goed karma ondergaan, omdat dit overeenkomt met het soort ervaring dat door Isvara is gekozen, en dat alleen van arme mensen die slecht zijn kan worden gezegd dat ze slecht karma ondergaan, omdat ze doen en laten wat voor het onsterfelijke, innerlijke zelf onaangenaam is.

William Brehon

 


Theosofische inzichten, blz. 149-50

© 2012  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag