Inhoudsopgave   

 


Bijeenkomst in Bournemouth

Queen Hotel
23 juni 1951 – 15.30 uur

Lilian Rainford – algemeen voorzitter
Hubert Parkin – dagvoorzitter


 

Op de bijeenkomst in Bournemouth werden zowel in de toespraak van de leader als in het vraag- en antwoordgedeelte dezelfde onderwerpen besproken die elders in deze verslagen zijn te vinden, en waarin enkele van deze vragen al verschillende keren zijn beantwoord.

De vraag over de organisatorische structuur van het Engelse werk, d.w.z. loges die branches worden verbonden met het Hoofdkwartier, werd eveneens besproken en de leader stelde voor dat de leden van Bournemouth de tijd zouden nemen om deze zaak te bekijken en de beslissing te nemen die ze verkozen. Inmiddels is het charter van Bournemouth van de voorzitter, dhr. Parkin, ontvangen.

Na een korte pauze, waarin thee en koekjes werden geserveerd, besloot de leader de bijeenkomst met de volgende woorden:

Ik dank u voor de thee en ook voor de mooie bloemen. Het zijn prachtige lathyrussen.

Tijdens de thee sprak Mw. Rogers met me over wat ik had gezegd over de overgang van de ontvangende naar de gevende kant en was verheugd te constateren dat ze niet de enige was die dat feit had ingezien in de tamelijk korte periode waarin ze min of meer op zichzelf, ver van de andere leden, moest leven en werken voor de theosofie. Wat ze ontdekte is iets kenmerkends en natuurlijks. Deze overgang beïnvloedt niet alleen de Society in zijn cyclische verwikkelingen, maar theosofen vergeten soms dat de hele wereld wordt beïnvloed door eeuwwisselingen en het samenvallen van cyclussen. Het is echter een feit dat wij als theosofen een grotere verantwoordelijkheid hebben. Er wordt meer van ons verwacht, omdat we duidelijker de werking van de wet zouden moeten kennen en begrijpen.

Hoe zullen we nu dat kleine beetje meer geven dan iemand die geen lid is van de TS? Het antwoord op deze vraag is naar mijn mening het antwoord op de vraag naar het slagen van de Theosophical Society en haar vermogen om de mensheid zelf een beetje verder te helpen op haar weg naar vooruitgang. We zullen dit beslist niet doen door de theosofie van de daken te verkondigen, noch zullen we onze taak volbrengen door tot de dag des oordeels op de hoeken van de straten te paraderen. Er zijn nu genoeg organisaties die dat doen, en hoewel de wereld er misschien niet slechter van wordt zal ze op die manier zeker niet snel worden gered. Onze eerste verantwoordelijkheid als leden is ernst met de theosofie te maken en zelfbewust aan onszelf te bouwen en ons sterker te maken. Dat is een heel oud verhaal, maar een dat altijd nieuw blijft. KT heeft voortdurend gehamerd op die zelfbewuste, zelfgeleide evolutie. Daar heb ik het over. We zijn slechts huichelaars als we niet eerst onze eigen zaken op orde brengen, vóór we proberen de wereld te redden. Op een dag niet lang voor kolonel Conger stierf doordrong hij ons ervan hoe verkeerd het was ‘voor theosofen die zich als lid hebben verbonden, zelfs maar een leugentje om bestwil te vertellen, want het karma daarvan blijft door de eeuwen heen weerklinken’. Als dit zo is, waarom zouden we dan ook maar de kans willen lopen met de krachten van de duisternis of vernietiging een compromis te sluiten? Zelfs al was het maar door onszelf in het een of ander dat van weinig belang schijnt, te rechtvaardigen. Telkens wanneer we een compromis sluiten laten we een duistere afdruk achter op het innerlijke strijdperk van die godheid die zich in ieder van ons bevindt.

Hoe kunnen we onze missie vervullen? Door de leer van het hart in praktijk te brengen. Dat is eenvoudig gezegd de kern van de hele zaak. De meest technische leringen van GdeP zijn niets anders dan een verklaring in woorden van de ware leer van het hart. Om zijn studenten telkens weer te waarschuwen herinnerde GdeP ze middenin een uiteenzetting van de meest technische aard altijd eraan dat door die godsvonk in ons hart al het andere mogelijk werd en dat het aan ons was deze spirituele krachten van binnenuit te ontvouwen. Er is niets dat eervoller is, wat ons beroep ook is, dan van dag tot dag onze karmische plicht te doen, onpersoonlijk en met heel ons hart, onzelfzuchtig en zonder te letten op de gevolgen die ze voor onszelf zou kunnen hebben. Laten we denken aan de opdracht van de Gita om ons volkomen los te maken van de gevolgen van goed handelen en deze handelingen neer te leggen op Krishna’s altaar, op het altaar van die godheid die in ons allen aanwezig is, en laat die godheid, of de krijger zo u wilt, of de wet van karma of de Loge voor de gevolgen zorgen.

Niemand van ons is daarvan ook maar enigszins een volmaakt voorbeeld, maar ik ben dankbaar dat ik in mijn eigen leven door heel wat verschrikkingen ben heengegaan. Meer dan eens, wanneer ik door de poorten van loutering ging, heb ik mijn ziel tot in haar diepste grond geschroeid, en ik weet dat we grotere vorderingen maken door strikt eerlijk te zijn dan op welke andere manier ook.

Ik zou willen dat ik met alle TS-leden de grote vreugde kon delen die ik voelde toen ik besloot dat ik – zelfs als dat de dood zou betekenen – mijzelf open en eerlijk onder ogen zou zien. De Wet doet haar werk en wanneer iemand, als hij eenmaal het licht heeft gezien, het vaste besluit neemt om nooit meer om te keren, komt er hulp. De goden buigen zich neer en verlenen hulp. Er is iets gebeurd en ze kunnen de oprecht strevende ziel evenmin de rug toekeren als een moeder haar kind, hoe traag hij die zich ernstig inspant misschien ook is. Hulp komt op onverwachte manieren, van onverwachte kanten, op onverwachte momenten, wanneer hulp het meest nodig is. Dan beginnen we de werkelijke vreugde van het in praktijk brengen van de theosofie te kennen en te begrijpen. Dan ook beginnen we in de ogen van onze medemensen het stralende licht van hun goddelijkheid te zien. Dan zien we dat we de kracht hebben gekregen om te helpen, niet noodzakelijk met woorden, maar door onze daden en vaak in de stilte van ons eigen hart. Niet voordat wij onszelf verliezen in de dienst aan anderen, in die innerlijke betekenis dat we het belang en het welzijn van onze medemensen boven alles stellen, in de wetenschap dat er in hen ook een godheid woont, en in ons hart voelen dat we niet vooruit kunnen zolang iemand anders niet ook is vooruitgegaan, zullen we weten wat theosofie werkelijk is. Wanneer steeds meer mensen van ons dit in elk land doen, zullen we de meesters een kracht geven die in het verleden haar weerga niet heeft gehad, een kracht die hen in staat zal stellen het karma van ieder land te benutten om deze of die persoon, die een hoge of lage positie heeft, op de schouder te tikken, zoals ze dat ook in het verleden hebben gedaan. Als we dit in een grotere mate dan ooit tevoren kunnen doen, kunnen we er zeker van zijn dat onze oprechte pogingen, hoe onbetekenend ze ons en anderen misschien ook toeschijnen, de juiste plaats zullen bereiken en resultaten zullen hebben. We zullen theosofie hebben gegeven in de ware zin van het woord, en de wereld zal er gelukkiger door worden.

Het zou heel mooi zijn als we dat allemaal konden doen; maar we zijn allemaal heel onvolmaakt en we hoeven er ook niet om te treuren dat we niet in één dag volmaakt kunnen worden. Maar ik ben er volkomen zeker van dat naarmate al onze leden dit slechts iets bewuster erkennen, er op de innerlijke gebieden wonderen zullen worden verricht. In plaats van een tijdelijke of kortstondige impuls om het werk van de meesters tot 1975 krachtig voort te zetten tot de nieuwe boodschapper komt, moeten en zullen we het op deze manier zo’n impuls geven dat, wanneer de nieuwe boodschapper werkelijk komt, het geen kwestie zal zijn van het overdragen van het werk van deze eeuw op de volgende, maar op eeuwen en nog eens eeuwen. We hebben de gelegenheid, maar we moeten ons onpersoonlijk maken om dit werk tot stand te brengen.

Vanaf de tijd van Tsong-kha-pa tot HPB in 1875, is deze poging door de eeuwen heen mislukt. De impuls werd in iedere eeuw gegeven, maar ze reikte niet ver genoeg. HPB kwam en gaf het een impuls die wij die na haar kwamen – ik heb het hier niet over leaders maar over alle leden – hebben voortgezet en die we vandaag in een sterkere mate voortstuwen dan ooit eerder in de geschiedenis. Dat is de enige boodschap die mijn hart voor u kan achterlaten. Zoals ik onze broeders in Wales zei, ben ik niet bezig de leden met alle macht aan te sporen erop uit te gaan en te proberen uiterlijke dingen tot stand te brengen. We moeten van binnenuit ons huis op orde brengen en beginnen bij onszelf, waarbij we moeten samenwerken in het volle besef van onze verantwoordelijkheid tegenover het land waarin we wonen. Deze verantwoordelijkheid helpt om werkelijk spirituele voorzorgsmaatregelen te nemen, zodat het staatsschip van onze respectieve landen in deze spannende tijden niet op drift zal raken, maar in staat zal zijn zijn reis voort te zetten en de werkelijke strijd van de mensheid te winnen om zo de beschaving een stap dichter te brengen bij een nieuwe gouden eeuw. Dat is alles.

U kwam deze middag hier met verschillende gevoelens in uw denken en in uw hart. Maar hoe dan ook, in al die gevoelens nam theosofie de centrale plaats in en door de eenvoudige alchemie van een open hart en een open geest heeft u hier één voor één een gevoel van spirituele kracht en begrip bijeengebracht, of tenminste aangetrokken, waarvan de uitwerking in een nieuw tijdperk van theosofische expressie in Bournemouth en dit deel van Engeland naar mijn mening niet kan uitblijven. Hoelang het zal duren om zich te manifesteren weet ik niet, maar ik ben daarover niet bezorgd. Maar ik ben er zeker van dat er niets toevallig gebeurt, en dat ik me niet ertoe geroepen zou hebben gevoeld te zeggen wat ik zo-even heb gezegd, als het niet door het hart van ieder van u was opgeroepen.
Tot welke beslissing u in Bournemouth over het charter ook komt, ik ga ermee akkoord, hoe dan ook. Ik laat het aan u over precies te beslissen wat u wilt doen, en u kunt het mij in Londen laten weten voor ik wegga, of aan Mw. Rainford.

Ik dank u allen voor uw komst. Ik zeg u allen nu au revoir.

De bijeenkomst werd om 18.30 uur gesloten.


James A. Long – Tourverslagen 1951

Theosophical University Press Agency online editie

© 2008 Theosophical University Press Agency. Online-editie, isbn 978-90-70328-64-1.