Oceaan van theosofie
William Quan Judge

bestel boek

2de herziene druk 2013

© 2013  Theosophical University Press Agency, Den Haag

 

      Inhoudsopgave     
   

 

16 Paranormale wetten, krachten en verschijnselen

Het terrein van de paranormale krachten, verschijnselen en werkingen is uitgestrekt. Dagelijks en in alle landen worden zulke verschijnselen gezien en die krachten getoond, maar tot voor kort wijdden de mensen van de wetenschap er maar weinig aandacht aan, terwijl degenen die de gebeurtenissen meedeelden, of verklaarden in het bovennatuurlijke te geloven, met spot werden overladen. In de Verenigde Staten ontstond ongeveer veertig jaar geleden een soort eredienst die zich ten onrechte ‘spiritisme’ noemde, maar terwijl hier grote mogelijkheden lagen, liet men deze kans liggen en verviel men tot het uitsluitend zoeken naar wonderen zonder het geringste spoor van een filosofie. Het spiritisme heeft heel weinig tot stand gebracht, behalve een grote verzameling ongeordende feiten die in de loop van veertig jaar de serieuze aandacht van het grote publiek niet wisten te trekken. Hoewel het zijn nut heeft gehad en tot zijn aanhangers veel heldere denkers behoren, heeft volgens de discipelen van de Loge, die de mens het liefst gelijkmatig en zonder rampen ziet voortgaan op het pad van zijn evolutie, het voordeel dat het opleverde niet opgewogen tegen de grote gevaren en nadelen die dit voor de mediums en hun bezoekers met zich meebracht. Maar andere westerse onderzoekers, die tot de gevestigde scholen behoren, hebben het niet veel beter gedaan, en het gevolg is dat er nu geen westerse psychologie bestaat die die naam waardig is.

Het ontbreken van een geschikt stelsel van psychologie is een natuurlijk gevolg van het materialistische vooroordeel van de wetenschap en de verlammende invloed van de dogmatische godsdienst; de een drijft de spot met elke poging en verspert de weg, en de ander verbiedt elk onderzoek. De rooms-katholieke tak van de christelijke kerk vormt echter in enkele opzichten een uitzondering. Deze heeft altijd het bestaan van een paranormale wereld erkend – want die is voor haar het gebied van duivels en engelen, maar omdat engelen zich slechts vertonen als ze dat verkiezen, en duivels moeten worden vermeden, is het door de kerk aan niemand, behalve een gevolmachtigd priester, toegestaan zich met deze zaken in te laten. De kerk heeft gelijk dat ze de verderfelijke praktijk van de necromantie waaraan ‘spiritisten’ zich overgeven, verbiedt, maar dat geldt niet voor haar andere verboden en beperkingen. Echte psychologie is tegenwoordig een oosters product. Het is volkomen juist dat het stelsel in het Westen bekend was toen vóór het christelijke tijdperk een heel oude beschaving in Amerika en in bepaalde delen van Europa bloeide, maar tegenwoordig behoort de psychologie in haar ware vorm aan het Oosten.

Zijn er paranormale krachten, wetten en vermogens? Als die er zijn, moeten er ook verschijnselen zijn. En als alles wat in de vorige hoofdstukken is geschetst waar is, dan zijn in de mens dezelfde vermogens en krachten aanwezig die we overal in de natuur kunnen vinden. De mens wordt door de meesters van wijsheid als het hoogste voortbrengsel van het hele evolutiestelsel beschouwd, en weerspiegelt alle vermogens van de natuur in zich, hoe verbazingwekkend of hoe verschrikkelijk die misschien ook zijn; juist omdat hij zo’n spiegel is, is hij mens.

In het Oosten wordt dit allang erkend, en daar heeft de schrijver demonstraties van zulke vermogens gezien die de theorieën van veel westerse mensen van de wetenschap omver zouden werpen. En in het Westen zijn dezelfde verschijnselen voor de schrijver herhaald, zodat hij uit eigen ervaring weet dat ieder mens, van welk ras ook, in aanleg dezelfde vermogens heeft. De echte paranormale – of zoals ze vaak worden genoemd, magische – verschijnselen die worden voortgebracht door een oosterse fakir of yogi, komen alle tot stand door toepassing van natuurlijke krachten en processen waarvan het Westen tot nu toe zelfs niet heeft gedroomd. Levitatie van het lichaam, schijnbaar tegen de zwaartekracht in, kan heel gemakkelijk worden gedaan wanneer men dit proces volledig beheerst. Het gaat tegen geen enkele wet in. De zwaartekracht is slechts de helft van een wet. De oosterse wijze geeft toe dat de zwaartekracht bestaat, als men die zo wil noemen, maar de juiste term is aantrekking, omdat de andere helft van de wet wordt uitgedrukt door het woord afstoting, en beide worden beheerst door de grote wetten van de elektrische kracht. Gewicht en stabiliteit hangen af van de polariteit, en wanneer de polariteit van een voorwerp wordt veranderd ten opzichte van de aarde vlak onder dat voorwerp, is het mogelijk dat het voorwerp opstijgt. Maar omdat gewone voorwerpen geen bewustzijn hebben, zoals we dat in de mens vinden, kunnen ze zich zonder bepaalde hulpmiddelen niet verheffen. Het menselijk lichaam zal echter zonder enige steun van buitenaf als een vogel in de lucht opstijgen wanneer de polariteit ervan wordt veranderd. Deze verandering wordt bewust teweeggebracht door een bepaalde manier van ademhalen die aan de oosterling bekend is, en kan ook worden teweeggebracht met behulp van bepaalde, later genoemde, natuurkrachten in die gevallen waarin mensen zonder de wet te kennen verschijnselen teweegbrengen zoals bij heiligen van de rooms-katholieke kerk.

Een derde grote wet die bij veel van de verschijnselen in oost en west een rol speelt, is die van cohesie. De kracht van cohesie is zelf een bepaalde kracht, en niet, zoals wordt verondersteld, een gevolg. Deze wet en haar werking moet men kennen als men bepaalde verschijnselen wil teweegbrengen, bijvoorbeeld, wat de schrijver heeft gezien, een vaste ijzeren ring door een andere heen laten gaan, of een steen door een vaste muur. Daarbij moet een andere kracht worden gebruikt die we slechts verstrooiing kunnen noemen. Cohesie is de overheersende kracht, want zodra de verstrooiende kracht ophoudt, brengt de cohesie de deeltjes weer terug in hun oorspronkelijke positie.

Als de adept in deze grote wet van de dynamica deze kracht gebruikt, kan hij de atomen van een voorwerp – altijd met uitzondering van het menselijk lichaam – tot op zo’n afstand uit elkaar drijven dat het voorwerp onzichtbaar wordt, en vervolgens kan hij ze langs een stroom die in de ether wordt gevormd elke afstand op aarde laten afleggen. Op het gewenste punt wordt de verstrooiende kracht opgeheven, de cohesie doet zich onmiddellijk weer gelden, en het voorwerp verschijnt opnieuw in ongeschonden staat. Dit klinkt misschien als een sprookje, maar omdat het aan de Loge en haar discipelen bekend is als een werkelijk feit, is het ook zeker dat de wetenschap vroeg of laat het bestaan ervan zal erkennen.

Maar de leek, gekweld door het huidige materialisme, vraagt zich af hoe al die manipulaties mogelijk zijn als er geen instrumenten worden gebruikt. De instrumenten bevinden zich in het lichaam en in de hersenen van de mens. Volgens de Loge zijn de menselijke hersenen ‘een onuitputtelijke krachtbron’, en volledige kennis van de diepere scheikundige- en dynamische wetten van de natuur, gepaard gaand met een geoefend verstand, geeft de bezitter de macht die wetten waarop ik heb gedoeld, toe te passen. In de toekomst zal de mens deze kennis bezitten, en hij zou die nu al hebben als blinde dogmatiek, egoïsme en materialistisch ongeloof niet in de weg stonden. Zelfs de christen leeft niet volgens de ware uitspraak van zijn meester dat hij die geloof heeft, een berg zal kunnen verzetten. Kennis van de wet, gepaard gaand met vertrouwen, geeft macht over de stof, het denken, ruimte en tijd.

Door van dezelfde krachten gebruik te maken kan een geoefende adept materie die eerst niet zichtbaar was, in elke gewenste vorm zichtbaar voor onze ogen en objectief tastbaar laten ontstaan. De gewone mens zou dit schepping noemen, maar het is eenvoudig evolutie, die in onze aanwezigheid plaatsvindt. In de lucht om ons heen zweeft materie. Elk stofdeeltje, zichtbaar of nog niet geprecipiteerd, is door alle mogelijke vormen gegaan, en de adept kiest een gewenste vorm die, zoals alle vormen, in het astrale licht bestaat, en door zijn wil en verbeelding te gebruiken bekleedt hij deze vorm door precipitatie met stof. Het zo gevormde voorwerp zal vervagen, tenzij bepaalde andere bewerkingen worden toegepast, die hier niet beschreven hoeven te worden; maar als deze bewerkingen worden toegepast, zal het voorwerp blijven bestaan. En als men op papier of op een ander oppervlak een boodschap zichtbaar wil maken, worden dezelfde wetten en krachten gebruikt. Een duidelijk, fotografisch en scherp beeld van elke lijn van elke letter of figuur wordt door het denken gevormd, en dan wordt aan de lucht de kleurstof onttrokken die neerslaat binnen de grenzen die worden bepaald door de hersenen, die onuitputtelijke verwekker van kracht en vorm. Al deze dingen heeft de schrijver op de hier beschreven manier zien gebeuren, en niet door een betaald en onverantwoordelijk medium; en hij weet waarover hij spreekt.

Dit leidt vanzelf tot de stelling dat de menselijke wil almachtig is en dat de verbeelding een heel bruikbaar vermogen is met dynamische kracht. De verbeelding is het beelden-makende vermogen van het menselijk denken. Bij gewone mensen is ze niet genoeg geoefend of bezit ze niet genoeg kracht om iets meer te zijn dan een soort droom, maar ze kan worden geoefend. En als ze is getraind, wordt ze de bouwer in de menselijke werkplaats. In dat stadium maakt ze een blauwdruk in de astrale substantie, door middel waarvan objectief zichtbare vormen kunnen ontstaan. Ze is na de wil het grootste vermogen in het menselijk samenstel van ingewikkelde werktuigen. De moderne westerse definitie van verbeelding is onvolledig en zit er helemaal naast. Ze wordt hoofdzakelijk gebruikt om er fantasie of misvatting mee aan te duiden, en betekent altijd iets onwerkelijks. Het is onmogelijk een betere term te vinden, want een van de vermogens van de geoefende verbeelding is het maken van een beeld. Het woord hangt samen met het vormen of weerspiegelen van een beeld. Het onbeheerste gebruik van dit vermogen of beter gezegd het lijdzaam ondergaan van de werking ervan, heeft ertoe geleid dat het Westen geen ander idee erover heeft gekregen dan door het woord ‘fantasie’ wordt opgeroepen. Tot op zekere hoogte is dit juist. Maar ze kan op een hoger niveau worden gebracht; wordt dit bereikt, dan ontwikkelt de verbeelding in de astrale substantie een werkelijk beeld of een vorm die dan op dezelfde manier kan worden gebruikt als een zandvorm voor gesmolten ijzer door een ijzergieter. Ze is daarom een koninklijk vermogen, omdat de wil zijn werk niet kan doen als de verbeelding maar enigszins zwak of ongeoefend is. Als bijvoorbeeld de persoon die iets uit de lucht wil precipiteren maar enigszins weifelt over het beeld dat in de astrale substantie wordt gemaakt, dan valt de kleurstof eveneens op een weifelende en verstrooide manier op het papier.

Om zich met het denken van een ander, op welke afstand ook, in verbinding te stellen, stemt de adept alle moleculen van de hersenen en alle gedachten zodanig af dat ze in harmonie trillen met het denkvermogen waarop moet worden ingewerkt, en dat andere denkvermogen en die hersenen moeten óf vrijwillig tot eenzelfde trilling in harmonie worden gebracht óf vrijwillig in harmonie komen. Al is de adept in Bombay en zijn vriend in New York, de afstand vormt geen belemmering, want de innerlijke zintuigen zijn niet afhankelijk van het oor, maar kunnen de gedachten en beelden in het denken van de ander zien en voelen.

Als een adept in het denken van een ander wil zien en zijn gedachten wil opvangen en de beelden om hem heen van alles wat hij heeft gedacht en waargenomen, dan richt hij zijn innerlijk gezicht en gehoor op het denkvermogen dat hij wil onderzoeken, en onmiddellijk is alles zichtbaar. Maar, zoals al is gezegd, alleen een schurk zou dat doen, en de adepten doen het uitsluitend in gevallen waarin ze daartoe volledig zijn gemachtigd. De mens van nu ziet het niet als een ernstige overtreding om met dit vermogen inzicht te krijgen in de geheimen van een ander, maar de adepten beweren dat het een inbreuk is op het recht van de ander. Niemand heeft het recht, zelfs niet als hij de macht ertoe bezit, het gedachteleven van een ander binnen te dringen en zijn geheimen eruit te lichten. Dit is de wet van de Loge voor allen die zoeken, en als iemand merkt op het punt te staan de geheimen van een ander te ontdekken, moet hij zich onmiddellijk terugtrekken en niet verdergaan. Als hij toch verdergaat, wordt hem, indien hij een leerling is, zijn vermogen ontnomen, en voor ieder ander geldt dat hij de gevolgen van dit soort inbraak moet dragen. Want de natuur heeft haar wetten en haar politiemensen, en als we misdrijven in de astrale wereld plegen, zullen de grote wet en haar beschermers die niet kunnen worden omgekocht, de straf voltrekken, hoelang we daarop ook moeten wachten, zelfs al duurt het tienduizend jaar. Hier geldt een ander soort bescherming voor ethiek en moreel gedrag. Maar niet voordat de mensen het filosofische stelsel dat in dit boek wordt uiteengezet, aannemen, zullen ze het verkeerd achten om misdrijven te plegen op gebieden waar hun zwakke menselijke wet niet van kracht is; en door tegelijk te weigeren deze filosofie te aanvaarden, stellen ze de dag uit waarop alle mensen deze grootse vermogens zullen bezitten en kunnen gebruiken.

Tot de verschijnselen die vermeldenswaard zijn, behoren die waarbij men voorwerpen zonder fysieke aanraking laat bewegen. Dit is inderdaad mogelijk, en wel op meer dan één manier. De eerste is om de astrale hand en de astrale arm buiten het fysieke lichaam uit te steken en daarmee het voorwerp dat moet worden verplaatst, te pakken. Dit kan worden gedaan tot op een afstand van drie meter van de mens. Ik ga hierover niet in discussie, maar wijs slechts op de eigenschappen van de astrale substantie en ledematen. Dit kan tot op zekere hoogte dienen om verschillende verschijnselen van mediums te verklaren. Bijna al die verschijnselen worden teweeggebracht door op die manier de onzichtbare maar stoffelijke astrale hand te gebruiken. Bij de tweede manier wordt gebruikgemaakt van de elementalen waarover ik heb gesproken. Ze hebben het vermogen, wanneer ze door de innerlijke mens worden bestuurd, voorwerpen te verplaatsen door de polariteit ervan te veranderen, en dan zien we, zoals bij fakirs in India en sommige mediums in Amerika, kleine voorwerpen bewegen, schijnbaar uit zichzelf. Deze elementale entiteiten worden gebruikt wanneer dingen over grotere afstanden worden vervoerd dan de lengte waartoe de astrale ledematen kunnen worden uitgestrekt. Dat de mediums niet weten dat ze dit doen is geen tegenargument. Ze weten zelden of nooit hoe ze verschijnselen teweegbrengen, en hun onwetendheid over de wet is geen bewijs dat die niet bestaat. Onderzoekers die deze krachten van nabij hebben zien werken, hebben hiervoor geen bewijzen nodig.

Helderziendheid, helderhorendheid en het tweede gezicht hangen allemaal nauw samen. Bij elk gebruik van een van deze worden tegelijk de beide andere betrokken. Ze zijn slechts variaties van eenzelfde vermogen. Geluid is een van de kenmerkende eigenschappen van de astrale sfeer, en zoals licht en geluid samengaan, gaat het gezicht samen met het gehoor. Het zien van een beeld met de astrale zintuigen betekent dat er tegelijk een klank is, en het horen van laatstgenoemde bewijst dat er in de astrale substantie een beeld is dat daarmee verband houdt. Het is de ware onderzoeker van het occultisme volkomen bekend dat elk geluid ogenblikkelijk een beeld voortbrengt, en dit feit, sinds lang bekend in het Oosten, is onlangs bewezen in het Westen door het zichtbaar maken van geluidsbeelden op een gespannen trommelvlies. Op dit gedeelte van het onderwerp zou met behulp van het occultisme veel verder kunnen worden ingegaan, maar omdat het in de huidige staat van de samenleving een gevaarlijk onderwerp is, zal ik dat niet doen. In het astrale licht bestaan beelden van alles wat mensen is overkomen, en ook van die gebeurtenissen die nog moeten plaatsvinden waarvoor de oorzaken voldoende duidelijk zijn gelegd. Als de oorzaken nog vaag zijn, zullen de beelden van de toekomst dat ook zijn. Maar voor de meeste gebeurtenissen van de komende jaren liggen alle voortbrengende en directe oorzaken altijd voldoende duidelijk vast, waardoor de ziener ze vooruit kan zien alsof ze nu gebeuren. Alle helderzienden oefenen hun merkwaardige vermogen uit door deze beelden met de innerlijke zintuigen waar te nemen. En toch is het een vermogen dat alle mensen bezitten, hoewel het bij de meesten maar weinig is ontwikkeld. Het occultisme verzekert echter dat als de kiem van dit vermogen niet in iedereen een beetje zou werken, geen mens een idee, welk ook, aan een ander duidelijk zou kunnen maken.

Bij helderziendheid trekken de beelden uit het astrale licht aan het innerlijke gezichtsorgaan voorbij en worden van binnenuit in het fysieke oog weerspiegeld. Dan verschijnen ze objectief aan de ziener. Als het vroegere of toekomstige gebeurtenissen betreft, wordt alleen het beeld gezien; zijn het beelden van gebeurtenissen die nu plaatsvinden, dan wordt het verloop met het innerlijke zintuig via het astrale licht waargenomen. Het onderscheid tussen gewoon en helderziend zien is dat bij helderziendheid in de waaktoestand de trilling eerst aan de hersenen wordt doorgegeven, vanwaar ze wordt overgebracht naar het fysieke oog; daar vormt ze een beeld op het netvlies zoals de draaiende cilinder van een fonograaf het mondstuk precies zo laat trillen als de stem trilde toen deze in de hoorn sprak. Bij het normale zien met de ogen bereiken de trillingen eerst het oog en worden dan naar de hersenen overgebracht. Beelden en geluiden worden beide door trillingen veroorzaakt, en daarom wordt elk geluid dat eenmaal is gemaakt in het astrale licht bewaard; de innerlijke gehoorzin kan het daaruit opnemen en het van binnenuit aan de hersenen doorgeven, vanwaar het het fysieke oor bereikt. En zo hoort men in geval van helderhorendheid op een afstand niet met het oor, maar met het centrum van het gehoor in het astrale lichaam. Het tweede gezicht is óf een combinatie van helderhorendheid en helderziendheid, óf niet – dit verschilt per geval – en als de ziener met het tweede gezicht vaak toekomstige gebeurtenissen ziet, komt daar een element van profetie bij.

De hoogste graad van helderziendheid – die van spirituele visie – is heel zeldzaam. De meeste helderzienden houden zich slechts bezig met de gewone aspecten en lagen van de astrale stof. Spiritueel inzicht komt slechts voor bij hen die zuiver, toegewijd en standvastig zijn. Het kan worden bereikt door het ontwikkelen van een bijzonder orgaan in ons lichaam – alleen door dit orgaan is zo’n inzicht mogelijk – en dan slechts na discipline, lange oefening en het hoogste altruïsme. Elke andere helderziendheid is tijdelijk, gebrekkig en fragmentarisch, omdat ze alleen betrekking heeft op de stof en op illusie. Haar fragmentarische en gebrekkige aard ontstaat doordat bijna geen enkele helderziende het vermogen heeft zich op hetzelfde ogenblik met meer dan één van de lagere graden van de astrale substantie bezig te houden. Zij die moedig zijn en zuiver in hun denken kunnen het heden en de toekomst veel beter hanteren dan een helderziende. Maar omdat het bestaan van deze twee vermogens bewijst dat er innerlijke zintuigen in ons aanwezig zijn en dat er een noodzakelijke tussenstof – het astrale licht – is, zijn deze menselijke vermogens van grote betekenis voor de interpretatie van de beweringen waarop de zogenaamde ‘geesten’ van de seancekamer aanspraak maken.

Dromen zijn soms het gevolg van hersenwerking die automatisch verloopt, en worden ook voortgebracht doordat de werkelijke innerlijke mens die indrukken en denkbeelden, al of niet verheven van aard, naar de hersenen overbrengt; deze worden door de werkelijke mens gezien, terwijl het lichaam slaapt. Ze dringen dan door in de hersenen, alsof ze drijven op de ziel die in het lichaam afdaalt. Deze dromen kunnen van nut zijn, maar gewoonlijk wordt door het hervatten van de lichamelijke activiteit de betekenis ervan tenietgedaan, wordt het beeld verwrongen en rest slechts verwarring. Maar belangrijk is dat er in alle dromen iemand is die waarneemt en voelt, en dit is een van de argumenten voor het bestaan van de innerlijke mens. Tijdens de slaap heeft de innerlijke mens contact met hogere intelligenties, en soms slaagt hij erin dat wat verkregen is op de hersenen af te drukken, hetzij een verheven gedachte of een profetisch visioen, ofwel dit mislukt als gevolg van de weerstand van het hersenweefsel. Ook iemands karma bepaalt de betekenis van een droom, want een koning kan bijvoorbeeld dromen over dingen die betrekking hebben op zijn koninkrijk, terwijl als een burger ditzelfde droomt, het geen betrekking heeft op iets van wereldlijk belang. Maar zoals Job zegt: ‘In dromen en visioenen van de nacht wordt de mens onderwezen.’

Er zijn twee algemene categorieën van verschijningen en ‘dubbels’. Tot de ene behoren de astrale schillen of beelden uit de astrale wereld, hetzij werkelijk zichtbaar voor het oog óf het resultaat van een trilling op innerlijk gebied die naar buiten naar het oog wordt gevoerd, waardoor iemand denkt dat hij een uiterlijke objectieve vorm ziet. De andere categorie wordt gevormd door het astrale lichaam van levende mensen die volledig of gedeeltelijk bewust zijn. De moeizame pogingen van de Society for Psychical Research om het bestaan van verschijningen te bewijzen zonder die wetten te kennen, bewijzen in feite niets, want van de twintig erkende gevallen zijn er misschien negentien waarin een op de hersenen afgedrukt beeld wordt geobjectiveerd. Maar er is geen twijfel aan dat verschijningen zijn waargenomen. Verschijningen van mensen die pas zijn gestorven, kunnen óf objectief zichtbaar gemaakte beelden zijn, zoals is beschreven, óf het astrale lichaam van de overledene, in dit stadium kamarupa genoemd. En omdat de gedachten en krachten tijdens het sterven, bevrijd van het lichaam, heel sterk zijn, kennen we meer verhalen over dat soort verschijningen dan over enige andere groep.

Een adept kan een verschijning van zichzelf projecteren, die echter anders wordt genoemd, omdat ze uit zijn bewuste en geoefende astrale lichaam met al zijn intelligentie bestaat en niet geheel losstaat van zijn fysieke lichaam.

De fysieke wetten die door de wetenschap zijn ontdekt, worden door de theosofie niet ontkend of genegeerd. Ze erkent al die bewezen wetten, maar beweert dat er andere bestaan die de werking van de wetten die bekend zijn, wijzigen. Achter alle zichtbare verschijnselen staat de occulte kosmos met zijn ideële mechanisme; die verborgen kosmos kan slechts door middel van de innerlijke zintuigen die ertoe behoren, volkomen worden begrepen; die zintuigen zullen niet gemakkelijk worden ontwikkeld als hun bestaan wordt ontkend. Als de hersenen en het denkvermogen samenwerken hebben ze de macht vormen te ontwikkelen, eerst astrale in de astrale substantie en later zichtbare door afzetting van stof op dit gebied. Objectieve beschouwing hangt voornamelijk af van waarneming, en waarneming kan door innerlijke prikkels worden beïnvloed. Daarom kan een getuige een voorwerp zien dat werkelijk als zodanig buiten hem bestaat, of kan door een innerlijke prikkel ertoe worden gebracht het te zien. Er zijn dus drie manieren van zien: (a) met het oog door middel van het licht dat van een voorwerp uitgaat; (b) met de innerlijke zintuigen door middel van het astrale licht en (c) door een prikkel van binnenuit waardoor het oog verslag doet aan de hersenen, en zo het innerlijke beeld naar buiten brengt. De verschijnselen van de andere zintuigen kunnen op dezelfde manier worden gerangschikt.

Omdat de astrale substantie het register is van alle gedachten, geluiden, beelden en andere trillingen, en de innerlijke mens een volledig individu is dat al of niet in samenwerking met het fysieke kan handelen, kunnen alle verschijnselen van hypnotisme, helderziendheid, helderhorendheid, mediumschap en andere die niet bewust worden volbracht, worden verklaard. In de astrale substantie bevinden zich alle geluiden en beelden, en in de astrale mens blijven de indrukken van elke gebeurtenis bewaard, hoe lang geleden of onbeduidend ook; als deze samenwerken brengen ze de verschijnselen voort die mensen die de basisbeginselen van het occultisme ontkennen of er niet mee bekend zijn, zo vreemd toeschijnen.

Maar om de verschijnselen, teweeggebracht door adepten, fakirs, yogi’s en alle geoefende occultisten, te verklaren, moet men de occulte wetten van de scheikunde, van het denken, van kracht en van stof begrijpen. Het zal duidelijk zijn dat een boek zoals dit niet de opzet heeft deze tot in detail te behandelen.

 


Oceaan van theosofie, blz. 157-70

© 2013  Theosophical University Press Agency
Daal en Bergselaan 68, 2565 AG Den Haag