Het Theosofisch Genootschap

De geometrie van het denken

James T. Belderis

Denkend aan analogieën, zouden we ons de kortste afstand tussen een probleem en de oplossing kunnen voorstellen als een rechte lijn van logisch denken. Is de richting van die gedachten eenmaal als de waarheid vastgesteld, dan kunnen er conclusies worden getrokken voor het onderzoek van andere denklijnen die hun deugdelijkheid bewijzen of weerleggen. Als we uitgaan van een bepaalde lijn van waarheid en een willekeurig punt in kwestie, dan kan er maar één lijn van denken zijn, vanuit dat punt, die evenwijdig loopt aan de waarheid.

Als deze analogieën iets betekenen, dan moeten we rekening houden met het feit dat twee logische denkers over hetzelfde probleem tot tegengestelde oplossingen kunnen komen. Elk van hen heeft zijn conclusie wellicht overtuigend bewezen, maar het verschil in hun oplossingen voert hen in tegengestelde richtingen en leidt hen voortdurend verder weg van een gemeenschappelijk punt van overeenstemming.

Deze paradox op het gebied van analogieën brengt ons ertoe onze oorspronkelijke stellingen in twijfel te trekken. Is er enige reden waarom het oplossen van een probleem zich langs een rechte lijn moet voltrekken? Kan de waarheid op één lijn worden gesteld met logisch denken? Aangezien alles steeds verandert, leidt het denken in één richting alleen tot wat de waarheid schijnt te zijn. Hoe staat het met conclusies die voortvloeien uit cirkelvormige of elliptische lijnen van denken – kunnen die misschien een steeds veranderende waarheid dichter benaderen?
In het licht van deze analogieën is het heel goed mogelijk dat de waarheid te maken heeft met de tijd en de omstandigheden van de waarnemer. Aangezien mensen met verschillende interessen en belangen hun eigen steeds veranderende ervaringsgebieden hebben, zal ieder mens de richting van zijn gedachten op subjectieve wijze ‘bijsturen’ om met die ervaring in overeenstemming te komen. De absolute waarheid zou dan de totaliteit zijn van de transformaties en wisselwerkingen tussen mensen en hun omgeving.

Maar het blijft een feit dat een mens een intuïtieve visie kan hebben van het oneindige, waarin tegengestelde lijnen van denken samenkomen in gemeenschappelijke punten van overeenstemming, waar de noodzaak de deugdelijkheid te bewijzen of te weerleggen, niet speelt, omdat de schijnbare afwijking van de ene lijn met een andere wordt gezien als één uit onderling afhankelijke delen bestaande eenheid. Dit betekent dat de geest andere dimensies kent waardoor hij de waarheid kan benaderen, dimensies die in feite uitgaan boven onze ervaring in tijd en ruimte.

Als ieder mens een integraal deel is van de waarheid en zich ogenblikkelijk met de totaliteit daarvan kan verenigen, dan is er helemaal geen afstand tussen een probleem en de oplossing – het antwoord ligt in ons.


Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1982

© 2018 Theosophical University Press Agency