Kosmisch karma en de bestemming van de mens
Elsa-Brita Titchenell

 

Men kan het onderwerp karma van vele kanten bezien en wie zich eenmaal serieus met de betekenis van het begrip gaat bezighouden, zal merken dat als men erover nadenkt, het steeds ingewikkelder wordt. Men kan het heel eenvoudig zeggen: iedere oorzaak heeft zijn bijbehorend gevolg, dat vervolgens een oorzaak wordt die tot verdere gevolgen leidt – een mooie, beknopte, rechtlijnige definitie.

Maar we leven niet langs een mooie rechte lijn. Zelfs stoffelijk heeft onze wereld tenminste drie dimensies waarin energie zich bolvormig in alle richtingen verspreidt. Vermenigvuldig dit met de verschillende soorten energie die alleen wij mensen al aanwenden in ons denken, ons handelen, onze creatieve impulsen; in ons zoeken naar kennis, sensaties en inzichten en we kunnen ons voorstellen hoe zich vanuit ieder punt van oorsprong in het heelal golven voortplanten, die overal waar de rimpelingen elkaar snijden een ingewikkeld moiré- of interferentiepatroon vormen. Hieruit volgt dat alles invloed heeft op al het andere, zodat het geheel een enorm ingewikkeld web is, waarin iedere energiebron zich voortdurend aan alle andere in haar omgeving aanpast en deze ook wijzigt. Is de materiële wereld een netwerk van energieën in beweging, de emotionele ‘pathosfeer’ die we bewonen is dat ook, en datzelfde geldt voor de mentale wereld, waar gedachten worden uitgewisseld en doorgegeven, om nog maar te zwijgen over de wereld van machtige spirituele krachten die we soms in onze zuiverder momenten vluchtig beroeren. Alle zijn beweging. En beweging is precies wat het woord karma betekent.

Hoe een zo omvangrijk complex van bewegingen begon is een steeds vruchtbaar thema van bespiegelingen. Astrofysici schrijven het toe aan de Oerknal; godsdienstigen aan een goddelijk besluit. Beide zijn gissingen, weinig overtuigend maar niet met elkaar in tegenspraak. Feitelijk kunnen beide juist zijn. Bij het begin van leven moet er eerst een drang ontstaan tot zijn, tot openbaring. De wil waaruit de drang voortkomt is een energie, een punt van bewustzijn dat aanzet tot uitbreiding; niet noodzakelijkerwijs een menselijk bewustzijn, maar één met een eigen karakteristieke aard en grootte. Alles wordt tot aanzijn geroepen door energie, die een structuur, een organisme opbouwt en een tijdlang leeft, totdat tenslotte de innerlijke kern van bewustzijn – die sommigen God noemen – de ziels- en levenskracht weer tot zich trekt, tot wat de godsdiensten de hemel noemen. Is die afwezig dan vervalt de structuur van het lichaam tot entropie en valt uiteen. Te zijner tijd zendt de bewuste kracht opnieuw een levensstraal uit, en om die te belichamen, vormt zich een nieuw organisme, opgebouwd uit de restanten van zijn vroegere schepping, en met de kenmerken van zijn vroegere aard.

In de mensen- en dierenwereld noemen we dit proces ‘reïncarnatie’, omdat onze lichamen van vlees (carne) zijn; andere levens belichamen zich in al die vormen en substanties die passen bij hun behoeften. Vanuit ons beperkt gezichtsveld kunnen we dit proces niet waarnemen in een heelal, al zien we wel dat sterren sterven en andere geboren worden. Misschien is de waargenomen uitdijing die, naar men gelooft, het gevolg is van de Oerknal hetzelfde als de straling die nog steeds wordt uitgezonden door de oorspronkelijke ‘Fiat lux!’: een uitstorting van leven door één klop van een kosmisch hart dat zich nu in de latere stadia van samentrekking bevindt, die na verloop van tijd gevolgd zal worden door het weer opgaan van zijn levensessenties in het grote onbekende hart van het Zijn. Dit heelal zou dan een periodieke herhaling zijn in een reeks. Het is niet belangrijk of we deze impuls van kosmisch leven een hartenklop noemen, een uitademing en inademing van Brahma, of dat we bijbelse termen gebruiken en ons de hemelen opgerold als een boekrol voorstellen. In al deze vinden we dezelfde gedachte terug: gebeurtenissen die op elkaar volgen, en die verbonden zijn door een karmische draad van oorzakelijkheid.

Als waarnemers bevinden we ons altijd in het midden van ons gezichtsveld. Dat geldt ook voor onze schaal van afmetingen. Waar we ook kijken, we zijn in het centrum van de kosmos, en wat afmeting betreft nemen we een plaats in ergens tussen galactische superclusters en de deeltjes in atoomkernen. Evenzo in termen van tijd en karma: geplaatst in het midden van de oneindige duur bevinden we ons op de top van ons gehele verleden en staan we tegenover een eeuwige toekomst. Dit is niet een eentonige opeenvolging van levens, maar een zeer gevarieerd herhalen van alle mogelijke ervaringen. Voortgekomen uit spirituele onschuld in de ochtend van de levensduur van onze planeet, hulden wij ons in ‘rokken van vellen’ – stoffelijke lichamen – en werden, na van de vruchten van de boom van kennis van goed en kwaad te hebben gegeten, zelfbewust evoluerende, verantwoordelijke zielen. Toen we niet langer willoos met de evolutiestroom meedreven, en met vallen en opstaan langzaam vorderden, begonnen we, toen we ons van ons menszijn eenmaal bewust werden, eisen te stellen aan de natuur, en de oogst binnen te halen van wat we geleidelijk hadden gezaaid. Het is onze plicht en onze glorie het doel dat we toen voor ons zagen na te streven en de volledige volmaking van de mensheid te bereiken. Omdat we onszelf kunnen bestuderen, onze gevoelens kunnen observeren, ons denken kunnen beheersen en onze motieven kunnen richten, scheppen we dagelijks onszelf overeenkomstig ons sterkste verlangen. Onedele behoeften leiden tot grotere honger en minder bevrediging; het streven naar een grotere mate van begrip van het levensweb waarvan we deel uitmaken, brengt ons een vreugdevol gevoel van eenheid met alles, van solidariteit met het hart van de natuur zelf. Het is geen verdienste goed te zijn als men niet slecht kan zijn, en er is geen verrijking van de ziel die niet zelfgewild is. We moeten fouten kunnen maken willen we groeien. Het feit dat we ze maken bewijst dat we de vrijheid daartoe bezitten, en al doende beperken we onze vrijheid door het karma dat eruit voortvloeit. We hebben daarom maar een geringe vrije wil, want hij wordt beperkt door de omstandigheden die we zelf hebben geschapen. Wat we al hebben gedaan kan misschien worden gewijzigd maar kan niet worden uitgewist. Dit geldt niet alleen voor gebeurtenissen, maar ook voor ons karakter en onze instelling ten opzichte van de gebeurtenissen. Wij scheppen in werkelijkheid ons toekomstige zelf.

In de oude traditionele kennis die in de Oud-Noorse godenverhalen doorschemert, wordt karma uitgebeeld door de nornen die voor goden en mensen de draden van het lot spinnen. Evenals de Griekse moiren zijn ze een drietal en worden hun kenmerken door hun namen aangeduid: de eerste is Urd, Oorsprong, of Oorzaak. Uit haar bron krijgt een van de drie wortels van de levensboom zijn water, want zij beschikt over het lot van ieder levend wezen. Ze bepaalt ook de plaats van de ziel in de rijken van de dood, en adviseert Alvader, die het godsgericht uitspreekt, opdat ieder de rust tussen zijn levens doorbrengt in omstandigheden die hij geheel zelf heeft voortgebracht. Dit zijn geen ‘hemelen’ of ‘hellen’ maar toestanden van herinnering die precies overeenkomen met wat men in het afgelopen leven heeft begeerd. De tweede norne draagt de naam Verdande, Worden: het is dat voorbijgaande moment waarin wat-nog-moet-zijn wordt tot wat-geweest-is. Hoogst belangrijk is het op te merken dat deze twee – het onherroepelijke verleden en het vergankelijke heden – de derde zuster scheppen, met de naam Skuld, Schuld: iets dat verschuldigd is en dat moet worden terugbetaald. Het zal niet gemakkelijk zijn een sprekender symbool voor de werking van karma te bedenken dan deze allegorie van de nornen, van wie de daden, of die ons bevallen of niet, even onontkoombaar en onverbiddelijk zijn voor de hoogste goden als voor de minste der schepselen. Maar de Oud-Noorse sage toont een nog fijnere nuancering: er huist een norne in iedere menselijke ziel: het is de spirituele leidsman, beschermengel, en inspirator in ieder van ons, die alle veranderingen, hoe gering ook, optekent in de loop van het leven. Die norne, onze onsterfelijke schakel met het universele Al, wordt Ásmegir, Godmaker, genoemd, en het is haar taak de menselijke ziel te helpen goddelijk te worden.

We kunnen altijd kiezen. Het staat ons vrij minderwaardige doeleinden na te streven, zodat de menselijke ego verschrompelt en zich terugtrekt in algehele eenzaamheid; of we kunnen onszelf geschikt maken om toe te treden tot de legers van het licht die de natuur bezielen met hun schoonheid en symmetrie en die ons wenken met een nimmer aflatend geduld. Als we denken aan de onmetelijkheid van de pelgrimstocht vanaf het begin van een wereld, die geboren wordt, tot de voltooiing van het weven en ontrafelen van de karmische draden van vele myriaden van levens, dan krijgen we een flauw vermoeden van de betekenis die beknopt in mythen en geschriften is vervat. Alleen de ziel die de beloning van zelfoverwinning heeft verdiend door de stoffelijke werelden te doorkruisen, kan uiteindelijk de kosmische structuur die ze helpt vormen, begrijpen en waarderen, en eenheid bereiken met de bron die universele wijsheid is.

 
Andere artikelen over karma
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1983

© 1983 Theosophical University Press Agency