Men kan het onderwerp karma van vele kanten bezien en wie zich eenmaal
serieus met de betekenis van het begrip gaat bezighouden, zal merken
dat als men erover nadenkt, het steeds ingewikkelder wordt. Men kan
het heel eenvoudig zeggen: iedere oorzaak heeft zijn bijbehorend gevolg,
dat vervolgens een oorzaak wordt die tot verdere gevolgen leidt –
een mooie, beknopte, rechtlijnige definitie.
Maar we leven niet langs een mooie rechte lijn. Zelfs stoffelijk heeft
onze wereld tenminste drie dimensies waarin energie zich bolvormig in
alle richtingen verspreidt. Vermenigvuldig dit met de verschillende
soorten energie die alleen wij mensen al aanwenden in ons denken, ons
handelen, onze creatieve impulsen; in ons zoeken naar kennis, sensaties
en inzichten en we kunnen ons voorstellen hoe zich vanuit ieder punt
van oorsprong in het heelal golven voortplanten, die overal waar de
rimpelingen elkaar snijden een ingewikkeld moiré- of interferentiepatroon
vormen. Hieruit volgt dat alles invloed heeft op al het andere, zodat
het geheel een enorm ingewikkeld web is, waarin iedere energiebron zich
voortdurend aan alle andere in haar omgeving aanpast en deze ook wijzigt.
Is de materiële wereld een netwerk van energieën in beweging,
de emotionele ‘pathosfeer’ die we bewonen is dat ook, en
datzelfde geldt voor de mentale wereld, waar gedachten worden uitgewisseld
en doorgegeven, om nog maar te zwijgen over de wereld van machtige spirituele
krachten die we soms in onze zuiverder momenten vluchtig beroeren. Alle
zijn beweging. En beweging is precies wat het woord karma betekent.
Hoe een zo omvangrijk complex van bewegingen begon is een steeds vruchtbaar
thema van bespiegelingen. Astrofysici schrijven het toe aan de Oerknal;
godsdienstigen aan een goddelijk besluit. Beide zijn gissingen, weinig
overtuigend maar niet met elkaar in tegenspraak. Feitelijk kunnen beide
juist zijn. Bij het begin van leven moet er eerst een drang ontstaan
tot zijn, tot openbaring. De wil waaruit de drang voortkomt is een energie,
een punt van bewustzijn dat aanzet tot uitbreiding; niet noodzakelijkerwijs
een menselijk bewustzijn, maar één met een eigen karakteristieke
aard en grootte. Alles wordt tot aanzijn geroepen door energie, die
een structuur, een organisme opbouwt en een tijdlang leeft, totdat tenslotte
de innerlijke kern van bewustzijn – die sommigen God noemen –
de ziels- en levenskracht weer tot zich trekt, tot wat de godsdiensten
de hemel noemen. Is die afwezig dan vervalt de structuur van het lichaam
tot entropie en valt uiteen. Te zijner tijd zendt de bewuste kracht
opnieuw een levensstraal uit, en om die te belichamen, vormt zich een
nieuw organisme, opgebouwd uit de restanten van zijn vroegere schepping,
en met de kenmerken van zijn vroegere aard.
In de mensen- en dierenwereld noemen we dit proces ‘reïncarnatie’,
omdat onze lichamen van vlees (carne) zijn; andere levens belichamen
zich in al die vormen en substanties die passen bij hun behoeften. Vanuit
ons beperkt gezichtsveld kunnen we dit proces niet waarnemen in een
heelal, al zien we wel dat sterren sterven en andere geboren worden.
Misschien is de waargenomen uitdijing die, naar men gelooft, het gevolg
is van de Oerknal hetzelfde als de straling die nog steeds wordt uitgezonden
door de oorspronkelijke ‘Fiat lux!’: een uitstorting van
leven door één klop van een kosmisch hart dat zich nu
in de latere stadia van samentrekking bevindt, die na verloop van tijd
gevolgd zal worden door het weer opgaan van zijn levensessenties in
het grote onbekende hart van het Zijn. Dit heelal zou dan een periodieke
herhaling zijn in een reeks. Het is niet belangrijk of we deze impuls
van kosmisch leven een hartenklop noemen, een uitademing en inademing
van Brahma, of dat we bijbelse termen gebruiken en ons de hemelen opgerold
als een boekrol voorstellen. In al deze vinden we dezelfde gedachte
terug: gebeurtenissen die op elkaar volgen, en die verbonden zijn door
een karmische draad van oorzakelijkheid.
Als waarnemers bevinden we ons altijd in het midden van ons gezichtsveld.
Dat geldt ook voor onze schaal van afmetingen. Waar we ook kijken, we
zijn in het centrum van de kosmos, en wat afmeting betreft nemen we
een plaats in ergens tussen galactische superclusters en de deeltjes
in atoomkernen. Evenzo in termen van tijd en karma: geplaatst in het
midden van de oneindige duur bevinden we ons op de top van ons gehele
verleden en staan we tegenover een eeuwige toekomst. Dit is niet een
eentonige opeenvolging van levens, maar een zeer gevarieerd herhalen
van alle mogelijke ervaringen. Voortgekomen uit spirituele onschuld
in de ochtend van de levensduur van onze planeet, hulden wij ons in
‘rokken van vellen’ – stoffelijke lichamen –
en werden, na van de vruchten van de boom van kennis van goed en kwaad
te hebben gegeten, zelfbewust evoluerende, verantwoordelijke zielen.
Toen we niet langer willoos met de evolutiestroom meedreven, en met
vallen en opstaan langzaam vorderden, begonnen we, toen we ons van ons
menszijn eenmaal bewust werden, eisen te stellen aan de natuur, en de
oogst binnen te halen van wat we geleidelijk hadden gezaaid. Het is
onze plicht en onze glorie het doel dat we toen voor ons zagen na te
streven en de volledige volmaking van de mensheid te bereiken. Omdat
we onszelf kunnen bestuderen, onze gevoelens kunnen observeren, ons
denken kunnen beheersen en onze motieven kunnen richten, scheppen we
dagelijks onszelf overeenkomstig ons sterkste verlangen. Onedele behoeften
leiden tot grotere honger en minder bevrediging; het streven naar een
grotere mate van begrip van het levensweb waarvan we deel uitmaken,
brengt ons een vreugdevol gevoel van eenheid met alles, van solidariteit
met het hart van de natuur zelf. Het is geen verdienste goed te zijn
als men niet slecht kan zijn, en er is geen verrijking van de ziel die
niet zelfgewild is. We moeten fouten kunnen maken willen we groeien.
Het feit dat we ze maken bewijst dat we de vrijheid daartoe bezitten,
en al doende beperken we onze vrijheid door het karma dat eruit voortvloeit.
We hebben daarom maar een geringe vrije wil, want hij wordt beperkt
door de omstandigheden die we zelf hebben geschapen. Wat we al hebben
gedaan kan misschien worden gewijzigd maar kan niet worden uitgewist.
Dit geldt niet alleen voor gebeurtenissen, maar ook voor ons karakter
en onze instelling ten opzichte van de gebeurtenissen. Wij scheppen
in werkelijkheid ons toekomstige zelf.
In de oude traditionele kennis die in de Oud-Noorse godenverhalen doorschemert,
wordt karma uitgebeeld door de nornen die voor goden en mensen de draden
van het lot spinnen. Evenals de Griekse moiren zijn ze een drietal en
worden hun kenmerken door hun namen aangeduid: de eerste is Urd,
Oorsprong, of Oorzaak. Uit haar bron krijgt een van de drie wortels
van de levensboom zijn water, want zij beschikt over het lot van ieder
levend wezen. Ze bepaalt ook de plaats van de ziel in de rijken van
de dood, en adviseert Alvader, die het godsgericht uitspreekt, opdat
ieder de rust tussen zijn levens doorbrengt in omstandigheden die hij
geheel zelf heeft voortgebracht. Dit zijn geen ‘hemelen’
of ‘hellen’ maar toestanden van herinnering die precies
overeenkomen met wat men in het afgelopen leven heeft begeerd. De tweede
norne draagt de naam Verdande, Worden: het is dat voorbijgaande
moment waarin wat-nog-moet-zijn wordt tot wat-geweest-is. Hoogst belangrijk
is het op te merken dat deze twee – het onherroepelijke verleden
en het vergankelijke heden – de derde zuster scheppen,
met de naam Skuld, Schuld: iets dat verschuldigd is en dat
moet worden terugbetaald. Het zal niet gemakkelijk zijn een sprekender
symbool voor de werking van karma te bedenken dan deze allegorie van
de nornen, van wie de daden, of die ons bevallen of niet, even onontkoombaar
en onverbiddelijk zijn voor de hoogste goden als voor de minste der
schepselen. Maar de Oud-Noorse sage toont een nog fijnere nuancering:
er huist een norne in iedere menselijke ziel: het is de spirituele leidsman,
beschermengel, en inspirator in ieder van ons, die alle veranderingen,
hoe gering ook, optekent in de loop van het leven. Die norne, onze onsterfelijke
schakel met het universele Al, wordt Ásmegir, Godmaker,
genoemd, en het is haar taak de menselijke ziel te helpen goddelijk
te worden.
We kunnen altijd kiezen. Het staat ons vrij minderwaardige doeleinden
na te streven, zodat de menselijke ego verschrompelt en zich terugtrekt
in algehele eenzaamheid; of we kunnen onszelf geschikt maken om toe
te treden tot de legers van het licht die de natuur bezielen met hun
schoonheid en symmetrie en die ons wenken met een nimmer aflatend geduld.
Als we denken aan de onmetelijkheid van de pelgrimstocht vanaf het begin
van een wereld, die geboren wordt, tot de voltooiing van het weven en
ontrafelen van de karmische draden van vele myriaden van levens, dan
krijgen we een flauw vermoeden van de betekenis die beknopt in mythen
en geschriften is vervat. Alleen de ziel die de beloning van zelfoverwinning
heeft verdiend door de stoffelijke werelden te doorkruisen, kan uiteindelijk
de kosmische structuur die ze helpt vormen, begrijpen en waarderen,
en eenheid bereiken met de bron die universele wijsheid is.