Erfelijkheid en reïncarnatie
John P. Van Mater

 

De meesten van ons die het woord erfelijkheid horen denken aan ouders die hun uiterlijk en karaktertrekken aan hun kinderen overdragen. Oscar heeft de neus van zijn vader, de oren van zijn moeder; of hij is even ernstig als oom Jan. In hoeverre dit waar is, is moeilijk te zeggen. Ongetwijfeld lijken veel kinderen op hun ouders, maar velen doen dat niet. Wat genialiteit of talenten betreft, die kunnen overal tevoorschijn komen. Wat moeten we dan geloven?

In de laatste drie of vier decennia zijn er drastische veranderingen opgetreden in de opvattingen over erfelijkheid. Het is vrij duidelijk dat er in de lagere rijken meer stoffelijke voorspelbaarheid voorkomt dan in de hogere en ook dat zij niet in even sterk uiteenlopende patronen uitdrukking geven aan bewustzijn en vrije wil als wij doen. Vandaar dat onderzoekers ertoe zijn gekomen te menen dat erfelijkheid het hele proces verklaart en dat, na tot de conclusie te zijn gekomen dat de lagere rijken in alle fasen worden beheerst door genetische overdracht van ouder naar kroost, het natuurlijk is om aan te nemen dat voor de mens hetzelfde geldt.

Maar als we denken aan de bijna oneindige verscheidenheid onder mensen, vooral in het innerlijk leven, dan zijn de mathematische mogelijkheden zo talrijk, dat de genetische voorspelbaarheid in individuele gevallen bijna nihil is. We moeten dus onze toevlucht nemen tot de statistiek. De overheersende theorie schijnt te zijn dat elk mens de uitdrukking is van bepaalde patronen van genen: de DNA mogelijkheden van de ouders combineren zich op bepaalde wijze, waardoor het totaal aan lichamelijke, mentale en emotionele gaven van het kind wordt bepaald. Het hele proces ‘ligt vast’ wanneer de kiemcel is bevrucht, en het is dit patroon in de oorspronkelijke cel die hem tot hem en haar tot haar maakt. Wanneer twee mensen een kind krijgen, is het de wijze waarop hun genen-spiralen of DNA potentieel samenkomen, waardoor het uiterlijk, het karakter en de gaven van hun kind worden bepaald. Het volgende kind van dezelfde ouders zal het gevolg zijn van geheel verschillende combinaties en kan dus in elk opzicht een geheel andere persoon zijn.

Het hele idee van dit lichamelijke determinisme komt voort uit bepaalde veronderstellingen. De eerste is dat de totale persoon een bijproduct is van genetische combinaties. Hij is daarom een aspect van de stof, maar wel een heel gecompliceerd aspect. Omdat er geen wetenschappelijk aanvaard bewijs bestaat voor het overleven van de ziel, neemt men aan dat het bewustzijn een flikkerende emanatie van het lichaam zelf is en dus met het lichaam sterft. Het enige dat overleeft is het kiemplasma dat ouders aan elk kind doorgeven. Dat plasma moet daarom alles bevatten wat nodig is om niet alleen het geslacht voort te zetten, bij wijze van spreken, maar ook de grote verscheidenheid aan talenten en uiterlijke kenmerken van dat geslacht. Daarom hebben biologen en genetici daaraan zoveel aandacht besteed. Het is de enige fysieke schakel tussen ouders en kinderen.

Maar juist hier ligt een onzekere factor. We weten niet hoe de DNA snoeren, of de genetische determinanten zullen combineren. Daarom weten we niet wat voor type mens er uit een bepaald ouderpaar geboren zal worden. Statistisch kan er misschien een soort voorspelbaarheid bestaan. Uit 100.000 gevallen van ouders in een zekere categorie, kan de meerderheid van het kroost, laten we zeggen, mentaal plus of min zijn. Aan de andere kant kan het vuur van het genie zich altijd voordoen, wie ook de ouders zijn.

Laten we nu de heel oude opvatting naar voren brengen dat de mens in de eerste plaats een bewustzijnscentrum is, een monade, die in de loop van vele reïncarnaties de mogelijkheden van de ziel of het ego tot ontplooiing brengt. In ieder leven is hij zichzelf, dat wil zeggen wat hij van zichzelf heeft gemaakt in vroegere levens, en op zijn reis door het leven maakt hij zich geleidelijk tot wat hij eens zal worden. Dit alles voltrekt zich door middel van oorzaak en gevolg of karma, waarop de intelligentie, de wil en gevoelens inwerken. Bij de mens voltrekken de veranderingen zich voor het grootste deel van binnen, op het terrein van talenten en het karakter. Ze zijn onzichtbaar, al kunnen deze innerlijke veranderingen zich in de loop van de tijd in het lichaam weerspiegelen, zo niet in dit leven dan in volgende levens, Maar de voornaamste stuwkracht in het leven van de mens is niet lichamelijk, wat wellicht verklaart waarom het menselijk lichaam (met uitzondering van de hersenen) in betrekkelijke zin niet-gespecialiseerd is.

Is de mogelijkheid dat een reïncarnerend wezen van leven tot leven voortbestaat in strijd met de wetenschappelijke theorie? In feite niet. Ze is alleen in conflict met het ‘niets anders dan’, dat, hoewel niet uitdrukkelijk verkondigd, wel wordt gesuggereerd in de wetenschappelijke theorie. De mens is ‘niets anders dan’ een ingewikkeld functionerend geheel van materie; ‘niets anders dan’ een emotioneel-mentale structuur op het stoffelijke gebaseerd, al is hij wel zo gecompliceerd dat we alle details nog niet kunnen vatten. Dit ‘niets anders dan’ is een wetenschappelijke theorie, geen wetenschappelijk feit. Er kunnen andere verklaringen worden bedacht om dezelfde feiten te verklaren en zolang ze alle feiten dekken, hebben ze hun waarde. Als er nieuwe feiten worden ontdekt die bepaalde theorieën weerspreken, wetenschappelijke of metafysische, dan moeten die theorieën natuurlijk worden gewijzigd.

Hoe past de gedachte van reïncarnatie van de ziel in de huidige wetenschappelijke speculaties over de verbinding van DNA-ketens in de bevruchte kiemcel? Ook theosofen hechten veel belang aan het kiemplasma. Het is inderdaad de enige lichamelijke overdracht van ouder op kind. Dat verklaart misschien waarom bijvoorbeeld de Grieken in hun verklaringen over de zich weer belichamende zielen, palingenesis opnamen. (De oude denkers kenden tenminste acht manieren van wederbelichaming om het komen en gaan van zielen te beschrijven.) Palingenesis heeft eenvoudig betrekking op de stoffelijke overdracht van identiek leven van ouder op kroost: een eik brengt een eikel voort, die op zijn beurt weer tot een eik uitgroeit.

Als de dood bij de mens intreedt, trekt het bewustzijn zich terug. Nadat de aardse elementen worden afgelegd, rust het hogere deel van de ziel in een droomwereld, waar de onvervulde aspiraties en gedachten uit het vorige leven worden geabsorbeerd en in vervulling gaan. Alles wordt in het wezen opgenomen, zodat de ziel in het volgende leven terugkeert, gewijzigd en verruimd, in verhouding tot de innerlijke krachten die het vorige leven of de vorige incarnatie beheersten. Een nog hoger deel van zijn wezen, noem het de Vader in ons zo u wilt, begeeft zich in de circulaties van de kosmos, die het terrein vormen van zijn grotere leven. Daarom zeiden de oude Romeinen van iemand die sterft, dat hij te midden van de sterren slaapt.

Tenslotte breekt voor het reïncarnerende ego de tijd aan voor wedergeboorte en dan beginnen de processen van incarnatie opnieuw. Een kind wordt aangetrokken tot die ouders waarmee het banden heeft, oude oorzaken die uitgewerkt moeten worden, en hij wordt bijna altijd geboren in zijn eigen familie-stroom, die zich uit het verleden voortzet. De ziel die geboren gaat worden, wordt karmisch aangetrokken tot een bepaald echtpaar. Ze zendt een overschaduwende invloed of straal uit, die tweevoudig van aard is: één aspect treedt de schoot van de moeder en het levende eitje binnen, het andere treedt in de vader en versterkt een bepaalde kiemcel. De aanstaande vader en moeder verenigen zich om een psychomagnetische schakel te vormen tussen het binnentredende ego en de ontwakende kiemcel. Er kunnen allerlei dingen gebeuren waardoor dit proces wordt afgebroken, in welk geval het ego een ander levensatoom moet overschaduwen en opnieuw aan het proces van wederbelichaming moet beginnen.

Welke plaats heeft de erfelijkheid hierin? Het reïncarnerende ego dat tot zijn toekomstige ouders wordt aangetrokken, kiest uit de voorraad genen die zij verschaffen datgene wat hemzelf tot uitdrukking brengt. Van toeval is geen sprake. Het kind erft dus in de eerste plaats – zichzelf. Hij erfde zijn zelf niet van zijn ouders. Hij bracht dat met zich mee, hij is dat zelf. Maar de ouders verschaften de genetische mogelijkheden waardoor hij al zijn bijzondere krachten en zwakheden, vermogens en talenten tot wederbelichaming kan brengen. Die kunnen overeenkomen met of verschillen van beide of één van de ouders; van groot belang is dat het DNA-patroon in de bevruchte kiemcel de unieke vermogens van de binnenkomende ziel weerspiegelt. Het zou ook nauwelijks anders kunnen, omdat dit patroon wordt gevormd door en opgebouwd rondom de incarnerende energieën die de veelzijdige persoon die geboren gaat worden, zo volledig mogelijk tot uitdrukking proberen te brengen.

Hoewel het hele proces door wetten wordt beheerst, is er van onze kant gezien geen sprake van absolute voorspelbaarheid, omdat de drijvende kracht of het bewustzijn van de zich wederbelichamende ziel niet kan worden waargenomen, behalve in de teweeggebrachte stoffelijke veranderingen. En wie weet van tevoren wat zijn bijzondere talenten en zwakheden kunnen zijn, of welk innerlijk en uiterlijk karma hem wacht.

Men kan de vraag stellen: ‘Waarom is het nodig de factor van de ziel erbij te halen?’ De feiten schijnen dat te rechtvaardigen voor hen die niet kunnen aannemen dat zo’n belangrijke gebeurtenis als het ter wereld brengen van een liefhebbend, lachend, sympathiek, strevend, begaafd menselijk wezen het resultaat kan zijn van combinaties die, overgelaten aan het toeval, evengoed een maniak of een zwakzinnige hadden kunnen voortbrengen. Ook kunnen velen niet geloven dat we niets anders zijn dan een aspect van de stof dat met het lichaam sterft, dat het hele leven niet meer inhoudt dan deze korte periode van streven en werken, waarna – er niets meer is. De mens en zijn zieleleven houden ongetwijfeld meer in dan dat.

 
Andere artikelen over reïncarnatie
 
Andere artikelen over biologie
 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1984

© 1984 Theosophical University Press Agency