De meesten van ons die het woord erfelijkheid horen denken aan ouders
die hun uiterlijk en karaktertrekken aan hun kinderen overdragen. Oscar
heeft de neus van zijn vader, de oren van zijn moeder; of hij is even
ernstig als oom Jan. In hoeverre dit waar is, is moeilijk te zeggen.
Ongetwijfeld lijken veel kinderen op hun ouders, maar velen doen dat
niet. Wat genialiteit of talenten betreft, die kunnen overal tevoorschijn
komen. Wat moeten we dan geloven?
In de laatste drie of vier decennia zijn er drastische veranderingen
opgetreden in de opvattingen over erfelijkheid. Het is vrij duidelijk
dat er in de lagere rijken meer stoffelijke voorspelbaarheid
voorkomt dan in de hogere en ook dat zij niet in even sterk uiteenlopende
patronen uitdrukking geven aan bewustzijn en vrije wil als wij doen.
Vandaar dat onderzoekers ertoe zijn gekomen te menen dat erfelijkheid
het hele proces verklaart en dat, na tot de conclusie te zijn gekomen
dat de lagere rijken in alle fasen worden beheerst door genetische overdracht
van ouder naar kroost, het natuurlijk is om aan te nemen dat voor de
mens hetzelfde geldt.
Maar als we denken aan de bijna oneindige verscheidenheid onder mensen,
vooral in het innerlijk leven, dan zijn de mathematische mogelijkheden
zo talrijk, dat de genetische voorspelbaarheid in individuele gevallen
bijna nihil is. We moeten dus onze toevlucht nemen tot de statistiek.
De overheersende theorie schijnt te zijn dat elk mens de uitdrukking
is van bepaalde patronen van genen: de DNA mogelijkheden van de ouders
combineren zich op bepaalde wijze, waardoor het totaal aan lichamelijke,
mentale en emotionele gaven van het kind wordt bepaald. Het hele proces
‘ligt vast’ wanneer de kiemcel is bevrucht, en het is dit
patroon in de oorspronkelijke cel die hem tot hem en haar tot haar maakt.
Wanneer twee mensen een kind krijgen, is het de wijze waarop hun genen-spiralen
of DNA potentieel samenkomen, waardoor het uiterlijk, het karakter en
de gaven van hun kind worden bepaald. Het volgende kind van dezelfde
ouders zal het gevolg zijn van geheel verschillende combinaties en kan
dus in elk opzicht een geheel andere persoon zijn.
Het hele idee van dit lichamelijke determinisme komt voort uit bepaalde
veronderstellingen. De eerste is dat de totale persoon een bijproduct
is van genetische combinaties. Hij is daarom een aspect van de stof,
maar wel een heel gecompliceerd aspect. Omdat er geen wetenschappelijk
aanvaard bewijs bestaat voor het overleven van de ziel, neemt men aan
dat het bewustzijn een flikkerende emanatie van het lichaam zelf is
en dus met het lichaam sterft. Het enige dat overleeft is het kiemplasma
dat ouders aan elk kind doorgeven. Dat plasma moet daarom alles bevatten
wat nodig is om niet alleen het geslacht voort te zetten, bij wijze
van spreken, maar ook de grote verscheidenheid aan talenten en uiterlijke
kenmerken van dat geslacht. Daarom hebben biologen en genetici daaraan
zoveel aandacht besteed. Het is de enige fysieke schakel tussen ouders
en kinderen.
Maar juist hier ligt een onzekere factor. We weten niet hoe de DNA
snoeren, of de genetische determinanten zullen combineren. Daarom weten
we niet wat voor type mens er uit een bepaald ouderpaar geboren zal
worden. Statistisch kan er misschien een soort voorspelbaarheid bestaan.
Uit 100.000 gevallen van ouders in een zekere categorie, kan de meerderheid
van het kroost, laten we zeggen, mentaal plus of min zijn. Aan de andere
kant kan het vuur van het genie zich altijd voordoen, wie ook de ouders
zijn.
Laten we nu de heel oude opvatting naar voren brengen dat de mens in
de eerste plaats een bewustzijnscentrum is, een monade, die in de loop
van vele reïncarnaties de mogelijkheden van de ziel of het ego
tot ontplooiing brengt. In ieder leven is hij zichzelf, dat wil zeggen
wat hij van zichzelf heeft gemaakt in vroegere levens, en op zijn reis
door het leven maakt hij zich geleidelijk tot wat hij eens zal worden.
Dit alles voltrekt zich door middel van oorzaak en gevolg of karma,
waarop de intelligentie, de wil en gevoelens inwerken. Bij de mens voltrekken
de veranderingen zich voor het grootste deel van binnen, op het terrein
van talenten en het karakter. Ze zijn onzichtbaar, al kunnen deze innerlijke
veranderingen zich in de loop van de tijd in het lichaam weerspiegelen,
zo niet in dit leven dan in volgende levens, Maar de voornaamste stuwkracht
in het leven van de mens is niet lichamelijk, wat wellicht verklaart
waarom het menselijk lichaam (met uitzondering van de hersenen) in betrekkelijke
zin niet-gespecialiseerd is.
Is de mogelijkheid dat een reïncarnerend wezen van leven tot leven
voortbestaat in strijd met de wetenschappelijke theorie? In feite niet.
Ze is alleen in conflict met het ‘niets anders dan’, dat,
hoewel niet uitdrukkelijk verkondigd, wel wordt gesuggereerd in de wetenschappelijke
theorie. De mens is ‘niets anders dan’ een ingewikkeld functionerend
geheel van materie; ‘niets anders dan’ een emotioneel-mentale
structuur op het stoffelijke gebaseerd, al is hij wel zo gecompliceerd
dat we alle details nog niet kunnen vatten. Dit ‘niets anders
dan’ is een wetenschappelijke theorie, geen wetenschappelijk feit.
Er kunnen andere verklaringen worden bedacht om dezelfde feiten te verklaren
en zolang ze alle feiten dekken, hebben ze hun waarde. Als er nieuwe
feiten worden ontdekt die bepaalde theorieën weerspreken, wetenschappelijke
of metafysische, dan moeten die theorieën natuurlijk worden gewijzigd.
Hoe past de gedachte van reïncarnatie van de ziel in de huidige
wetenschappelijke speculaties over de verbinding van DNA-ketens in de
bevruchte kiemcel? Ook theosofen hechten veel belang aan het kiemplasma.
Het is inderdaad de enige lichamelijke overdracht van ouder
op kind. Dat verklaart misschien waarom bijvoorbeeld de Grieken in hun
verklaringen over de zich weer belichamende zielen, palingenesis
opnamen. (De oude denkers kenden tenminste acht manieren van wederbelichaming
om het komen en gaan van zielen te beschrijven.) Palingenesis heeft
eenvoudig betrekking op de stoffelijke overdracht van identiek leven
van ouder op kroost: een eik brengt een eikel voort, die op zijn beurt
weer tot een eik uitgroeit.
Als de dood bij de mens intreedt, trekt het bewustzijn zich terug.
Nadat de aardse elementen worden afgelegd, rust het hogere deel van
de ziel in een droomwereld, waar de onvervulde aspiraties en gedachten
uit het vorige leven worden geabsorbeerd en in vervulling gaan. Alles
wordt in het wezen opgenomen, zodat de ziel in het volgende leven terugkeert,
gewijzigd en verruimd, in verhouding tot de innerlijke krachten die
het vorige leven of de vorige incarnatie beheersten. Een nog hoger deel
van zijn wezen, noem het de Vader in ons zo u wilt, begeeft zich in
de circulaties van de kosmos, die het terrein vormen van zijn
grotere leven. Daarom zeiden de oude Romeinen van iemand die sterft,
dat hij te midden van de sterren slaapt.
Tenslotte breekt voor het reïncarnerende ego de tijd aan voor
wedergeboorte en dan beginnen de processen van incarnatie opnieuw.
Een kind wordt aangetrokken tot die ouders waarmee het banden heeft,
oude oorzaken die uitgewerkt moeten worden, en hij wordt bijna altijd
geboren in zijn eigen familie-stroom, die zich uit het verleden voortzet.
De ziel die geboren gaat worden, wordt karmisch aangetrokken tot een
bepaald echtpaar. Ze zendt een overschaduwende invloed of straal uit,
die tweevoudig van aard is: één aspect treedt de schoot
van de moeder en het levende eitje binnen, het andere treedt in de vader
en versterkt een bepaalde kiemcel. De aanstaande vader en moeder verenigen
zich om een psychomagnetische schakel te vormen tussen het binnentredende
ego en de ontwakende kiemcel. Er kunnen allerlei dingen gebeuren waardoor
dit proces wordt afgebroken, in welk geval het ego een ander levensatoom
moet overschaduwen en opnieuw aan het proces van wederbelichaming moet
beginnen.
Welke plaats heeft de erfelijkheid hierin? Het reïncarnerende
ego dat tot zijn toekomstige ouders wordt aangetrokken, kiest uit de
voorraad genen die zij verschaffen datgene wat hemzelf tot
uitdrukking brengt. Van toeval is geen sprake. Het kind erft dus in
de eerste plaats – zichzelf. Hij erfde zijn zelf niet van zijn
ouders. Hij bracht dat met zich mee, hij is dat zelf. Maar de ouders
verschaften de genetische mogelijkheden waardoor hij al zijn bijzondere
krachten en zwakheden, vermogens en talenten tot wederbelichaming kan
brengen. Die kunnen overeenkomen met of verschillen van beide of één
van de ouders; van groot belang is dat het DNA-patroon in de bevruchte
kiemcel de unieke vermogens van de binnenkomende ziel weerspiegelt.
Het zou ook nauwelijks anders kunnen, omdat dit patroon wordt gevormd
door en opgebouwd rondom de incarnerende energieën die de veelzijdige
persoon die geboren gaat worden, zo volledig mogelijk tot uitdrukking
proberen te brengen.
Hoewel het hele proces door wetten wordt beheerst, is er van onze kant
gezien geen sprake van absolute voorspelbaarheid, omdat de drijvende
kracht of het bewustzijn van de zich wederbelichamende ziel niet kan
worden waargenomen, behalve in de teweeggebrachte stoffelijke veranderingen.
En wie weet van tevoren wat zijn bijzondere talenten en zwakheden
kunnen zijn, of welk innerlijk en uiterlijk karma hem wacht.
Men kan de vraag stellen: ‘Waarom is het nodig de factor van
de ziel erbij te halen?’ De feiten schijnen dat te rechtvaardigen
voor hen die niet kunnen aannemen dat zo’n belangrijke gebeurtenis
als het ter wereld brengen van een liefhebbend, lachend, sympathiek,
strevend, begaafd menselijk wezen het resultaat kan zijn van combinaties
die, overgelaten aan het toeval, evengoed een maniak of een zwakzinnige
hadden kunnen voortbrengen. Ook kunnen velen niet geloven dat we niets
anders zijn dan een aspect van de stof dat met het lichaam sterft, dat
het hele leven niet meer inhoudt dan deze korte periode van streven
en werken, waarna – er niets meer is. De mens en zijn zieleleven
houden ongetwijfeld meer in dan dat.