Toen dit enorme, ons omringende heelal zich ontplooide en tot aanzijn
kwam ‘terwijl de morgensterren samen zongen en alle kinderen Gods
jubelden,’ was er bestaan, geluid, beweging, bewustzijn. En die
zijn er nu nog.
Veel overleveringen schilderen de kosmos af als een levensboom, geworteld
in de grond van het goddelijke alzijn; zijn stam verheft zich door alle
gebieden van de ruimte en zijn takken dragen de sterrenstelsels en andere
levende hemellichamen. Iedere soort substantie is vertegenwoordigd,
vanaf de ijlste ademtocht van de geest tot de grofste soort materie.
Als delen van één wereld binnen een grotere wereld zijn
ook wij mensen levensbomen en onze vermogens en eigenschappen zijn die,
welke tot die grotere wereldboom behoren. Onze lichamen bestaan uit
de stof van de planeet waarop we leven en bevatten alle soorten scheikundige
stoffen die zij kan verschaffen. Onze fysieke vitaliteit en ons dierlijk
magnetisme zijn eveneens eigenschappen van de aarde en keren daarheen
terug wanneer we heengaan bij de dood. Dat geldt ook voor onze bijzondere
vorm en structuur, die zich gedurende lange tijd hebben ontwikkeld en
aangepast aan ons en aan onze aardse omgeving, om precies aan onze behoeften
te voldoen. Welke rol spelen we eigenlijk in het plan der dingen? Hebben
we in feite een zuiver menselijke taak te vervullen in de kosmos?
De mens is een heel ingewikkeld wezen; hoe ingewikkeld hij is vragen
we ons zelden af. Alleen al de stoffelijke vorm bevat een enorm ingewikkeld
netwerk van activiteiten die de circulatiesystemen en de zintuigen betreffen
en de willekeurige en onwillekeurige bewegingen. Toch weerspiegelt dit
organisme op de eenvoudigst mogelijke wijze de nog meer uiteenlopende
functies van de ziel. Wanneer we ons innerlijke wezen beginnen te bestuderen,
krijgen we te maken met kwesties die veel ingewikkelder zijn dan die
welke op de lichamelijke mens betrekking hebben. Hoe nemen we bijvoorbeeld
schoonheid waar, of welk ontastbaar contact maakt dat we onmiddellijk
reageren op de pijn van anderen? Wat brengt de geest in vervoering bij
een overtuigend betoog, of wat brengt onze gevoelens tot rust door stilte?
Godsdiensten spreken over de ziel, maar geven er geen verklaring van;
wat de geest betreft, dat is een mysterie dat al lange tijd in het Westen
wordt genegeerd bij gebrek aan een bevredigende definitie. Toch zijn
er gedachtestelsels die beide omvatten, en vele die een menselijk wezen
tot in nog meer bijzonderheden beschrijven.
Volgens de beschrijving in de Vedanta van India bestaat de menselijke
constitutie uit een aantal kosa’s of omhulsels, die het
geïndividualiseerde, eeuwige, universele Zelf omsluiten. Deze vijf
sluiers worden respectievelijk gevormd door ananda, zaligheid;
vijñana, onderscheidende intelligentie; manas,
denkvermogen; prana, levensadem, en door anna, voedsel.
Ze corresponderen met de vijf geaardheden van het heelal, die zich achtereenvolgens
uit de hoogste ontwikkelden: ether, lucht, vuur, water en aarde. Elk
van deze ‘elementen’ (toestanden van stof) bracht vanuit
zijn meest substantiële deel een van de waarnemingsvermogens voort:
uit ether ontstond het gehoor; uit adem (lucht) de tastzin; uit vuur
het zien, uit water de smaak, en uit aarde werd de reukzin geboren.
In andere filosofische stelsels worden weer andere methoden gebruikt
om het samengestelde menselijk wezen te beschrijven. De Oud-Noorse mythologie
zegt dat de menselijke vermogens door de goden zijn verschaft. Zoals
de bijbelse Adam naar het beeld van de elohim werd geschapen,
zo werden de Noorse mensen, die ‘met weinig vermogens op de aarde
werden aangetroffen’, door een drie-eenheid van goden met hun
eigen goddelijke eigenschappen begiftigd. Odin, de Alvader, schenkt
aan de menselijke levensbomen zijn adem, de geest die al het bestaande
onderhoudt. Zijn twee broedergoden, Höner en Lodur, voorzien hen
respectievelijk van het denk- of onderscheidingsvermogen, en de afstammingslijn
(genetische erfelijkheid) en de eigen aard – de unieke identiteit
die elk wezen kenmerkt. De fysieke eigenschappen – vitaliteit,
vorm en lichaamsbouw – hadden zij al, want deze behoren tot de
sfeer waar de belichaming plaatsvindt.
De theosofische leringen gebruiken een soortgelijke zevenvoudige verdeling
van ‘beginselen’; ze kunnen als volgt worden gespecificeerd:
1) de goddelijke monade, die één is met de universele
goddelijke essentie, en van die werkelijkheid niet te scheiden. Hieruit
emaneert
2) het spirituele of hogere zelf, onze ‘beschermengel’;
dit is de bron van ware intuïtie en inspiratie. Samen vormen deze
twee beginselen de geest, die ons het recht op onsterfelijkheid schenkt.
De geest bezielt
3) het zuiver menselijke deel van ons, het tweevoudige denkvermogen,
dat inspiratie van het hogere zelf ontvangt, en zich ook bezighoudt
met de zaken van dit aardse bestaan. Het kan zich verbinden met de dingen
waarmee het in aanraking komt; aan de ene kant zuivere wetenschap, kennis
en begrip dat op meeleven berust; anderzijds toegepaste technologie,
efficiëntie die vaak het eigenbelang dient. Het hogere denkvermogen
ontvangt zijn impulsen van de geest, die onpersoonlijk is en niet aan
de stof gehecht; het lagere, de ego met zijn bekende bindingen, wordt
sterk beïnvloed door
4) eerzucht, hartstochten, begeerten, driften, wil. Het is de drijfkracht
in onze constitutie, dat wat achter onze levensverrichtingen staat.
Hoewel de begeerte vaak op persoonlijke doeleinden is gericht, is ze
ook de kracht van de aspiratie en het verlangen naar verbetering. In
het prachtige bijbelverhaal van wat er gebeurde in de Hof van Gethsemane,
was de wil die werd opgeroepen die van de christus in de mens, terwijl
de persoonlijke wil daaraan ondergeschikt was. De beginselen van het
denken en begeren vormen samen de persoon zoals wij die kennen –
meneer X of mevrouw Y – met alle goede en slechte neigingen, die
we herkennen omdat wij ze ook hebben. Deze persoonlijkheid bezit
5) de fysieke vitaliteit die het lichaam leven schenkt tijdens zijn
verblijf op aarde, en werkt door middel van
6) het astrale lichaam, dat het model is waarnaar het fysieke lichaam
is gevormd, de plaats waar het fysieke bewustzijn en de gewaarwordingen
zetelen. Samen met
7) het fysieke organisme vormen deze laatste drie het drievoudige voertuig
van het leven, ons contact met de planeet aarde; zij zijn het sterfelijke
deel van ons.
Elk van de zeven beginselen die in de theosofie worden gespecificeerd,
wordt gezien als zevenvoudig en heeft in zich de eigenschappen die door
de zes andere meer ten volle tot uitdrukking worden gebracht. Dit kan
men zien in de gemengde emoties die we zo vaak ondergaan, en in de tegenstrijdige
motieven en voornemens in het menselijk gedrag, die voorkomen omdat
ieder afzonderlijk kenmerk ook deel heeft aan alle andere. Daarom is
het menselijke bewustzijn zo flexibel en veelzijdig.
Andere stelsels omschrijven de verschillende kenmerken van de menselijke
natuur op een andere manier: de meeste definities zijn nauwkeuriger
dan de eenvoudige drie-eenheid ‘lichaam-ziel-geest’. Maar
zelfs deze verdeling heeft een belangrijk kenmerk dat een nadere beschouwing
verdient: als we de meer volledige stelsels tot richtsnoer nemen, wordt
het duidelijk dat de drie aspecten van een menselijk wezen verschillende
ervaringen opdoen en verschillende bestemmingen hebben. Het lichaam
blijft, zoals we weten, slechts weinig langer leven dan de laatste hartslag
en het laatste vonkje hersenactiviteit; dat is het moment waarop de
bewoner vertrekt, wordt teruggetrokken uit het aardse leven en zijn
woning verlaat – die nog vol leven is, maar niet langer onderworpen
aan de magnetische kracht van de ego. De ziel, bevrijd van de band die
haar met de aarde verbond, vervolgt intussen de weg die ze, laag of
verheven, voor zichzelf heeft bereid. Verstrikt in het web van aardse
ervaringen, sterven sommige delen van de ziel tegelijk met het lichaam;
andere, die zich hebben verbonden met de onsterfelijke geest, verwerven
een grootser leven. Bovendien is er iets in ons dat eeuwig in zo verheven
sferen woont, dat onze gewone ziel die niet kent. Als er wordt gezegd
dat we goden zijn, dan wordt dit goddelijk-geboren zelf bedoeld; als
men zegt dat de mens sterfelijk is, dan is dat inderdaad juist voor
deze vergankelijke aardse vorm. Maar we zijn niet zo eenvoudig van structuur
dat men ondubbelzinnig kan zeggen dat een ziel sterfelijk of onsterfelijk
is. Wat wij kennen als ons zelf, beweegt zich tussen het eeuwige en
het tijdelijke, tussen onze bron – dimensieloos bewustzijn –
en onze samengestelde aardse structuur; we dienen dat wat we kiezen,
god of schaduw, en worden op onze beurt gediend door de werkelijkheid
daarvan, hetzij kortstondig of schijnbaar eindeloos.
Zoals de aarde ons aardse lichaam voorziet van zijn scheikundige elementen,
vitaliteit en vorm, zo ontlenen we aan de natuur de meer etherische
substanties voor de bouw van de ziel, die de vorm tot leven brengt,
en we gebruiken deze contacten om inzicht te krijgen in de wereld waarin
we leven. Ze stellen ons in staat materiële dingen te zien en ermee
om te gaan, over wereldse zaken na te denken en praktische besluiten
te nemen. Maar toch zijn deze vermogens slechts een zwakke echo van
onze geest, onze innerlijke werkelijkheid, die de onvoorwaardelijk onsterfelijke
essentie is – de eerste verheven uitstraling van het goddelijke
– zowel in de natuur als in de mens.
Is het heelal dat ons omringt, waarin we leven, ons bewegen en ons
hele bestaan hebben, niet meer dan een eenvoudige stoffelijke constructie,
die geen andere eigenschappen bezit dan die welke langs fysieke weg
kunnen worden gemeten? Zo ja, wat doen we dan hier? Uit het oorspronkelijke
enkelvoudige, het kosmische dimensieloze punt – dat in de hindoefilosofie
bekend is als Brahman, ‘het uitdijende’, en in de moderne
astrofysica als de grote knal – kwam alles wat in ons kosmische
stelsel bestaat tot aanzijn. Dat moet ook de vermogens omvatten waarop
wij mensen ons beroemen: intelligentie, kunstzinnigheid, creativiteit,
inspiratie, het vermogen zich in te leven in de gevoelens van anderen,
zich voorstellingen te maken – beelden te vormen met het oog van
de geest – en uitdrukking te geven aan wat we waarnemen. De veronderstelling
dat we deze vermogens bezitten zonder dat ze in de kosmos aanwezig zijn
is absurd. We zijn aanwezig in de kosmos. Welke grootsere vormen van
waarneming bij ruimere levenssferen behoren, kunnen we ons nu nog niet
voorstellen, maar is er enige reden waarom onze toekomst niet die vooruitzichten
zal bieden die ons nu fantastisch toeschijnen? En hebben we, met onze
inzichten en menselijke genialiteit, zelfs niet nu al een taak in een
onwaarneembaar goddelijk plan, dat zonder ons verijdeld zou kunnen worden?
We moeten aan meer dan vormen en uiterlijkheden denken, als we willen
weten wat onze plaats is in het universele geheel, en welke taak we
moeten vervullen in een kosmos of geordend heelal. Omdat wij overeenkomsten
aantreffen tussen onze eigen kleine persoonlijkheid en de wijdsere sfeer,
kunnen we aannemen dat we onmisbaar zijn – een intrinsiek deel
van het kosmische leven, en evenzeer geworteld in de essentie daarvan
als onze eigen gedachten en gevoelens, onze vreugde en verdriet, onze
talenten en krachten in ons zijn geworteld. De rol die we spelen kan
onbetekenend lijken, maar ze kan niet door een ander worden gespeeld.
Iedereen is uniek en bezit een combinatie van eigenschappen die nergens
precies haar evenbeeld heeft, hoeveel we ook op elkaar mogen lijken.
Belangrijker is dat we dat weten. We zijn ons bewust van onze uniekheid;
of we op onszelf gesteld zijn of onszelf geringschatten, wij zijn de
enige kenners van onze ziel en niemand kan ons ooit van de verantwoordelijkheid
ontheffen, die we dragen voor de gedachten, woorden en daden, die hun
oorsprong vinden in onze begeerten en onze wil. Het is ons voorrecht
als mens onszelf te kennen.
Het heelal wordt ongetwijfeld in een nog grootsere sfeer geboren; ons
zonnestelsel is er een deel van, onze planeet en de andere planeten
vormen zijn organen; elk is uniek, toch werken alle met elkaar om de
functies te verrichten die van organen in een dergelijk organisme vereist
zijn. Door al zijn ruimten stromen de levens van zijn constitutie, en
elk verricht zijn eigen taak – een taak vergelijkbaar met die
welke het bloed, de zenuwen en lymfen in de onze verrichten en alle
voeren met zich de krachten en vermogens van de ziel, het denken en
de geest. Terwijl het zonnehart klopt met vele slagen en vibreert als
een klinkende klok in de ruimte, bewegen de vitale stromen van levens
zich in een ritmische cadans door de kristallijne bollen van onzichtbare
stof. Zijn verschillende beginselen doen de onze ontstaan: als we denken,
weerspiegelen we in het klein de denkkracht van de zon; als we vreugde,
geestdrift en liefde voelen, weerspiegelen we in het klein de machtige
kracht van de goden, die werelden tot aanzijn brengen en deze, verzadigd
van kennis en een steeds bredere visie, weer in zich opnemen.