De menselijke kosmos
Elsa-Brita Titchenell

 

Toen dit enorme, ons omringende heelal zich ontplooide en tot aanzijn kwam ‘terwijl de morgensterren samen zongen en alle kinderen Gods jubelden,’ was er bestaan, geluid, beweging, bewustzijn. En die zijn er nu nog.

Veel overleveringen schilderen de kosmos af als een levensboom, geworteld in de grond van het goddelijke alzijn; zijn stam verheft zich door alle gebieden van de ruimte en zijn takken dragen de sterrenstelsels en andere levende hemellichamen. Iedere soort substantie is vertegenwoordigd, vanaf de ijlste ademtocht van de geest tot de grofste soort materie.

Als delen van één wereld binnen een grotere wereld zijn ook wij mensen levensbomen en onze vermogens en eigenschappen zijn die, welke tot die grotere wereldboom behoren. Onze lichamen bestaan uit de stof van de planeet waarop we leven en bevatten alle soorten scheikundige stoffen die zij kan verschaffen. Onze fysieke vitaliteit en ons dierlijk magnetisme zijn eveneens eigenschappen van de aarde en keren daarheen terug wanneer we heengaan bij de dood. Dat geldt ook voor onze bijzondere vorm en structuur, die zich gedurende lange tijd hebben ontwikkeld en aangepast aan ons en aan onze aardse omgeving, om precies aan onze behoeften te voldoen. Welke rol spelen we eigenlijk in het plan der dingen? Hebben we in feite een zuiver menselijke taak te vervullen in de kosmos?

De mens is een heel ingewikkeld wezen; hoe ingewikkeld hij is vragen we ons zelden af. Alleen al de stoffelijke vorm bevat een enorm ingewikkeld netwerk van activiteiten die de circulatiesystemen en de zintuigen betreffen en de willekeurige en onwillekeurige bewegingen. Toch weerspiegelt dit organisme op de eenvoudigst mogelijke wijze de nog meer uiteenlopende functies van de ziel. Wanneer we ons innerlijke wezen beginnen te bestuderen, krijgen we te maken met kwesties die veel ingewikkelder zijn dan die welke op de lichamelijke mens betrekking hebben. Hoe nemen we bijvoorbeeld schoonheid waar, of welk ontastbaar contact maakt dat we onmiddellijk reageren op de pijn van anderen? Wat brengt de geest in vervoering bij een overtuigend betoog, of wat brengt onze gevoelens tot rust door stilte? Godsdiensten spreken over de ziel, maar geven er geen verklaring van; wat de geest betreft, dat is een mysterie dat al lange tijd in het Westen wordt genegeerd bij gebrek aan een bevredigende definitie. Toch zijn er gedachtestelsels die beide omvatten, en vele die een menselijk wezen tot in nog meer bijzonderheden beschrijven.

Volgens de beschrijving in de Vedanta van India bestaat de menselijke constitutie uit een aantal kosa’s of omhulsels, die het geïndividualiseerde, eeuwige, universele Zelf omsluiten. Deze vijf sluiers worden respectievelijk gevormd door ananda, zaligheid; vijñana, onderscheidende intelligentie; manas, denkvermogen; prana, levensadem, en door anna, voedsel. Ze corresponderen met de vijf geaardheden van het heelal, die zich achtereenvolgens uit de hoogste ontwikkelden: ether, lucht, vuur, water en aarde. Elk van deze ‘elementen’ (toestanden van stof) bracht vanuit zijn meest substantiële deel een van de waarnemingsvermogens voort: uit ether ontstond het gehoor; uit adem (lucht) de tastzin; uit vuur het zien, uit water de smaak, en uit aarde werd de reukzin geboren. In andere filosofische stelsels worden weer andere methoden gebruikt om het samengestelde menselijk wezen te beschrijven. De Oud-Noorse mythologie zegt dat de menselijke vermogens door de goden zijn verschaft. Zoals de bijbelse Adam naar het beeld van de elohim werd geschapen, zo werden de Noorse mensen, die ‘met weinig vermogens op de aarde werden aangetroffen’, door een drie-eenheid van goden met hun eigen goddelijke eigenschappen begiftigd. Odin, de Alvader, schenkt aan de menselijke levensbomen zijn adem, de geest die al het bestaande onderhoudt. Zijn twee broedergoden, Höner en Lodur, voorzien hen respectievelijk van het denk- of onderscheidingsvermogen, en de afstammingslijn (genetische erfelijkheid) en de eigen aard – de unieke identiteit die elk wezen kenmerkt. De fysieke eigenschappen – vitaliteit, vorm en lichaamsbouw – hadden zij al, want deze behoren tot de sfeer waar de belichaming plaatsvindt.

De theosofische leringen gebruiken een soortgelijke zevenvoudige verdeling van ‘beginselen’; ze kunnen als volgt worden gespecificeerd:

1) de goddelijke monade, die één is met de universele goddelijke essentie, en van die werkelijkheid niet te scheiden. Hieruit emaneert

2) het spirituele of hogere zelf, onze ‘beschermengel’; dit is de bron van ware intuïtie en inspiratie. Samen vormen deze twee beginselen de geest, die ons het recht op onsterfelijkheid schenkt. De geest bezielt

3) het zuiver menselijke deel van ons, het tweevoudige denkvermogen, dat inspiratie van het hogere zelf ontvangt, en zich ook bezighoudt met de zaken van dit aardse bestaan. Het kan zich verbinden met de dingen waarmee het in aanraking komt; aan de ene kant zuivere wetenschap, kennis en begrip dat op meeleven berust; anderzijds toegepaste technologie, efficiëntie die vaak het eigenbelang dient. Het hogere denkvermogen ontvangt zijn impulsen van de geest, die onpersoonlijk is en niet aan de stof gehecht; het lagere, de ego met zijn bekende bindingen, wordt sterk beïnvloed door

4) eerzucht, hartstochten, begeerten, driften, wil. Het is de drijfkracht in onze constitutie, dat wat achter onze levensverrichtingen staat. Hoewel de begeerte vaak op persoonlijke doeleinden is gericht, is ze ook de kracht van de aspiratie en het verlangen naar verbetering. In het prachtige bijbelverhaal van wat er gebeurde in de Hof van Gethsemane, was de wil die werd opgeroepen die van de christus in de mens, terwijl de persoonlijke wil daaraan ondergeschikt was. De beginselen van het denken en begeren vormen samen de persoon zoals wij die kennen – meneer X of mevrouw Y – met alle goede en slechte neigingen, die we herkennen omdat wij ze ook hebben. Deze persoonlijkheid bezit

5) de fysieke vitaliteit die het lichaam leven schenkt tijdens zijn verblijf op aarde, en werkt door middel van

6) het astrale lichaam, dat het model is waarnaar het fysieke lichaam is gevormd, de plaats waar het fysieke bewustzijn en de gewaarwordingen zetelen. Samen met

7) het fysieke organisme vormen deze laatste drie het drievoudige voertuig van het leven, ons contact met de planeet aarde; zij zijn het sterfelijke deel van ons.

Elk van de zeven beginselen die in de theosofie worden gespecificeerd, wordt gezien als zevenvoudig en heeft in zich de eigenschappen die door de zes andere meer ten volle tot uitdrukking worden gebracht. Dit kan men zien in de gemengde emoties die we zo vaak ondergaan, en in de tegenstrijdige motieven en voornemens in het menselijk gedrag, die voorkomen omdat ieder afzonderlijk kenmerk ook deel heeft aan alle andere. Daarom is het menselijke bewustzijn zo flexibel en veelzijdig.

Andere stelsels omschrijven de verschillende kenmerken van de menselijke natuur op een andere manier: de meeste definities zijn nauwkeuriger dan de eenvoudige drie-eenheid ‘lichaam-ziel-geest’. Maar zelfs deze verdeling heeft een belangrijk kenmerk dat een nadere beschouwing verdient: als we de meer volledige stelsels tot richtsnoer nemen, wordt het duidelijk dat de drie aspecten van een menselijk wezen verschillende ervaringen opdoen en verschillende bestemmingen hebben. Het lichaam blijft, zoals we weten, slechts weinig langer leven dan de laatste hartslag en het laatste vonkje hersenactiviteit; dat is het moment waarop de bewoner vertrekt, wordt teruggetrokken uit het aardse leven en zijn woning verlaat – die nog vol leven is, maar niet langer onderworpen aan de magnetische kracht van de ego. De ziel, bevrijd van de band die haar met de aarde verbond, vervolgt intussen de weg die ze, laag of verheven, voor zichzelf heeft bereid. Verstrikt in het web van aardse ervaringen, sterven sommige delen van de ziel tegelijk met het lichaam; andere, die zich hebben verbonden met de onsterfelijke geest, verwerven een grootser leven. Bovendien is er iets in ons dat eeuwig in zo verheven sferen woont, dat onze gewone ziel die niet kent. Als er wordt gezegd dat we goden zijn, dan wordt dit goddelijk-geboren zelf bedoeld; als men zegt dat de mens sterfelijk is, dan is dat inderdaad juist voor deze vergankelijke aardse vorm. Maar we zijn niet zo eenvoudig van structuur dat men ondubbelzinnig kan zeggen dat een ziel sterfelijk of onsterfelijk is. Wat wij kennen als ons zelf, beweegt zich tussen het eeuwige en het tijdelijke, tussen onze bron – dimensieloos bewustzijn – en onze samengestelde aardse structuur; we dienen dat wat we kiezen, god of schaduw, en worden op onze beurt gediend door de werkelijkheid daarvan, hetzij kortstondig of schijnbaar eindeloos.

Zoals de aarde ons aardse lichaam voorziet van zijn scheikundige elementen, vitaliteit en vorm, zo ontlenen we aan de natuur de meer etherische substanties voor de bouw van de ziel, die de vorm tot leven brengt, en we gebruiken deze contacten om inzicht te krijgen in de wereld waarin we leven. Ze stellen ons in staat materiële dingen te zien en ermee om te gaan, over wereldse zaken na te denken en praktische besluiten te nemen. Maar toch zijn deze vermogens slechts een zwakke echo van onze geest, onze innerlijke werkelijkheid, die de onvoorwaardelijk onsterfelijke essentie is – de eerste verheven uitstraling van het goddelijke – zowel in de natuur als in de mens.

Is het heelal dat ons omringt, waarin we leven, ons bewegen en ons hele bestaan hebben, niet meer dan een eenvoudige stoffelijke constructie, die geen andere eigenschappen bezit dan die welke langs fysieke weg kunnen worden gemeten? Zo ja, wat doen we dan hier? Uit het oorspronkelijke enkelvoudige, het kosmische dimensieloze punt – dat in de hindoefilosofie bekend is als Brahman, ‘het uitdijende’, en in de moderne astrofysica als de grote knal – kwam alles wat in ons kosmische stelsel bestaat tot aanzijn. Dat moet ook de vermogens omvatten waarop wij mensen ons beroemen: intelligentie, kunstzinnigheid, creativiteit, inspiratie, het vermogen zich in te leven in de gevoelens van anderen, zich voorstellingen te maken – beelden te vormen met het oog van de geest – en uitdrukking te geven aan wat we waarnemen. De veronderstelling dat we deze vermogens bezitten zonder dat ze in de kosmos aanwezig zijn is absurd. We zijn aanwezig in de kosmos. Welke grootsere vormen van waarneming bij ruimere levenssferen behoren, kunnen we ons nu nog niet voorstellen, maar is er enige reden waarom onze toekomst niet die vooruitzichten zal bieden die ons nu fantastisch toeschijnen? En hebben we, met onze inzichten en menselijke genialiteit, zelfs niet nu al een taak in een onwaarneembaar goddelijk plan, dat zonder ons verijdeld zou kunnen worden? We moeten aan meer dan vormen en uiterlijkheden denken, als we willen weten wat onze plaats is in het universele geheel, en welke taak we moeten vervullen in een kosmos of geordend heelal. Omdat wij overeenkomsten aantreffen tussen onze eigen kleine persoonlijkheid en de wijdsere sfeer, kunnen we aannemen dat we onmisbaar zijn – een intrinsiek deel van het kosmische leven, en evenzeer geworteld in de essentie daarvan als onze eigen gedachten en gevoelens, onze vreugde en verdriet, onze talenten en krachten in ons zijn geworteld. De rol die we spelen kan onbetekenend lijken, maar ze kan niet door een ander worden gespeeld. Iedereen is uniek en bezit een combinatie van eigenschappen die nergens precies haar evenbeeld heeft, hoeveel we ook op elkaar mogen lijken. Belangrijker is dat we dat weten. We zijn ons bewust van onze uniekheid; of we op onszelf gesteld zijn of onszelf geringschatten, wij zijn de enige kenners van onze ziel en niemand kan ons ooit van de verantwoordelijkheid ontheffen, die we dragen voor de gedachten, woorden en daden, die hun oorsprong vinden in onze begeerten en onze wil. Het is ons voorrecht als mens onszelf te kennen.

Het heelal wordt ongetwijfeld in een nog grootsere sfeer geboren; ons zonnestelsel is er een deel van, onze planeet en de andere planeten vormen zijn organen; elk is uniek, toch werken alle met elkaar om de functies te verrichten die van organen in een dergelijk organisme vereist zijn. Door al zijn ruimten stromen de levens van zijn constitutie, en elk verricht zijn eigen taak – een taak vergelijkbaar met die welke het bloed, de zenuwen en lymfen in de onze verrichten en alle voeren met zich de krachten en vermogens van de ziel, het denken en de geest. Terwijl het zonnehart klopt met vele slagen en vibreert als een klinkende klok in de ruimte, bewegen de vitale stromen van levens zich in een ritmische cadans door de kristallijne bollen van onzichtbare stof. Zijn verschillende beginselen doen de onze ontstaan: als we denken, weerspiegelen we in het klein de denkkracht van de zon; als we vreugde, geestdrift en liefde voelen, weerspiegelen we in het klein de machtige kracht van de goden, die werelden tot aanzijn brengen en deze, verzadigd van kennis en een steeds bredere visie, weer in zich opnemen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1984

© 1984 Theosophical University Press Agency