De dood wacht me nu
Als de loop van een stromende rivier. . . .
De dood wacht me nu
Zoals een man verlangt zijn huis te zien
Na jaren gevangen te zijn geweest.
Er gaat een grote aantrekkingskracht uit van deze oude Egyptische hymne,
een lofzang op de dood – het aanvaarden van de dingen zoals ze
zijn en het onder ogen zien van de dood zoals men uitziet naar het aanbreken
van een nieuwe dag. De ziel wordt aangetrokken tot haar spirituele ‘thuis’,
meegevoerd langs de innerlijke stromen van het leven, als een schip
met volle zeilen, en als een stromende rivier – de loop van de
stroom, mits goed bevaren, symboliseert het avontuur van de dood als
een gewoonte van eeuwen.
De dood raakt ons allen, brengt verdriet en soms tragiek met zich,
en hoe en wanneer het ook gebeurt, we zijn er nooit helemaal op voorbereid.
Toch komt er na het pijnlijke gevoel van verlies geleidelijk een besef
van innerlijke vrede en weten we dat alles goed is. De pijn schijnt
een van de wakker roepende levenservaringen te zijn, die ons medeleven
met het leed van anderen vergroot. Met het verstrijken van de tijd blijft
alles wat we in de ander liefhadden en waarvan we genoten, voortleven
in de herinnering en in het hart, zoals de schoonheid, de geur en kleur
van een roos ons bijblijft. Er is in feite op de innerlijke gebieden
geen scheiding van hen die we liefhebben, want ware liefde is blijvend.
Het hele proces van dood en wedergeboorte is veel vertrouwder dan we
willen toegeven, want het is iets dat we allen gemeen hebben. Geboorte
en dood zijn fundamentele aspecten van het leven, zoals waken en slapen
in onze dagelijkse cyclus, en activiteit en rust in de hele natuur zijn.
Er kan geen geboorte zijn zonder dood en geen dood zonder geboorte.
Een zaad moet sterven opdat zijn energie een plant kan worden; de winter,
het seizoen van schijnbare dood, is een tijd waarin het leven zich in
het onzichtbare terugtrekt: zaden, bollen en wortelstokken sluimeren
in de grond; de levenskracht van loofbomen trekt zich terug in de stam
en het wortelstelsel. In de winter van het menselijk leven wendt het
bewustzijn zich geleidelijk af van wereldse zaken en treedt andere gebieden
binnen als voorbereiding op het avontuur van de dood – een andere
geboorte. Te zijner tijd komt de lente, het seizoen van geboorte en
vernieuwing, die het geloof in de onsterfelijkheid en in de goddelijke
continuïteit van alles bevestigt.
Dit roept de vraag op, wat bedoelen we met leven? Wat is het vuur van
bezieling in een mens dat even plotseling verdwijnt wanneer de laatste
adem wordt uitgeblazen als het licht van een kaars die wordt gedoofd?
We kunnen het leven stellig niet onderzoeken in een reageerbuisje en
we kunnen het ook niet zien. We zien alleen de uitingen ervan en soms
zelfs die nauwelijks. Het protoplasma, het essentiële element in
het leven van de cel, grenst aan het onbekende. Donald Culross Peattie
noemt het een bijna onzichtbare substantie, die ‘de vinger van
onsterfelijke macht aanraakt’. Het leven kan niet geschapen of
vernietigd worden, want de essentie ervan is die van de geest. Het hart
van het leven is die goddelijke vlam die alles verlicht en eeuwig voortleeft.
De natuur maakt nooit plotselinge sprongen, al lijkt dit soms het geval
te zijn. Wij zijn een deel van het grote uurwerk van de kosmos, bewegen
mee met zijn ritmen, ondanks onszelf, en er is een seizoen en ‘een
tijd voor alles onder de hemel’. We sterven bijvoorbeeld een korte
dood, telkens als we slapen. Als we naar bed gaan en gewillig ons dagelijks
bewustzijn achterlaten, ons overgeven aan het onzichtbare rijk dat ons
wacht, bereiden we ons voor op de meer volledige slaap die de dood is.
Als we de droomwereld achter ons laten bij het ontwaken, openen we de
weg voor de terugreis naar de aarde. Zowel in de slaap als in de dood,
waarin het persoonlijke zelf niet de leiding heeft, domineert het hogere
zelf, onze ‘Vader in het verborgene’. Waar we heengaan in
een gezonde slaap is een mysterie, want we kunnen ons niet herinneren
waar we zijn geweest. Toch ontwaken we, althans vaak, met het gevoel
innerlijk te zijn verfrist, alsof ons bewustzijn de vrijheid had door
de sterrenruimten te reizen. Is het niet merkwaardig dat we in de slaap
ons persoonlijk bewustzijn verliezen en dat toch het besef van onze
identiteit in onze dromen net zo doorgaat als in de wakende toestand?
Nog merkwaardiger is het feit dat deze identiteit van leven tot leven
wordt overgebracht. We worden geboren met een besef van wie we zijn,
niet intellectueel, maar met een gevoel van innerlijke continuïteit
in het hele leven, hoewel we uiterlijk voortdurend veranderen. In de
slaap en na de dood zijn we onszelf, en de ervaringen die men heeft
verschillen van die van anderen, al naar gelang van de kwaliteit van
onze gedachten en gevoelens.
Als we sterven wordt de gouden levensdraad die onze verschillende elementen
verenigt en ons met deze wereld verbindt, verbroken en ieder aspect
van ons wordt aangetrokken tot waar het van nature thuishoort. De atomen
van ons lichaam bijvoorbeeld gaan naar deze aarde, terwijl het hoogste
zelf zich tussen de sterren beweegt. De ziel of het reïncarnerende
ego verbreekt geleidelijk de banden met onze astrale, vitale, lagere
mentale en begeerte aspecten, die hun eigen weg gaan. Alleen het zuiverste
en hoogste van zijn energieën blijft bij ons en treedt een droomtoestand
binnen, waarin onze hoogste aspiraties worden vervuld. Terwijl het reïncarnerende
ego deze periode van rust doormaakt, is hij opgenomen in het hoogste
of goddelijke zelf, dat zijn reis volbrengt door de onzichtbare werelden
van ons zonnestelsel.
Wanneer de dood intreedt, krijgen we een panoramisch beeld van het
juist geëindigde leven, wat ons de reden onthult van het patroon
van de gebeurtenissen. In deze objectieve terugblik worden we door ons
hogere zelf, dat zowel in de dood als in het leven onze metgezel is,
geholpen de kracht en de zwakheid te herkennen van de beslissingen die
we in het leven hebben genomen. Sommige van de eerste ervaringen na
de dood zijn bevestigd door mensen van verschillende geloofsrichtingen,
die ‘gestorven’ waren, maar weer tot leven werden gewekt.
Velen hebben deze panoramische terugblik ervaren en spreken over een
wezen van licht, warm en vriendelijk, wiens invloed wordt gevoeld, hoewel
er geen woorden worden gesproken. Volgens de theosofie vindt er een
tweede terugblik plaats juist voordat de ziel de toestand van zegenrijke
rust en vervulling ingaat.
Als de ervaringen na de dood hun einde naderen, roert er zich iets
in de ziel, waardoor ze opnieuw naar de aarde wordt getrokken, en dan
begint het mysterie van de menselijke geboorte. Voordat een straal van
het reïncarnerende ego de moederschoot binnengaat, na de hemel
wereld te hebben verlaten, verschijnt een herinneringsbeeld van het
vorige leven en een vluchtige blik op de aard van het karma voor het
leven dat gaat beginnen, waardoor het verband tussen het verleden en
de toekomst duidelijk wordt. Het reïncarnerende ego vindt zijn
weg terug door de verschillende gebieden van zijn, naar deze stoffelijke
wereld, en de prachtige droomwereld die hij nog maar kort geleden heeft
verlaten, kan het kind in de eerste levensjaren bijblijven. ‘De
hemel is bij ons in onze kindertijd’, zoals Wordsworth intuïtief
zegt. Heel geleidelijk begint het ego vollediger op aarde te incarneren
en neemt hij de draden van vroeger weer op.
Alle geboorte vindt plaats vanuit het onzichtbare in het zichtbare
en het wordingsproces is in feite de geschiedenis in het klein van de
schepping van een wereld. Een tijdschriftartikel over het wetenschappelijk
onderzoek naar het begin van menselijk leven begon met de gedachte:
‘Als pasgeborenen herinnering bezaten en konden spreken, zouden
zij uit de moederschoot komen met verhalen die even wonderbaarlijk zijn
als die van Homerus. . . . Zij zouden vertellen over cellen die uit
het in wording zijnde ruggenmerg zwermen om zich te vestigen in de uithoeken
van het embryo om het gezicht, het hoofd en de klieren te helpen vormen.
De explosie van een zo samengesteld en ordelijk geheel – een hart
dat klopt, benen die lopen en hersenen die sterk genoeg zijn om over
de eigen oorsprong na te denken – lijkt een wonder. Het is alsof
een enkele druppel witte verf verandert in de veelkleurige pracht van
het Sixtijnse plafond’ (Newsweek, 11 januari 1982).
Als, zoals vooraanstaande wetenschappers zeggen, de eerste ontkiemde
cel alle kwaliteiten bezit die tot rijpheid komen in de volwassen mens,
is er dan ooit een moment waarop het embryo niet leeft? Vanuit
het theosofische standpunt is het in de wereld brengen van een ziel
een heilige verantwoordelijkheid en heeft de houding van de ouders,
en in het bijzonder van de moeder, ingrijpende gevolgen; natuurlijk
speelt, behalve de verzorging en een zo goed mogelijke omgeving, ook
het karma van de binnenkomende ziel een rol.
Dood en wedergeboorte hebben nog veel geheimen die op ontdekking wachten,
een ontdekking die we eens zullen doen, wanneer we spiritueel waardig
zijn geworden om zelfbewust de wegen te volgen die we nu onbewust gaan.
Alle culturen vertellen over verheven inwijdingservaringen, het weerstaan
van de verleidingen van de onderwereld en het volledig bewust doorkruisen
van de gebieden van de kosmos. Zij die als overwinnaar terugkeren, zijn
de groten onder de mensen die ons zijn voorgegaan en de mensheid hebben
verlicht. Van hen wordt gezegd dat ze opnieuw zijn geboren, bekleed
met de zon, meesters over leven en dood.