‘Waar het op aankomt zijn feiten’
Paul Johnson

 

Boekbespreking: Astrology: Science or Superstition?, H.J. Eysenck & D.K.B. Nias, St. Martin’s Press, 1982, 243 blz.



De officiële houding tegenover de astrologie is in de loop van de geschiedenis heel verschillend geweest. Bij de hindoes stond ze lange tijd in hoog aanzien als een integrerend deel van hun cultureel erfgoed, terwijl anderen, in het Westen, haar als duivels beschouwden. In het oude Rome veroordeelden verscheidene keizers het misbruik ervan, maar ze erkenden dat het bij de Babyloniërs en de Chaldeeërs een echte wetenschap was. Hoewel de astrologie in de westerse wereld nu wordt getolereerd als een populair en onschuldig tijdverdrijf, en boeken en tijdschriften over astrologie bij miljoenen worden verkocht, kan het in wetenschappelijke kringen nog steeds heilige verontwaardiging en woede opwekken (zie Objections to Astrology*). Het conflict tussen de erkende wetenschap en de astrologie is op grondige en onpartijdige wijze onderzocht door de psychologen H.J. Eysenck en D.K.B. Nias van de Universiteit van Londen in Astrology: Science or Superstition? [Astrologie: wetenschap of bijgeloof?]

*Prometheus Books, Buffalo, N.Y., 1975, herdrukt uit The Humanist, 35:5. In dit boekje waarschuwen 192 vooraanstaande wetenschappers (waaronder 19 Nobelprijswinnaars) ‘het publiek tegen kritiekloze aanvaarding van de voorspellingen en raadgevingen die privé en publiekelijk door astrologen worden gegeven. Zij die in astrologie willen geloven moeten beseffen dat er geen wetenschappelijk getoetste grondslag is voor hun geloof en dat er zelfs sterke bewijzen van het tegendeel zijn.’

De schrijvers beginnen hun betoog met het citeren en verwerpen van het argument dat de astrologie geen onderzoek waard is. Zij onderscheiden drie kanten aan de astrologie (de populaire, de traditionele en de wetenschappelijke) en richten hun aandacht op de laatste twee; ze analyseren statistisch de beweringen dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen geboortetabellen enerzijds en het menselijk lot en karaktertrekken anderzijds.

Hoewel er talrijke astrologische tradities bestaan, kunnen de moderne astrologische ideeën worden teruggevoerd tot Babylonische, Chaldeeuwse, Griekse en Hindoese leringen, waarvan de klassieke formulering, de Tetrabiblion van Ptolemaeus is, die omstreeks 140 n.Chr. in Alexandrië werd geschreven. Daarin worden de onderlinge relaties tussen planeten, huizen en tekens gesystematiseerd. Omstreeks de renaissance hadden deze ideeën zich over de hele wereld verbreid en bepaalde filosofisch ingestelde wetenschappers uit die tijd, vooral KepIer, hadden een levendige belangstelling voor de wetenschap van de sterren. Maar de opkomst van de wetenschappelijke astronomie in Europa, in de 17de eeuw, leidde ertoe dat de astrologie uit de universiteiten werd gebannen. Tot laat in de 19de eeuw ging de traditionele astrologie achteruit. Daarna bracht de theosoof Alan Leo, geïnspireerd door H.P. Blavatsky die met nadruk wees op de betekenis van de oude wetenschappen, een hernieuwde belangstelling voor dit onderwerp teweeg en die trend heeft zich tot in onze tijd voortgezet.

Eysenck en Nias onderzoeken de beweringen van de westerse astrologie: het verband tussen de persoonlijkheid en het zonneteken, het lot van een mens, zijn aanpassingsvermogen, lichamelijke en spirituele gezondheid, met betrekking tot de geboortetabellen. Verder maken ze melding van de invloeden van de seizoenen en de maan, van zonnevlekkencyclussen en van patronen in de verstoring van radiogolven. In geen van deze studies komen de schrijvers tot positieve resultaten die een methodisch, kritisch onderzoek kunnen doorstaan, hoewel ze in veel gevallen een verder onderzoek wettigen.

Waar ze wel overtuigende bewijzen vinden van planetaire invloeden, is in de statistische gegevens van Michel en Françoise Gauquelin, die vele jaren lang vaste patronen ontdekten in de relatie tussen het menselijk karakter en de stand van bepaalde planeten bij de midhemel en de ascendant bij de geboorte. Hoewel hun werk in bepaalde opzichten grenst aan de traditionele astrologie, benadrukken de Gauquelins de noodzaak om een nieuwe kosmo-biologische wetenschap te scheppen, die steunt op het empirisch onderzoek en losstaat van de astrologische traditie.

Het boek Astrology: Science or Superstition? is een wegwijzer door de evenwichtige benadering van zijn wetenschappelijke schrijvers. Omzichtig, kritisch en helder in hun uitleg van de betreffende statistische gegevens, staan Eysenck en Nias nog steeds volledig open voor de mogelijkheid dat de planeten invloed uitoefenen, wat op zichzelf al een zonde is in de ogen van enkelen van hun wetenschappelijke broeders.

Er zijn verscheidene factoren die ertoe bijdragen dat een objectief oordeel over de waarde van de astrologie een voorlopig karakter moet hebben. Zoals de astrologie tot ons is gekomen, is ze het resultaat van pogingen om brokstukken van leringen uit verschillende en onbekende bronnen te verenigen en tot een systeem te vormen. De overeenkomsten tussen planeten en hun personificaties in de oude pantheons bijvoorbeeld, zijn onduidelijk. Hoe ontstond het verband tussen de planeet Mars en de god Mars? Dergelijke vragen onthullen de ontoereikendheid van ons begrip van de symbolentaal, die de kern van de astrologie vormt. Uitspraken van de Chaldeeërs hadden waarschijnlijk op verschillende niveaus een andere betekenis, waarvan de meeste slechts in de inwijdingskamer werden onthuld. Daardoor is het mogelijk dat de oorspronkelijke betekenis al duizenden jaren verloren is. Een andere beperkende factor is de verdeeldheid in de moderne psychologie, waarin iedere concurrerende theorie bepaalde karaktertrekken op andere wijze definieert; iedere test wordt beoordeeld naar een ander model. Als de wetenschappelijke pogingen om de aard van karaktertrekken en typen te definiëren en te meten tot zo weinig overeenstemming hebben geleid, hoe kunnen dan hun resultaten worden gebruikt om astrologische betrekkingen te onderzoeken?

Is het mogelijk de oude kennis die ten grondslag kan liggen aan wat er van de astrologie is overgebleven, te reconstrueren? De verwachting is gerechtvaardigd dat de overeenkomsten tussen verschijnselen op kosmisch en menselijk niveau geleidelijk duidelijk zullen worden. Astrology: Science or Superstition? is een opmerkelijk boek, zowel door de knappe diagnose van onze huidige onwetendheid, als de openhartige aanmoediging tot verder onderzoek. De geest van het boek komt tot uitdrukking in de volgende passage op de laatste bladzijde:

De vorm van de theorieën, die ten slotte alle brokstukken zullen verklaren van feiten die we hebben onderzocht, is iets waarnaar we slechts kunnen gissen; maar dat ze een beter begrip van de natuur zullen opleveren, betwijfelen we niet.

De lezer die zoekt naar simpele zekerheden moet ten slotte wel de vraag stellen, zoals velen ons die hebben gesteld: ‘Maar gelooft u zelf in de astrologie?’ Als we iets met dit boek hebben bereikt dan is het stellig dat we hebben aangetoond dat, hoe eenvoudig die vraag ook lijkt, er geen eenvoudig antwoord op is. En ten slotte doet de vraag wat wij geloven natuurlijk niets ter zake. Waar het op aankomt – waar het uitsluitend op aankomt – zijn feiten.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1985

© 1985 Theosophical University Press Agency