De waarheid wijkt net als de horizon steeds verder terug. Als we als
zoeker op weg zijn naar de uiterste grenzen en onze kennis en ons begrip
van de weg die voor ons ligt groeien, is er steeds weer een volgende
heuvel die ons wenkt. Wijsheid, het vergaren van waarheid in onze ziel,
kan alleen door eigen ervaring worden verworven – willen we van
A naar B, dan moeten we zelf die weg afleggen. Wat zijn de
middelen waarmee we zoveel mogelijk recht op ons doel kunnen afgaan?
Dat we zowel de reiziger als het pad zijn en dat de schatten die we
zoeken in elk van ons zijn verborgen, is een paradox. Het werk dat ons
‘reisvaardig’ maakt moet dan ook door onszelf worden verricht.
Karaktervorming is dus een eerste vereiste. In alle eeuwen en beschavingen
werd het ontwikkelen van deugden hoog aangeslagen. In verscheidene religies
en filosofieën werden richtlijnen en voorschriften gegeven. De
klassieke of natuurlijke deugden, samen met de drie theologische deugden,
zijn bekend als de Zeven Kardinale Deugden, te weten:
Voorzichtigheid, of praktische wijsheid. Het vermogen zichzelf
te beheersen en te trainen door onpersoonlijk te denken en met begrip
en grondige ervaring het doel voor ogen te houden.
Rechtvaardigheid, de eigenschap onpartijdig en redelijk te
zijn. Het beginsel of ideaal van juist handelen, oprechtheid en rechtvaardig
met elkaar omgaan. Ideale rechtvaardigheid werd door Plato gezien als
iets dat men verwerft door middel van een volmaakte maatschappelijke
harmonie en door weldadige activiteiten, terwijl Aristoteles het zag
als het beoefenen van deugden tegenover anderen.
Sterkte, de kracht en het spirituele uithoudingsvermogen die
een mens in staat stellen gevaar en pijn of tegenspoed moedig, geduldig
en zonder wrok het hoofd te bieden.
Matigheid, voortdurende matiging in het bevredigen van begeerten
en hartstochten – de gulden middenweg.
Geloof, een diep en duurzaam vertrouwen in de universele Wet
en in de ‘rechtvaardigheid’ van alles. Ook trouw aan beloften
en een onwankelbaar plichtsbesef.
Hoop, vertrouwen in het uiteindelijke resultaat van alle inspanningen.
Liefde, welwillendheid en mededogen tegenover de mensheid
en de hele natuur, vrij van boosheid. Van al deze deugden zegt Paulus
over de liefde:
Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde
ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis . . . – had ik de
liefde niet, ik zou niets zijn. . . .
De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde
kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid.
Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken
en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over het onrecht,
maar vindt vreugde in de waarheid. . . . De liefde zal nooit vergaan.
. . . – 1 Cor. 13:2-8
Misschien zou aan bovengenoemde deugden een achtste, Nederigheid,
kunnen worden toegevoegd. Ware nederigheid zal ons er altijd van weerhouden
te ver van het pad af te dwalen omdat ze helpt alle dingen in perspectief
te zien. Ze is niet zo dwaas om onze mogelijkheden te ontkennen, maar
belet ons te egoïstisch te worden en daardoor te afgezonderd van
de rest van de mensheid en van de natuur; ze doet ons inzien wat onze
zwakheden en tekortkomingen zijn en wat onze kracht is. Toen Socrates
hoorde dat het Orakel van Delphi hem de wijste man van Griekenland van
die tijd noemde, dacht hij na over de reden en kwam tot de slotsom dat
het werd gezegd omdat hij wist dat hij geen wijze was.
Als we het feit aannemen dat we altijd bezig zijn te leren, dat er
altijd meer te ontdekken is, kunnen we de valstrik van zelfverheerlijking
en onverdraagzaamheid vermijden. Humor en kunnen lachen over de dwaasheden
van het leven spruiten voort uit het naast elkaar plaatsen van het ideaal
en de onvolmaakte werkelijkheid en het accepteren daarvan; lachen is
inderdaad het beste medicijn – het verdrijft opwinding. Maar zelfs
al is de waarheid altijd betrekkelijk en wacht er vlak om de hoek een
grotere waarheid, de weg kan minder moeizaam worden voor onszelf en
anderen door onze keuze hoe we hem willen gaan!