Blij van hart
Nhilde Davidson

 

De waarheid wijkt net als de horizon steeds verder terug. Als we als zoeker op weg zijn naar de uiterste grenzen en onze kennis en ons begrip van de weg die voor ons ligt groeien, is er steeds weer een volgende heuvel die ons wenkt. Wijsheid, het vergaren van waarheid in onze ziel, kan alleen door eigen ervaring worden verworven – willen we van A naar B, dan moeten we zelf die weg afleggen. Wat zijn de middelen waarmee we zoveel mogelijk recht op ons doel kunnen afgaan?

Dat we zowel de reiziger als het pad zijn en dat de schatten die we zoeken in elk van ons zijn verborgen, is een paradox. Het werk dat ons ‘reisvaardig’ maakt moet dan ook door onszelf worden verricht. Karaktervorming is dus een eerste vereiste. In alle eeuwen en beschavingen werd het ontwikkelen van deugden hoog aangeslagen. In verscheidene religies en filosofieën werden richtlijnen en voorschriften gegeven. De klassieke of natuurlijke deugden, samen met de drie theologische deugden, zijn bekend als de Zeven Kardinale Deugden, te weten:

Voorzichtigheid, of praktische wijsheid. Het vermogen zichzelf te beheersen en te trainen door onpersoonlijk te denken en met begrip en grondige ervaring het doel voor ogen te houden.

Rechtvaardigheid, de eigenschap onpartijdig en redelijk te zijn. Het beginsel of ideaal van juist handelen, oprechtheid en rechtvaardig met elkaar omgaan. Ideale rechtvaardigheid werd door Plato gezien als iets dat men verwerft door middel van een volmaakte maatschappelijke harmonie en door weldadige activiteiten, terwijl Aristoteles het zag als het beoefenen van deugden tegenover anderen.

Sterkte, de kracht en het spirituele uithoudingsvermogen die een mens in staat stellen gevaar en pijn of tegenspoed moedig, geduldig en zonder wrok het hoofd te bieden.

Matigheid, voortdurende matiging in het bevredigen van begeerten en hartstochten – de gulden middenweg.

Geloof, een diep en duurzaam vertrouwen in de universele Wet en in de ‘rechtvaardigheid’ van alles. Ook trouw aan beloften en een onwankelbaar plichtsbesef.

Hoop, vertrouwen in het uiteindelijke resultaat van alle inspanningen.

Liefde, welwillendheid en mededogen tegenover de mensheid en de hele natuur, vrij van boosheid. Van al deze deugden zegt Paulus over de liefde:

Al had ik de gave om te profeteren en doorgrondde ik alle geheimen, al bezat ik alle kennis . . . – had ik de liefde niet, ik zou niets zijn. . . .

De liefde is geduldig en vol goedheid. De liefde kent geen afgunst, geen ijdel vertoon en geen zelfgenoegzaamheid. Ze is niet grof en niet zelfzuchtig, ze laat zich niet boos maken en rekent het kwaad niet aan, ze verheugt zich niet over het onrecht, maar vindt vreugde in de waarheid. . . . De liefde zal nooit vergaan. . . .    – 1 Cor. 13:2-8

Misschien zou aan bovengenoemde deugden een achtste, Nederigheid, kunnen worden toegevoegd. Ware nederigheid zal ons er altijd van weerhouden te ver van het pad af te dwalen omdat ze helpt alle dingen in perspectief te zien. Ze is niet zo dwaas om onze mogelijkheden te ontkennen, maar belet ons te egoïstisch te worden en daardoor te afgezonderd van de rest van de mensheid en van de natuur; ze doet ons inzien wat onze zwakheden en tekortkomingen zijn en wat onze kracht is. Toen Socrates hoorde dat het Orakel van Delphi hem de wijste man van Griekenland van die tijd noemde, dacht hij na over de reden en kwam tot de slotsom dat het werd gezegd omdat hij wist dat hij geen wijze was.

Als we het feit aannemen dat we altijd bezig zijn te leren, dat er altijd meer te ontdekken is, kunnen we de valstrik van zelfverheerlijking en onverdraagzaamheid vermijden. Humor en kunnen lachen over de dwaasheden van het leven spruiten voort uit het naast elkaar plaatsen van het ideaal en de onvolmaakte werkelijkheid en het accepteren daarvan; lachen is inderdaad het beste medicijn – het verdrijft opwinding. Maar zelfs al is de waarheid altijd betrekkelijk en wacht er vlak om de hoek een grotere waarheid, de weg kan minder moeizaam worden voor onszelf en anderen door onze keuze hoe we hem willen gaan!

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1986

© 1986 Theosophical University Press Agency