Iedereen in deze wereld, welke rol hij in zijn leven ook speelt, is
een zoeker naar waarheid. Geleerden die in het verleden delven; wetenschappers
die naar een verklaring zoeken van het heelal, van het atoom, van een
vlinder; buren die wat met elkaar praten over het hek van hun achtertuin,
ieder van ons probeert in elke dagelijkse situatie de dingen te zien
zoals ze werkelijk zijn. Deze uitdrukking, de dingen zoals ze zijn,
is veelzeggend. We zouden die voorlopig kunnen aannemen als een definitie
van de waarheid: de dingen-zoals-ze-zijn, tegenover wat ze schijnen
te zijn voor onze zintuigen en ons beperkte verstand.
Waarom deze voortdurende drang naar het ware? Het schijnt dat die drang
een integrerend deel van ons is, een nostalgie van de ziel, een verlangen
beter te begrijpen, een honger die door niets dan wat waar is kan worden
gestild. Wat houdt dat in? Dat we willen weten hoe het met de dingen
staat in onze omgeving, in ons volk, in de wereld. We houden ons ook
bezig met wat er in onszelf omgaat – mentaal, emotioneel en fysiek.
Waarom worden we ziek? Wat zijn de oorzaken van ziekte? Wat zijn kiemen,
bacteriën, virussen? Is deze wereld op dezelfde wijze aangetast?
Hebben wij, menselijke virussen, het vermogen om onze aarde te vergiftigen?
Dat is voor velen een grote zorg. Kan de aarde ziek worden? Als dat
zo is, dan moet ze meer zijn dan een klomp stof, zoals men ons heeft
willen doen geloven.
Al deze vragen illustreren onze blijvende belangstelling voor de waarheid;
en ons zoeken naar waarheid gaat hand in hand met ons vermogen haar
te vatten. Het openen van onze natuur, waardoor we meer worden, een
dieper en mededogender begrip krijgen, maakt deel uit van dit proces.
Zij die groter zijn van hart en ziel, kunnen verder zien achter de schijn;
zij worden niet belemmerd door onze bekrompen visie.
Wat verhindert ons de dingen te zien zoals ze werkelijk zijn? Natuurlijk
speelt de illusie van de schijn, in het Oosten maya genoemd,
een rol. Ontelbare voorbeelden bevestigen dat schijn bedriegt en ook
onze vooropgezette meningen staan ons in de weg. We zien alleen wat
we willen zien. We bekijken de realiteit door een bril die al gekleurd
is. Ieder tijdperk en iedere cultuur geeft de bril een andere kleur.
We willen dat de realiteit zich aan ons voordoet zoals wij
denken dat ze moet zijn in plaats van zoals ze is. Onze menselijke natuur
staat niet open en is niet flexibel genoeg; ons denken is niet vrij
van vooroordelen en onze intuïtie is niet voldoende wakker om tot
het hart van de dingen door te dringen. Tot nu toe zijn we slechts gedeeltelijk
geëvolueerd of ontwaakt.
Toch ben ik een deel van deze wereld en bent u een deel van deze wereld
en is ieder atoom een deel van deze zelfde wereld. Daarom moet de drang
om te weten ontspringen aan de essentiële eenheid van
alle dingen; aan het feit dat alle wezens en dingen een deel zijn van
alle andere wezens en dingen. Dat is een verbazingwekkende en betekenisvolle
gedachte voor hen van wie de dagelijkse gang zo afgebakend lijkt. Het
houdt in dat alle delen van deze wereld, hoe klein ook, noodzakelijk
zijn voor het geheel. Dat wat we innerlijk doen al het andere beïnvloedt,
niet alleen in de menselijke sfeer maar in de hele natuur. De manier
waarop we ons innerlijk en uiterlijk gedragen, steunt of hindert het
kosmische proces.
Iedereen heeft een soort verlangen om te weten hoe de dingen werkelijk
zijn. Hoe gaat het met je? vragen we aan een vriend. We willen dat weten.
We hebben banden met die persoon. Zijn welzijn en het onze zijn verbonden.
Als hij niet in orde is, voelen wij ons ook wat minder goed. Hoe is
het werkelijk met hem? Laten we zeggen dat hij een dokter bezoekt, en
op allerlei manieren wordt onderzocht en in goede gezondheid bevonden.
Wat zeggen al die feiten ons over hem? Praktisch niets. Dat komt omdat
de belangrijkste aspecten van een mens onzichtbaar zijn. Het is onmogelijk
de ware persoon alleen aan de hand van uiterlijke dingen te ontdekken,
want hij is veel meer dan dat. Moeten we dezelfde redenering ook niet
op andere gebieden toepassen? Op vogels en bloemen, op de wind en de
regen, op kometen en zonnen? Hebben ook deze dingen niet een innerlijke
realiteit achter de uiterlijke schijn? Dichters voelen dit zeer sterk.
Daarover gaat het in de dichtkunst.
Wat ik probeer te zeggen is, dat onze openheid en ontvankelijkheid
voor de innerlijke waarheid net zo groot moeten zijn als de aandacht
die we geven aan het observeren en classificeren van zichtbare verschijnselen.
De dingen aanvoelen is vaak belangrijker dan ze te analyseren, te meten
en te wegen. Het zoeken naar waarheid is geen intellectueel spel. Het
is een naar binnen en naar buiten zien. Wat we buiten ons zien betekent
niets als het niet iets in ons oproept. Hoe kunnen we schoonheid, grootsheid
en moed kennen als die eigenschappen niet in ons zijn en daarop reageren?
In die zin leeft de waarheid in ons als een goddelijke mogelijkheid
of, zoals Browning het uitdrukte: ‘Diep in ons allemaal is een
innerlijk centrum, waar de waarheid in volheid verblijft.’ Uit
dat stille centrum komen flitsen en inzichten. De mysticus of wijze,
de beeldend kunstenaar of dichter, brengt deze flitsen tot uitdrukking
en die hebben het vermogen ons wakker te roepen.
We kunnen alleen maar concluderen dat de waarheid zetelt in het hart
van het hart van alle wezens, groot of klein. Sommigen hebben een dieper
begrip van deze waarheid ontwikkeld. We bevinden ons in het menselijk
stadium van begrip en zelfexpressie. Vogels zijn vogels op grond van
datzelfde proces. Goden zijn goden omdat ze het goddelijke tot ontwikkeling
hebben gebracht. Daarom is het zoeken naar waarheid door alle eeuwen
heen in verband gebracht met de gedachte van het pad, het pad van het
zich ontplooien van latente vermogens. We bevinden ons op dit pad dat
leidt naar de volle bloei van het menszijn, of we dit beseffen of niet.
Wanneer we ons gezichtsveld uitbreiden zodat het vele levens of reïncarnaties
omvat, beseffen we dat er voor iedereen voldoende tijd is om zijn hogere
mogelijkheden te ontwikkelen. Zij die dat met succes hebben volbracht,
zijn de grote leraren en filosofen: Christus, Boeddha, Zarathoestra,
en een schare van anderen, onder wie Plato en Pythagoras.
De waarheid heeft geen uiterlijke kracht nodig want ze overtuigt door
haar innerlijke waarde. Naar wat voor waarheid zoeken we? Een religieuze,
filosofische of wetenschappelijke? Soms meent men dat deze drie onverenigbaar
zijn. Dat is echter niet het geval, want het zijn facetten van de ene
waarheid – in de mens, in de natuur, in de kosmos. De een kan
de realiteit benaderen vanuit een spiritueel gezichtspunt, een ander
vanuit het intellectuele, een derde door het waarnemen van de stoffelijke
wereld met al haar wonderen en schoonheid. Ze kunnen elkaar evenmin
tegenspreken als het feit dat ik een ziel ben in tegenspraak is met
dat ik ook een lichaam bezit. Goed begrepen kan de wijsheid van iedere
tak van wetenschap de andere alleen aanvullen en uitbreiden, want ieder
benadert dezelfde realiteit vanuit een verschillend gezichtspunt.
Het grote heelal omringt ons aan alle kanten. Het is onze ouder; we
zijn eruit voortgekomen. Alles wat we in het klein zijn, moet het heelal
op een oneindig grote schaal zijn. We hoeven alleen maar ’s nacht
naar buiten te gaan als de wijze oude sterren stralen. Omhoogkijkend
in de onmetelijke ruimte, wordt er in ons iets wakker, een gevoel dat
ver uitgaat boven het bereik van het eindige verstand. De ziel verlangt
naar de oneindigheid die ze niet kan vatten: het innerlijke reikt naar
het innerlijke.
Volgens de oude overleveringen heeft onze universele ouder een bepaalde
structuur en werkt hij op een bepaalde wijze. Hij werd geboren zoals
wij zijn geboren, leeft zijn leven net als wij en zal op een dag sterven
en rusten. En eens, in de verre, verre toekomst zal hij weer geboren
worden. De religie, de wetenschap en de filosofie zoeken naar een verklaring
en naar onze relatie ermee. Ze zoeken naar de waarheid, benaderen het
probleem vanuit hun respectievelijke gezichtspunten en gebruiken hun
eigen termen. Er kan over de waarheid geen absolute uitspraak worden
gedaan. Naarmate iemand tot het mysterie doordringt en van wat hij ontdekt
eerlijk verslag uitbrengt, zullen zijn conclusies overeenstemmen met
de even eerlijke bevindingen van anderen, of die van metafysische of
stoffelijke aard zijn. Maar wanneer de geest van het vrije onderzoek
is verdwenen uit een instituut dat was bedoeld om hem te huisvesten,
is het enige wat overblijft lege ceremoniële, steriele, verstandelijke
algemeenheden. Dat brengt gewoonlijk de dreiging van vervolgingen met
zich.
We zijn allen leerlingen die het geleerde met elkaar uitwisselen, en
we zouden niet veel leren als we alleen diegenen raadpleegden die ons
standpunt delen. Vaak leren we meer van hen die anders dan wijzelf schijnen
te denken. Maar soms zijn het de woorden die een scheidsmuur opwerpen
tussen mensen met een geloof dat nauw verwant is. Als men eerder naar
overeenkomsten dan naar verschillen zou zoeken, zou men overeenstemming
aantreffen op het grote gebied van algemene beginselen. Wat is het verschil
tussen het karma van het Oosten en het zaaien en oogsten van het Nieuwe
Testament? Het is niet noodzakelijk dat onze meningen overeenstemmen.
De waarheid is één, dat kan niet anders, maar de wegen
die ertoe leiden zijn even talrijk als de zoekers.
Wat dit betekent is, dat alle pogingen door de eeuwen heen om de kosmos
te verklaren, gebaseerd zijn, moeten zijn, op bepaalde beginselen en
ervaringen die we allemaal gemeen hebben, de mystieke en dichterlijke
inbegrepen.
De manier om de waarheid in leven te houden en te doen groeien in ons
hart is haar telkens opnieuw onder woorden te brengen. Anders worden
we aanbidders van komma’s en puntkomma’s, en ligt de waarheid
begraven onder mantra’s, die eindeloos en gedachteloos worden
herhaald. In de loop van vele eeuwen wordt de levende geest van de waarheid
gekerkerd in zijn eigen instituten. Dogma’s groeien in het denken
van de mens. Eens symbolen van de levende boodschap, worden ze vroeg
of laat als schelpen die men langs stille stranden vindt, vaak heel
mooi, maar dingen waaruit het leven en de zin zijn verdwenen. Het antwoord
op ons zoeken ligt niet in instituten maar in onszelf.
De geest van het allerhoogste is in alle dingen. In de wind die langs
ons gezicht strijkt, in de mus en het madeliefje en de kiezelsteen,
in hen die lijden en in hen die gelukkig zijn, in het mooie en in het
lelijke, en in het lelijke dat mooi wordt door de innerlijke geest.
De wijsten onder de mensen hebben de mens afgeschilderd als een kind
van de kosmos. Zij zagen de werelden die de velden van de ruimte vullen
als bezield door kosmische godheden, in wie we leven, ons bewegen en
ons bestaan hebben; dat het leven dat de heelallen bezielt ook in ons
klopt en dat ook wij de begunstigden zijn van zijn serene wetten.
De waarheid is elders en hier. Ze is het hoe en waarom van de dingen
in ons en in onze wereld. We worden aangespoord ernaar te zoeken door
krachten in onszelf, kwaliteiten van de ziel. Hoeveel komt er tot ons
door leed? Hoeveel door de vreugde van het beleven? Hoeveel door dagelijks
het beste dat in ons is te geven aan onze plichten? Hoeveel door onze
liefde voor onze medemensen, bekende en onbekende, die met ons het levenspad
bewandelen?