Achter het hoorbare, zichtbare en denkbare heersen oneindige wetten,
die ons behoeden; en in de onmiddellijke nabijheid van het bewustzijn
van ons sterfelijk zelf doen hogere krachten hun werk. Ze spreken voortdurend
tot ons door het zonlicht aan de hemel en de stralende sterren; de stilte
van de natuur verkondigt ons de grootsheid van de wereld en de verborgen
waardigheid van de mens, zodat ‘hij die oren heeft om te horen’
nooit alleen is, al bevindt hij zich in de woestijn, in diepe grotten
van de aarde of al gaat hij gebukt onder een zware en pijnlijke last.
En al zou hij verloren raken in de wildernis of zich in een stuurloos
schip bevinden in open zee, hij zou toch het koninkrijk der hemelen
in zich dragen en in zijn hart alle waarheid kunnen vinden waarnaar
de mensheid verlangt.
De wereld roept om het licht van de geest en daarbij moeten we beseffen
dat de dingen die we niet zien verhevener zijn dan de dingen die we
zien – dat de natuur oneindig rechtvaardig is en dat er in dit
grootse universele plan van het Zijn geen enkele gedachte en aspiratie,
geen poging hoe gering ook verloren gaat.
AI heel lang geleden hebben we het contact met ons ware zelf verloren
en nu moeten we onze eigen ziel zien te vinden en leren dat alle stof
reageert op de aanraking van de geest. Laten diegenen van ons die wanhopen,
die weinig vertrouwen hebben in zichzelf of hoop voor de dag van morgen,
die niet kunnen geloven dat we onze omstandigheden kunnen beheersen,
naar de natuur zien en met de lucht die we inademen ons bewust worden
van haar universele leven; laten we daarna onszelf onderzoeken en misschien
tot de ontdekking komen dat we veel pijnlijke ervaringen ondergaan omdat
we niet bereid waren te lijden. Het lijden brengt oneindige schatten
aan ervaringen met zich, en alleen door discipline kunnen we ons dingen
van waarde verwerven; wat er uiterlijk ook gebeurt, we kunnen het tegemoet
treden als iets dat de sterkere zijde in ons wakker roept tot het ten
slotte de trots en vreugde van ons leven wordt.
We kunnen niet slagen als we niet meewerken met de natuur, die geen
halfhartig dienen accepteert. We krijgen geen antwoord als we slechts
een beroep op haar doen in ogenblikken van nood of teleurstelling, om
ons daarna weer af te wenden en haar te vergeten. Ze heeft onoprechte
en onverschiIlige mensen niets te zeggen; ze geeft alleen gehoor aan
hen die zich bewust zijn geworden van de hoogste idealen. Alleen wanneer
we ons in gedachten wenden tot het edelste in ons, komt haar antwoord;
en vanuit de grote duisternis van de levensomstandigheden zullen wij,
die in de schaduw van onze problemen en moeilijkheden leefden, beseffen
dat in dit heelal inderdaad goddelijke wetten heersen en dat de natuur
ons volstrekt welgezind is, en dat al het twisten, vechten en twijfelen
van de mens niet nodig is. Als we onszelf konden vertrouwen zouden we
onze naasten vertrouwen; als we onze naasten vertrouwden dan zouden
we vertrouwen hebben in de goddelijke wet.
Vrees is de basis van alle ontmoediging; maar als we ons erin oefenen
onbevreesd te staan tegenover de beproevingen van buiten en de zwakheden
in ons, dan zullen we ons niet alleen niet langer eenzaam voelen, maar
we zullen ons bewust worden van de voortdurende verheven aanwezigheid
‘in en toch buiten ons’ van het alomtegenwoordige goddelijke,
waarvan we de stem, als we ernaar luisteren, kunnen horen in onze eigen
geest, en niet minder in het ruisen van de beken en het zingen van de
vogels – want het mysterie in het hart van de natuur is ook het
mysterie in het hart van de mens; en in beide werken dezelfde wonderbaarlijke
krachten. Als we ons denken boven het persoonlijke verheffen tot het
grenzeloze, als we onze gedachten richten op het universele plan en
vanuit de diepste schuilhoeken van ons bewustzijn het heelal zien in
zijn luister, zullen we boven onze beperkingen worden uitgeheven en
in onszelf grootsere dingen herkennen dan waarvan we ooit hebben gedroomd.
We zullen de heelallen die de onmetelijke ruimten vullen, zien als het
product, de uitdrukking van een oneindig plan dat zijn oorsprong heeft
in een innerlijke bron die ons begrip te boven gaat – en waaruit
ook de mens, overeenkomstig het plan van de evolutie, voortkomt als
een vitaal deel op zijn reis door de vele levens die voor zijn groei
naar volmaking nodig zijn.
In ons sluimeren goddelijke krachten, spirituele eigenschappen die
duiden op onze onsterfelijkheid; want hier in het hart is het koninkrijk
der hemelen, en het enige tegenwicht dat een mens nodig heeft, is zich
bewust te worden van zijn eigen goddelijke aard. Die is er, een scheppende
kracht in ons, en dankzij die kracht kan hij die het geduld heeft te
volharden en te werken, de vruchten van zijn pogingen zien: een mens
die het doel heeft bereikt waarvan zijn hart hem zegt dat het bereikt
kan worden.