Ik heb dit zoeken opgegeven omdat ik het heb onderkend
als de meest onzekere onderneming. Oorlog voeren tegen zichzelf
is nooit een eenvoudige zaak.
Velen van ons beschouwen broederschap als een utopische fantasie die
weinig te maken heeft met het leven van alledag. De meesten zien het
als een wensdroom, maar één die te onpraktisch is voor
de wereld zoals we die nu kennen, omdat het vraagt om een soort monnikachtig
bestaan, zonder hartstocht en zonder belangstelling voor menselijke
zaken. Het is iets voor later, voor onze kinderen en onze kindskinderen.
Zolang onze gedachten in deze richting blijven gaan, zal het onmogelijk
zijn in te zien dat de roep om broederschap een zeer wezenlijk en praktisch
verlangen is. Niet alleen zou het in praktijk brengen van broederschap
veel van ons aardse leed verzachten, maar het zou tevens ons begrip
en onze kennis van het doel en de waarheden van de natuur sneller ontwikkelen.
De eisen waaraan we moeten voldoen om deze gemoedstoestand te bereiken,
kunnen heel eenvoudig worden geformuleerd. We moeten bewust leven volgens
morele en ethische beginselen: menslievendheid en vergevensgezindheid,
geduld en mededogen, eerlijkheid en verantwoordelijkheidsbesef, om er
maar enkele te noemen. Deze deugden, waarover we zo gemakkelijk spreken,
behoren tot het moeilijkste en belangrijkste dat een mens kan bereiken.
Toch hebben we al eeuwenlang de gedachte bestreden dat dergelijke altruïstische
eigenschappen ooit de problemen van de wereld zouden kunnen doen afnemen.
Het lijkt er eigenlijk op dat we elk zelfzuchtig motief in ons leven
hebben beproefd. Hebzucht en haat, macht en wraakzucht, jaloezie en
wellust hebben er alleen toe bijgedragen een wereld te scheppen vol
fysieke en mentale armoede. Als we nu kunnen inzien hoe groot de schade
is die daardoor in onze ziel is aangericht, kunnen we dan niet proberen
onze houding en ons streven op een meer menslievend doel te richten?
Hoewel persoonlijke ideeën over de toepassing van broederschap
soms verkeerd kunnen zijn, staat de mensheid in het algemeen sympathiek
tegenover dit ideaal. Ieder van ons zal de gedachte vanuit zijn persoonlijke
gezichtshoek op eigen wijze opvatten. Uit het reservoir van deze gedachten
komen ideeën naar voren die we allen gemeen hebben: verdraagzaamheid
en het aanvaarden van verschillen die de mensheid eigen zijn en begrip
van de eenheid of innerlijke verbondenheid van onszelf met al wat leeft.
We zullen minder aandacht schenken aan wat goed is voor de enkeling
en meer aan wat goed is voor het geheel, omdat we beseffen dat we broeders
zijn en daarom als een gezamenlijke mensheid door middel van onze levenservaringen
moeten opgroeien.
Hoe paradoxaal het echter ook klinkt, niets van deze totaliteit of
eenheid kan worden verwezenlijkt voordat er bij ieder individueel mens
een transformatie in zijn eigen ziel plaatsvindt. Niemand kan zijn persoonlijke
zaligheid bewerkstelligen. Het besef van broederschap en er deel van
uit te maken vereist zelfkennis, die we alleen kunnen opdoen door ons
eigen lijden en onze eigen ervaringen. Als we naar anderen kijken voor
een bevredigend antwoord op de vraag hoe de wereld behoort te zijn,
slaan we ongetwijfeld een weg in die tot teleurstelling leidt omdat
we de vrede die we innerlijk willen buiten ons zoeken. Neerslachtigheid,
pessimisme, twijfelachtige en negatieve gedachten worden onze ‘beste
vrienden’. We vergeten wat we onszelf hebben voorgehouden, dat
broederschap thuis begint, bij onszelf. We vergeten ook dat dit betekent
dat we niet moeten uitzien naar de resultaten of de vruchten van onze
daden, maar dat we trouw moeten blijven aan die overtuiging die we als
waar erkennen. Doen we dat niet, dan blijft broederschap iets dat buiten
ons, op een afstand, zuiver en onbereikbaar is. Er komt een moment dat
we met andere ogen moeten gaan kijken naar iemand die we niet mogen,
met een ander soort inzicht: naar hem kijken en onszelf onderzoeken;
naar hem kijken en het onbehagen voelen, de wortels ervan opsporen –
ze leiden slechts in één richting. Als we kunnen inzien
dat de bron van dit onbehagen en van wat onze lagere natuur tot handelen
aanzet in onszelf huist, dan hebben we een zekere mate van zelfkennis
verworven. De strijd die zo wordt geleverd moet ons niet aan het wankelen
brengen. We moeten veeleer ervaren hoeveel voldoening het geeft als
we bewust proberen in overeenstemming met die uitdaging te leven, een
soort brandstof voor het vuur dat binnenin ons brandt. Want er is een
vuur, een vitaliteit in de verlangens die we koesteren. Het is in wezen
deze vitaliteit die ons voortstuwt door tijd en ruimte op onze evolutionaire
reis. Daarom willen we deze energie niet verliezen of doen inslapen,
maar onder controle brengen en richten op een meer verlicht gedragspatroon
dat een beter doel dient.
Door dit zelfonderzoek gaan we langzamerhand inzien dat veel van wat
we toeschrijven aan de daden van anderen in werkelijkheid het gevolg
is van onze eigen reacties, het resultaat van wat we kiezen aan emotionele
gevoelens of intellectuele gedachten. Het vermogen om de ware aard van
de dingen te leren kennen en omvatten, is een gave waaraan alleen wij
leiding kunnen geven. Het ontbreekt ons nooit aan de mogelijkheid veranderingen
in ons leven aan te brengen die onze kijk op de wereld om ons heen grondig
kunnen wijzigen. Dat komt omdat we als onze menselijke last –
een zeer heilzame last overigens – de verantwoordelijkheid van
de keuze dragen. We zijn nooit zonder de kracht om de koers van ons
handelen te bepalen. Het is een krachtig werktuig dat we bezitten en
één dat door de goden niet aan enig ander rijk onder de
mens werd verleend. De veranderingen die we in ons leven moeten aanbrengen
liggen binnen ons bereik. Onze vrije wil geeft ons de mogelijkheid beslissingen
te nemen en daardoor ons lot te bepalen. Zoals de keuzen die we in de
loop van één bepaald leven doen ons vormen tot wat we
worden, gebeurt dat op analoge wijze voor vele levens. Te lang waren
onze keuzen aarzelend, sommige positief en andere negatief; ze misten
een vaste richting of betrokkenheid. Verblind door zelfzuchtige motieven,
hebben we niet het inzicht ontwikkeld dat ons doet begrijpen dat het
juist de dagelijkse beslissingen zijn die menselijke broederschap tot
stand brengen of afbreken. Hoe eenvoudig dit alles misschien lijkt,
is het niettemin enorm moeilijk het in ons leven toe te passen.
Er is een stelregel die als volgt luidt: Om een ander te helpen moeten
we onszelf helpen en om onszelf te helpen moeten we een ander helpen.
De betekenis hiervan en het antwoord dat het verschaft, kan alleen worden
begrepen door iemand wiens streven gericht is op broederschap.