Uw zienswijze en de mijne kunnen hier en daar wat uiteenlopen, maar
ik waag het te zeggen dat we over het geheel genomen allen onze mooie
aarde en haar rijken zien als een wereldomvattend ecosysteem. Niet alleen
de zogenaamde levende rijken, maar ook de aarde zelf – het zonlicht
en de storm, de jaargetijden, de wind en de sneeuw. Dat is onze wereld
en wij zijn daar een integraal deel van, niet slechts een wezen dat
hier is neergestreken op een bol van stof die om onze zon cirkelt.
Veel hangt af van de manier waarop we de aarde en het omringende heelal
bezien. Wat zijn de criteria die we erfden en die verouderd zijn; van
welke vooronderstellingen gaan we gedachteloos uit? Zijn we van mening
dat onze planten, dieren en wij mensen de enige levende wezens zijn?
Dat de aardbol waarop we wonen en de andere planeten, onze zon, alle
zonnen die de nachtelijke hemel bevolken, dood en onbewust zijn, ook
al storten ze krachten uit van allerlei aard? Dat alle werelden het
gevolg zijn van de blinde werking van bepaalde wetten en processen?
Zo ja, wat zijn dan wetten? Gaan we ervan uit dat er nergens intelligentie
is, behalve bij ons mensen, bij planten en dieren?
Het is echter merkwaardig en belangwekkend dat onze eigen intuïtie
ons iets anders zegt, wat de wetenschap, de religie of de filosofie
ons ook mag leren. Als we de zon zien opkomen of ondergaan, de wind
horen ruisen door de bomen, de bloemen zien verschijnen in de lente,
of als we ’s nachts opzien naar de wijze oude sterren, wekt dat
gevoelens en gedachten, kortstondige flitsen van begrip die we niet
kunnen vasthouden en tot de onze kunnen maken. Ze schijnen niet te passen
in ons eindige denken. Maar ze geven ons het gevoel dat we levende delen
zijn van de activiteiten van de aarde, dat we in ons bewustzijn op de
een of andere manier verbonden zijn met het leger van sterren.
Is dat niet wat de dichters ons door de eeuwen heen hebben gezegd?
Alle creatieve arbeid – muziek, toneel, poëzie, beeldende
kunst – tonen ons de aanwezigheid van leven in alle dingen. Het
schijnt dat de wetenschap op dit punt een tweesprong nadert. De resultaten
van het moderne wetenschappelijk onderzoek brengen de wetenschappers
ertoe de kwestie van het bewustzijn opnieuw te bezien en in samenhang
daarmee de vraag wat leeft en wat dood is (zo er al iets dood is). Om
een paar voorbeelden te noemen:
In de nieuwe fysica schijnen atoomdeeltjes blijk te geven van het vermogen
om te kiezen; in boeken en op de televisie tonen natuurkenners het ingewikkelde
wonder van zogenaamd simpele wezens; biologen komen tot de ontdekking
dat cellen niet alleen ongelooflijk gecompliceerd zijn, maar ook een
soort intelligentie en een vorm van communicatie en samenwerking blijken
te bezitten. Zijn cellen wezens of dingen? Het traditionele darwinisme
is zo goed als verdwenen. Erfelijkheid in de vroegere betekenis, het
overleven van de geschiksten, het blind opeenhopen van kleine veranderingen,
zijn weg. De schaal van fossielen toont vele lacunes of plotselinge
sprongen.
De vraag rijst welke impulsen dit teweegbrachten? Zijn het louter stoffelijke
vormen waar het toeval op inwerkt? Is bewustzijn een bijproduct van
de stof, of is het de fundamentele drang achter de evolutie? Laten we
een ogenblik stilstaan bij de vroegere opvatting van de aarde en de
kosmos. De overheersende religieuze en filosofische zienswijze in vroeger
tijden hield in dat alle stelsels, alle eenheden levend en bewust zijn:
atomen, cellen, kristallen, mensen, planeten, zonnen, heelallen. Elektriciteit,
magnetisme, zwaartekracht, licht en andere natuurkrachten beschouwde
men ook als levend. Ze geven alle blijk van het leven van de
kosmos. Het zijn allemaal uitingen van wezens, van monaden In uiteenlopende
stadia van evolutie.
Volgens de Ouden strekte de kosmische ladder van levens zich uit van
het nietigste subatomaire deeltje en nog lager, tot het grootste heelal
of clusters van heelallen en daarboven. Omdat zij ervan uitgingen dat
iedere eenheid een bewustzijn is, een monade met oneindige mogelijkheden,
was de kosmos voor hen vol ontelbare soorten goddelijke intelligenties,
die zich alle door evolutie en herhaalde belichamingen trachten te ontplooien.
Thomas Henry Huxley schreef:
Als we de kwestie bezien vanuit het meest strenge
wetenschappelijke standpunt, mist de veronderstelling dat er onder
de myriaden werelden, verspreid in de eindeloze ruimte, geen intelligentie
kan bestaan, even ver boven die van de mens als de zijne boven die
van de kakkerlak; dat er geen wezen kan zijn met vermogens die de
loop van de natuur beïnvloeden, die even ver boven de zijne staan
als de zijne boven die van een slak, volgens mij niet alleen iedere
grond, maar is ook ongerijmd.*
*Essays Upon Some Controverted Questions, 1892,
blz. 27.
Men zou moeten zeggen: ontelbaar veel meer intelligenties, zowel boven
de mens als beneden de kakkerlak. De hogere wezens – noem ze goden,
serafijnen, dhyani-boeddha’s, amshaspends, het aantal namen in
de verschillende religies en filosofieën is legio – vormen
de innerlijke planeet, zon, enz., zoals de geest, intelligentie, het
bewustzijn, verstand en de emoties van de mens het innerlijke leven
vormen van de mens zoals we die kennen. Zonder deze eigenschappen en
krachten zou die mens er niet zijn, maar alleen het stoffelijk omhulsel.
En zo is het ook met het heelal volgens het aloude denken.
Ook het heelal is bezield door scharen van intelligenties op alle niveaus,
en het zijn de activiteiten van deze hogere wezens, hoe men ze ook noemt,
die de harmonische levensstijl of wetten van hun kosmos waarborgen,
Zij staan er borg voor dat er wetmatigheid heerst en dat telkens de
harmonie wordt hersteld als die is verstoord. Vandaar de universele
werking van oorzaak en gevolg, actie en reactie, niet alleen op stoffelijk
gebied, maar ook in de wereld van emoties, begeerten, wil en gedachten.
Dit zijn krachten die optreden en hun invloed hebben op de natuur en
alle wezens, en de natuur zal te zijner tijd reageren. Dit zaaien en
oogsten, dit proces van het herstellen van evenwicht, wordt karma genoemd,
een woord dat bij de meeste mensen tegenwoordig welbekend is. Volgens
de gangbare definitie is leven uitsluitend beperkt tot de organische
rijken – planten, dieren en mensen. De rest ziet men als dode
dingen, ondergebracht in de anorganische gebieden, die de mineralen
omvatten, de werelden van allerlei aard die aan de nachtelijke hemel
stralen en de krachten en wetten die hen bewegen en besturen. In feite
zegt men gewoonlijk dat de krachten en wetten van de natuur levenloos
zijn en blindelings werken, d.w.z. onbezield of niet geleid door intelligentie
van welke aard ook.
Duidelijkheidshalve zouden we moeten definiëren wat we met leven
bedoelen, omdat wanneer we dat woord gebruiken, de meeste mensen vanzelfsprekend
alleen denken aan de drie organische rijken – planten, dieren
en mensen – die de wetenschap als levend beschouwt. Bijna alle
denkers van weleer en een groeiend aantal natuurkenners en biologen
gebruiken het woord in ruimer verband om die krachten en energieën
aan te duiden die zowel de organische rijken als de zogenaamde anorganische
rijken en werelden bezielen. Ons eigen voorstel zou zijn het woord LEVEN
te gebruiken voor werelden, atomen, alles, terwijl organisch leven dan
een aanduiding zou zijn van de rijken van planten, dieren en mensen.
De moderne theosofie wil het beeld introduceren van het levende heelal
dat wordt beheerst door oorzaak en gevolg of karma. Wanneer het heelal
zich opnieuw belichaamt, doet het dat net zo als de mens en zijn kleinere
eenheden, atomen, moleculen, cellen, enz., wanneer hij reïncarneert.
Het nieuwe heelal is het karma van het oude heelal: zijn opnieuw ontwaakte
levens op alle gebieden brengen zichzelf voort, en elk van deze levens
is het karma van zijn verleden. Collectief beschouwd vormen zij de uitdrukking
van het veel grotere wezen waarvan ieder levend atoom een onvervangbaar
deel is.
Alle wezens zijn vonken van de universele essentie of overziel in uiteenlopende
stadia van hun zelfontplooiing of evolutie, die plaatsvindt door middel
van periodieke wederbelichamingen. De vonk die uw essentie is en de
vonk die mijn essentie is, hebben tot ontplooiing gebracht wat ons tot
mensen maakt; wij bevinden ons in het menselijke stadium. De dieren
hebben ontplooid wat hen tot dieren maakt. De goden zijn goden omdat
zij het goddelijke hebben ontvouwd. En alle levens van alle rijken vormen
het weefsel van levens dat de uitdrukking is van het universele wezen,
het levende heelal.
Men zou de vraag kunnen stellen waarom we er leven of bewustzijn bij
moeten halen als we het heelal, of kristallen, of het licht, of de wind
en de regen beschrijven. Dat zijn eenvoudig natuurverschijnselen die
niets te maken hebben met de kwestie van leven of niet-leven. Om dat
onderscheid draait alles. Want, zoals eerder gezegd, wordt de situatie
waarvoor de wetenschapper zich gesteld ziet, spannender naarmate ontdekkingen
op verschillend terrein op de mogelijkheid duiden dat er op vele gebieden
bewustzijn kan bestaan. Maar de vraag blijft, kan het kosmische proces
in zuiver natuurkundige termen worden verklaard? Het kan wel worden
beschreven, maar kan het ook worden verklaard? Kan men intelligentie
en half-intelligente machten, werkelijkheden en wetten die achter de
schermen werken, buiten beschouwing laten als dingen die geen tastbaar
aandeel hebben in het kosmische proces? in de groei van een kind of
het ontplooien van een
bloem? in zonnevlekken en de zonnewind? in ijsbloemen op het raam? Er
is overal een veelheid van voorbeelden, vol mysteries. Zijn het alleen
maar aspecten van de natuur- en scheikunde, of speelt bewustzijn van
een of andere aard in al deze verschijnselen een rol?
Onlangs kreeg ik een kranteknipsel in handen uit de Pasadena Star
News (19 augustus 1986) waarin staat dat dr. Murray Gell-Mann en
72 Nobelprijswinnaars zich verzetten tegen de leer van het creationisme
op onze openbare scholen. We hebben stellig bezwaar tegen het letterlijke
geloof dat God de wereld in zes dagen heeft geschapen. Maar we behoeven
ook niet aan te nemen dat de geboorte van werelden louter een astrofysisch
verschijnsel is en niets meer; en dat de vermogens en krachten van de
mens – zijn gedachten, aspiraties, begrip en bewustzijn –
niets anders zijn dan ingewikkelde bijproducten van de stof. Kinderen
worden opgeleid in de natuurwetenschappen en terecht. Maar er is een
middenveld tussen deze twee uitersten waar ze kennis zouden kunnen nemen
van de grootse religieuze en filosofische verklaringen van feiten, waarvan
de natuurwetenschappen op het materiële gebied een beschrijving
geven.
Wat ik probeer duidelijk te maken is, dat de ervaring of het besef
dat de aarde en de kosmos leven, metafysische vragen met zich brengen,
waarmee de natuurwetenschap nu door haar eigen diepgaande onderzoekingen
begint te worden geconfronteerd. Wat is leven? Wat is substantie? Wat
is bewustzijn? Zijn leven en bewustzijn producten van de stof, of is
stof een van de uitingen van bewustzijn? Of zijn ze twee zijden van
dezelfde medaille?
De eenheid en de onderlinge afhankelijkheid van de aarde en het leven
van de aarde is iets dat niet kan worden weersproken. De fysische ecologie
bewijst dit feit voortdurend. De mens verstoort de harmonie van de natuur
met zijn plunderingen; hij berooft de aarde, kapt haar wouden, misbruikt
de grond, vervuilt de atmosfeer en vergiftigt de rivieren en oceanen.
Hoelang zal de natuur deze schendingen tolereren? Een van de redenen
waarom we zonder bezwaar de aarde plunderen is misschien wel dat we
ons gevoel van eenheid met de natuur en haar rijken hebben verloren.
De natuur en haar rijkdommen zijn er alleen om er in het wilde weg gebruik
van te maken. Per saldo is de aarde slechts een klomp stof.
Laten we onszelf niet bedriegen. De aarde is onze machtige moeder en
zal te zijner tijd haar evenwicht herstellen. Zuurstof zal schaars worden,
het voedsel minder overvloedig, de grond minder vruchtbaar; het is mogelijk
dat overstromingen de landerijen door erosie doen verdwijnen, dat het
ijs opnieuw een heel halfrond bedekt, een andere Gobi of Sahara de plaats
inneemt van een nu bloeiende landstreek, of misschien dat delen van
landen verzinken en andere verrijzen. Dit alles om de aarde in staat
te stellen zich te vernieuwen, braak te liggen om op krachten te komen.
Onze mooie aardbol en de kosmos waarin hij zich beweegt, vormen een
grootse broederschap van leven. Deze broederschap, deze eenheid,
is een feit. De natuur in al haar verscheidenheid is een praktische
broederschap. Het is de mens die bij tijden onbroederlijk is en de harmonie
en het evenwicht ondermijnt. Hij doet dit op eigen risico.
Iedere eeuw heeft zijn eigenwaan en gelooft ‘nu eindelijk de
dingen te zien zoals ze werkelijk zijn’. Vaak komen ideeën
uit het verleden ons vreemd voor, omdat wellicht denkers van vroeger
het bewustzijn zagen als de fundamentele werkelijkheid en de stof als
een illusie. In deze tijd echter zien we de stof als de fundamentele
oorzaak en werkelijkheid, en het bewustzijn als een toevallig en uniek
gebeuren, dat zich op de een of andere manier met moeite vooruit heeft
geworsteld op onze nietige planeet in ons onbeduidende zonnestelsel.
Toch heeft de gedachte van de eenheid van dit levende heelal met al
zijn levens, groot en klein, door de eeuwen heen luid weerklonken. De
mens is de microkosmos van de macrokosmos, een heelal in het klein;
de mens, met een vonk van het goddelijke in de kern van zijn wezen,
die hem aanspoort tot dieper inzicht en tot nobeler daden. De zon en
sterren, bloemen en leeuweriken, prachtige wolken, serene bergen en
woestijnen. Lawaaiige steden met hun rijkdom en stank, vreugde en verdriet,
gezondheid en ziekte, zelfzucht en adeldom. Het zijn alle aspecten van
een kosmisch proces dat in talloze millennia de eigenzinnige mens uitdaagt
zichzelf tot een waardiger mens te maken, een goddelijker mens, om zo
als een zelfbewuste medewerker zijn plaats in te nemen in de broederschap
van alle leven.