Boekbesprekingen:
- Thursday’s Universe, A Report from the Frontier on the
Origin, Nature and Destiny of the Universe, Marcia Bartusiak;
Times Books, Random House, New York, 1986; 306 blz., bibliografie,
index.
- The Pale Fox, Marcel Griaule en Germaine Dieterlen, vert.
Stephen C. Infantino; Continuum Foundation, Chino Valley, AZ, 1986;
560 blz., woordenlijsten, kaarten, illustr.; paperback.
- The Intelligent Universe, A New View of Creation and Evolution,
Fred Hoyle; Holt, Rinehart and Winston, New York, 1983; 256 blz.,
illustraties in kleur en zwart-wit; index.
In alle tijden is de kunst een maatstaf voor het beste wat de mensheid
heeft bereikt, of het gaat om grotschilderingen of ruimtetechnologie,
en de grootste verrichtingen zijn misschien niet eens waarneembaar.
In onze eeuw voltrekken veranderingen zich zo snel, dat als het nieuws
van de laatste ontdekking bekend raakt, de trein van de vooruitgang
zich misschien al verschillende stations verder bevindt.
Vóór mij liggen drie boeken die drie verschillende zienswijzen
weergeven van de universele werkelijkheid. Een ervan is een onlangs
gepubliceerd, voor de leek geschreven resumé van de astrofysische
vorderingen sinds de eeuw van Ptolemaeus; het tweede is een recente
Engelse vertaling uit het Frans over de mythologie van het Dogonvolk
van Mali in Afrika, die astronomische kennis bevat die niet op normale
wijze kan worden verklaard; het derde is een samenvatting van de door
een astronoom gemaakte gevolgtrekkingen, gebaseerd op de moderne wetenschap
en op zijn eigen intuïtieve gedachten. Ze zijn alle drie heel verschillend
en toch hebben ze één ding gemeen: het heelal is een samenhangend
geheel, één onvoorstelbaar onmetelijk groot organisme
dat uit vele delen is samengesteld.
Thursday’s Universe [Donderdags Heelal] ontleent zijn
titel aan een kinderversje dat voor elke dag van de week bepaalde eigenschappen
toeschrijft aan hen die dan zijn geboren. In ‘Een donderdagskind
moet ver gaan’ heeft de schrijfster ‘kind’ vervangen
door ‘heelal’, om ons eraan te herinneren dat we nog een
lange weg moeten gaan voor we het kosmisch mysterie dat ons omringt
begrijpen. Thursday’s Universe is niet alleen informatief,
het is heel prettig om te lezen en wordt wat het feitenmateriaal betreft
aanbevolen door vooraanstaande astronomen; bovendien is het geheel tot
op heden bijgewerkt. En het belangrijkste is dat de schrijfster ons
in duidelijke taal de verbazing en opwinding overbrengt die ontdekkingen
op het gebied van de astrofysica teweegbrengen.
De schrijfster benadrukt dat er weinig of geen astronomische waarnemers
zijn die hun werk verrichten zonder gevoelens van ontzag voor de mysterieuze
oneindigheid om ons heen. De grenzeloze ruimte en tijd zijn vol van
vreemde wonderen; zelfs ons zonnestelsel biedt een grote verscheidenheid
van toestanden; en in de jaren twintig, toen de astronomie zich buiten
het gebied van ons zonnestelsel ging bewegen, werd een nieuw en groter
heelal ons tehuis. De Melkweg die in de loop van de seizoenen aan de
hemel kantelt, is een veel groter tehuis dan we hadden verwacht. Daarin
beschrijven enorme bolvormige sterrenhopen in alle richtingen hun baan
rond het middelpunt van het melkwegstelsel binnen een onzichtbare, bolvormige
‘halo’; en dat doen ook alleenstaande sterren van verschillende
massa, lichtsterkte en kleur; dubbelsterren, onverbrekelijk met elkaar
verbonden, wentelen om elkaar heen in een onvermoeide, ongestadige dans;
van minstens twee sterren is bekend dat ze zijn omringd door wat een
planetenstelsel zou kunnen zijn, wat betekent dat dit wellicht ook bij
andere het geval is; jonge blauwe sterren vormen zich in de wolken van
materie die veel van onze omgeving verduisteren; bejaarde rode reuzen
maken zich op voor hun uiteindelijke luisterrijke uitbarsting als supernova’s;
gloeiende deeltjes van wat eens schitterende zonnen waren, zijn gehuld
in hun nevelachtige resten, en uitgedoofde sintels vervolgen hun oude
baan als bruine of witte dwergen of neutronensterren, of misschien als
de vraatzuchtige monsters die we zwarte gaten noemen, die eveneens in
de galactische centra op de loer liggen. Kometen bewegen zich langs
de grenzen van zonnestelsels of vliegen voort om naburige zonnen te
bezoeken; van de nevelvlekken die grote delen van de hemel aan het oog
onttrekken, zijn sommige donker en ondoorschijnend, andere gloeiend
in een neon kleurenspel.
Toch is de Melkweg in al zijn verscheidenheid ‘een ontzaglijk
groot ecologisch stelsel’ (blz. 49) dat is opgenomen in een nog
groter. Het is van bescheiden afmeting ten opzichte van andere melkwegstelsels,
en behoort tot een van de twintig of meer die de Lokale Groep worden
genoemd. Vele van dergelijke groepen vormen tezamen een zwerm rondom
een conglomeraat van enorme afmeting dat honderden van deze omvat, een
van de superclusters die in overvloed in de ruimte aanwezig zijn. Bij
de meest recente onderzoekingen bleek dat deze onvoorstelbaar grote
clusters van melkwegstelsels zijn aaneengeregen tot
lange gebogen kettingen, van elkaar gescheiden door uitgestrekte gebieden
waar niets is, gebieden waar schijnbaar geen melkwegstelsels zijn.
Maar zulke kettingen zijn misschien niet meer dan steken in een nog
veel gecompliceerder hemels weefwerk . . .
Vele van deze draadvormige en bolachtige verzamelingen
melkwegstelsels strekken zich uit over honderden miljoenen lichtjaren.
– blz. 168
Getallen in lichtjaren of parsecs geven de meesten van ons geen voldoende
idee van grootte, want de enorme afmeting schrikt iedereen af. Dat geldt
ook voor de verbazingwekkende verscheidenheid die men ziet of ontdekt
bij golflengten die buiten het zichtbare spectrum liggen, terwijl waarnemers
zich het hoofd breken over vreemde afwijkingen. Bij het volgen van een
quasar die acht miljard lichtjaren van ons is verwijderd, gedurende
een periode van drie jaar, zagen de waarnemers hoe zich twee kernen
‘losmaakten van de heldere kern van de quasar en wegvlogen met
een snelheid die twaalfmaal de snelheid van het licht bleek te zijn’
(blz. 160) – iets wat voor orthodoxe fysici onmogelijk is. Een
andere schijnbare onmogelijkheid is dat melkwegstelsels zich tot een
groep vormen, want ze hebben lang niet voldoende materie om ze door
de zwaartekracht bijeen te houden (blz. 188). In feite geeft onze Melkweg
met zijn ongeveer honderd miljard zonnen een zwaartekracht te zien van
ongeveer duizend miljard zonnemassa’s. Bartusiak geeft hierop
het volgende commentaar:
. . . veel leden van de astronomische gemeenschap
zijn ervan overtuigd dat het leeuwendeel van het donkere ectoplasma
van het heelal, dat minstens tienmaal groter is dan de hoeveelheid
lichtende materie die nu zichtbaar is, niet bestaat uit protonen en
neutronen, maar in plaats daarvan is samengesteld uit meer exotische
soorten materie. – blz. 194
Als dit ‘ectoplasma’ en de zeer aanvaardbare ‘halo’s’
van de melkwegstelsels gelijkenis vertonen met de ‘kristallijne
sferen’ van de archaïsche astronomie, is het dan niet mogelijk
dat ze hetzelfde betekenen?
De meest opwindende gedachte is misschien die welke naar voren komt
uit de beschouwingen van Alan Guth van het Massachusetts Institute of
Technology, dat onze hele kosmos misschien ‘een miniscuul stofje
is in een veel groter ruimte-tijddomein’ (blz. 238). De vooruitgang
van menselijke kennis blijkt hand in hand te gaan met een groeiende
bescheidenheid met betrekking tot ons heelal. Mw. Bartusiak vat het
aldus samen:
Copernicus haalde de mensheid weg uit het centrum
van het heelal door erop te wijzen dat de aarde om de zon draait.
Bijna vier eeuwen later zette Hubble het proces voort door te bewijzen
dat onze geliefde Melkweg er slechts één is van een
ontelbaar aantal melkwegstelsels die door de onpeilbare diepten van
de ruimte snellen. Nu brengt Guth ons nog een stap verder in de duisternis
door te suggereren dat de kosmos die voor de machtige apparatuur van
de astronomie waarneembaar is, slechts een stipje is vergeleken met
een grootser gebied van ruimte-tijd. – blz.
238
Dat is een stap in de goede richting, Al veel te lang hebben we onszelf
als het middelpunt gezien en op een of andere wijze als superieur aan
het heelal, waarvan we in feite een te verwaarlozen onbetekenend deel
uitmaken. Ze citeert een astronoom die gezegd heeft: ‘de geest
die het heelal omvat is wonderbaarlijker dan het heelal dat de geest
omvat’ (blz. 275). Moeten we het niet zo zien dat het de geest
in het heelal is die de geest die hem weerspiegelt mogelijk maakt?
De menselijke geest kan de natuur met andere methoden bestuderen dan
die welke de wetenschap van de 20ste eeuw ons verschaft. In ieder land
zijn er sporen van een prehistorische kennis die niet in stoffelijke
termen kan worden verklaard. Daarvan getuigen niet alleen monumenten
die werden gebouwd vóór de ons bekende geschiedenis werd
opgetekend, en beeldhouwwerken en grotschilderingen, maar ook overleveringen,
legenden en mythologieën, waarvan de oorsprong verborgen ligt in
de dageraad van de tijd. Vergeleken met andere, oude zowel als moderne,
lopen ze in veel gevallen vooruit op gegevens die nu als pas ontdekt
worden beschouwd. Verklaarbaar of niet, de feiten spreken voor zichzelf.
Mythen uit zeer oude tijden worden niet serieus genomen, omdat men
in deze tijd niet gelooft dat er iets van betekenis bekend kon zijn
bij primitieve culturen. Als gevolg hiervan zijn de verhalen die zijn
bewaard min of meer intact gebleven, behalve in die gevallen waarin
men religieuze mythen als ritueel ging gebruiken en ze de kans lopen
verkeerd te worden begrepen, verkeerd te worden toegepast en verstoffelijkt.
Door gebrek aan begrip is de wijsheid die eens ermee was verbonden,
verloren gegaan en is de lege vorm, die zijn geestelijke inhoud overleefde,
blijven bestaan.
In 1965 werd in Parijs Le renard pâle gepubliceerd,
het resultaat van een onderzoek van twee Franse geleerden. Marcel Griaule
bestudeerde sinds 1931 de cultuur, taal en godsdienst van de Dogons
en in 1937 voegde Germaine Dieterlen zich bij hem en zij zette het werk
voort na Griaules dood in 1956. Sindsdien kreeg de Dogon-cultuur tamelijk
veel publiciteit omdat, lang voordat de astronomie dit had ontdekt,
ze kennis bezat van twee dwergsterren die om de stralende ster Sirius
– de Hondsster – wentelen, en geen van beide voor het blote
oog zichtbaar zijn. De omwentelingsperiode van tenminste een van de
twee onzichtbare sterren wordt nauwkeurig vermeld in de annalen van
de Dogons. Dat leidde tot veel speculaties over de vraag hoe ze deze
kennis zonder telescoop of andere kunstmatige hulpmiddelen konden verwerven
en in hun traditionele leer opnemen.
Er is nu een Engelse vertaling verschenen, The Pale Fox. Hierin
belicht Germaine Dieterlen de structuur en gewoonten van de Dogon-gemeenschap
in een meer dan 50 pagina’s tellende inleiding, waarin ze een
aantal citaten heeft opgenomen uit Griaules werken. Dit gedeelte en
de korte introductie van Ida P. Moffett tot de Engelse vertaling vormen
het best leesbare deel van het boek. Bepaalde symbolische voorstellingen,
vervat in Dogon-beelden, zijn herkenbaar aan de hand van andere mythologieën:
scheppingsmythen, de plaats van de aarde in de ruimte, zonnestilstanden
en nachteveningen, de prehistorische mensheid, de ingewikkelde psychologie
(de mens heeft acht zielen), en de heiligheid van graan en zaden die
leven schenken aan alle wezens, worden vermeld. Dieterlen drukt het
zo uit: ‘De wereld wordt gezien als een geheel, en dit geheel
is gedacht, gerealiseerd en georganiseerd door één scheppende
God tot een volledig stelsel dat ook wanorde omvat’ (blz. 57-8).
Deze wanorde (chaos?) wordt voorgesteld door de ‘pale fox’,
de tweelingbroer van de scheppende kracht, de godheid in wiens sleutelbeenderen
de zaden van het leven worden bewaard.
De Dogontraditie kent ook de klassieke en onvermijdelijke eisen die
worden gesteld aan hen die verlichting zoeken: stilte, geheimhouding
en gereedheid. ‘Het onderricht vereist een permanent streven van
ieder die ingewijd wenst te worden’. De aspirant-leerling moet
vragen stellen voordat hem iets wordt verteld. Als hij niet rijp genoeg
is om het te begrijpen ‘moet de instructeur het zwijgen bewaren
. . . hij geeft geen les maar geeft eerder richting en leiding aan een
soort onderzoek.’
Maar zelfs gedurende het onderricht en als de student
heeft begrepen dat er een systeem bestaat, krijgt hij niet de sleutel
hiertoe; het is aan de kandidaat zelf om die te vinden. Zo moet hij
ook, als hij tenslotte kennis heeft ontvangen en verwerkt, een aantal
heilige teksten heeft begrepen en de betekenis van rituele gebaren
heeft beseft, enz., zelf het verband leggen tussen de verschillende
fragmenten of gezichtspunten en de synthese scheppen van de ‘geschiedenis
van de wereld’. – blz. 69
Net als bij andere mythologieën, moeten de Dogon-allegorieën
van de ene laag na de andere worden ontdaan, ‘zoals de omhulsels
van een zaad, en een van de redenen daarvoor is juist om een kostbaar
zaad, dat terecht behoort tot een universeel waardevol lichaam van kennis,
voor de profanen te bedekken en te verbergen’ (Griaule: La
connaissance de l’homme noir, blz. 61). Dat universele, waardevolle
lichaam van kennis weerspiegelt zich in iedere echte mythologie. De
Dogons zijn hierin uitzonderlijk, dat hun heilige leringen nog steeds
een actief deel vormen van hun dagelijks leven, zelfs al is veel van
het ingewikkelde ritueel op bedroevende wijze aangetast. Dieterlen verwijst
naar het ‘nauwkeurige biologische aspect’ van de Dogon-mythologie
en daar heeft ze gelijk in. Het gebruik van fallische symbolen is niet
ongewoon in scheppingsmythen en verklaart, indien juist toegepast, op
aanschouwelijke wijze het ontstaan van werelden en levende wezens, maar
de vermoeiende, honderden pagina’s lange herhalingen van seksuele
voorstellingen en bloedvergieten door bij het offeren behorende verminkingen,
castratie, baring en menstruatie worden steeds vervelender. Veel passages
worden geciteerd in de Dogon-taal en het boek bevat woordenlijsten van
botanische en andere termen. Deze en een gedetailleerde inhoudsopgave
maken gedeeltelijk goed dat een index ontbreekt, die in een verhandeling
van deze omvang gewenst is.
Het is een genot Hoyle’s ‘nieuwe visie op schepping en
evolutie’ op te slaan, een boek dat – hoe controversieel
ook – het religieuze denken benadert op nuchtere en gezonde wijze.
Sir Fred Hoyle staat allang bekend als een origineel mens in een gemeenschap
van originele geesten waar men het onorthodoxe kan verwachten, en in
The Intelligent Universe brengt hij aan de hand van waarnemingen
en conclusies tot uitdrukking waarover anderen speculeren of waarin
ze graag geloven. Zijn stelling betreft een heelal dat is ontworpen
en wordt geleid door een intelligentie die ons begrip te boven gaat
– niet een superkosmische god, een personage met onbeperkte macht
die het lot van wezens bepaalt, maar een inherent bewustzijn van zijn
eigen soort dat is belichaamd in de totale kosmos en dat zich aan onze
waarneming onttrekt.
Hij leidt het onderwerp in met overtuigend bewijsmateriaal voor het
bestaan van leven in de gehele ruimte, in de vorm van micro-organismen
zoals bacteriën, en veronderstelt dat het leven op aarde kwam vanuit
de ruimte die er vol van is: ‘Kometenstof is leven, . . . niet
slechts een voorloper ervan.’ Hij ondersteunt dit idee door te
wijzen op wat monsters van Mars te zien gaven, naast andere resultaten.
Door het landingstoestel van de Viking werden twee reeksen proeven gedaan:
de ene, een ‘Labeled release’ experiment, toonde positieve
resultaten, de andere, een organische analyse experiment (GCMS) was
negatief. Daar geen van beide als definitief kon worden beschouwd ten
opzichte van de andere en er om een conclusie werd gevraagd, moest men
een keuze maken. Het tweede resultaat werd tenslotte willekeurig aanvaard
en is het standaardcriterium geworden. In de jaren 60 werden bij proeven
op grote hoogte levende bacteriën gevonden in gebieden tot 40 km
boven het aardoppervlak, en in 1979 rapporteerde een Russische bioloog,
S.V. Lysenko, dat twee vluchten boven de stratosfeer monsters hadden
opgeleverd die op 73 km hoogte waren genomen en waaruit circa dertig
bacterie-culturen werden gekweekt. Sir Fred is ervan overtuigd dat er
voldoende voorzorgsmaatregelen waren genomen om de echtheid van de vondst
te verzekeren en voert krachtige argumenten aan voor de geloofwaardigheid
van de accuratesse van het resultaat. Hij zegt
De aanwezigheid van micro-organismen in de ruimte
en op andere planeten en hun vermogen om een reis door de atmosfeer
van de aarde te overleven, wijzen alle op één conclusie.
Ze maken het uiterst waarschijnlijk dat het genetische materiaal van
onze cellen, de DNA dubbelspiraal, een accumulatie is van genen die
onze aarde van buitenaf bereikten. – blz.
109
Even later gaat hij verder:
Dit ensceneert de oorsprong van het leven op het
grootst denkbare toneel. Dat toneel is niet plaatselijk, niet beperkt
tot ons zonnestelsel en zelfs niet tot ons eigen melkwegstelsel, maar
is in werkelijkheid kosmisch. Als er bij de oorsprong van leven een
intelligentie was betrokken, dan was die intelligentie zeer groot
en wordt, denk ik, door het religieus instinct dat in ons allen huist,
als zodanig erkend, het instinct dat ons toefluistert vanuit een afgelegen
hoekje van ons bewustzijn. Het leven is dus een kosmologisch verschijnsel,
misschien het meest fundamentele aspect van het heelal zelf. –
blz. 161
Prof. Hoyle leidt hieruit af dat de kosmos een intelligentie belichaamt,
zo groot en voor ons zo onbegrijpelijk, dat hij ons menselijk vermogen
het waar te nemen – of liever gebrek aan waarneming – vergelijkt
met dat van een mier die over een mens nadenkt. Dan stelt hij een nadrukkelijke
vraag: ‘Is er een grens tussen geest en stof?’ Het probleem
van hun wisselwerking is er een waar we ons niet gemakkelijk van af
kunnen maken want ‘het is met ons bewustzijn dat we denken en
waarnemen en het zou ons verbazen als er geen wisselwerking zou zijn
tussen de wereld van de geest en die van de stof.’
De situatie op het tussengebied blijft onzeker. Ik
denk dat de astronomen uiteindelijk zullen ontdekken dat veel van
wat ze op dit moment geloven inzake het gedrag en de vorming van melkwegstelsels
zo zal moeten worden aangepast dat rekening wordt gehouden met een
intelligente macht. – blz. 223
Hij spreekt verder over drie niveau’s van intelligente macht:
planetair (betrekking hebbend op het zonnestelsel), galactisch en kosmisch.
Dit loopt precies parallel met het hiërarchisch systeem van de
tijdloze theosofische filosofie, waar men die ook aantreft. Hoyle houdt
er rekening mee dat ‘een gemeenschap die zich door een [darwinistische]
theorie laat leiden heel waarschijnlijk op het spoor van zelfvernietiging
wordt gezet’, en hij voelt duidelijk aan dat de hoop voor de mensheid
huist in de erkenning van een ‘intelligente’ solidariteit,
die alle wezens in de onpeilbare ruimte verenigt en waartoe
onze soort onontkoombaar behoort. De mensheid heeft hiervan in de loop
der tijden een vleugje begrip gekregen.
Met begrip kwam macht, zowel het vermogen om te vernietigen
als om te overleven . . . Maar tegenover het verlangen te vernietigen
stond altijd een instinctieve neiging, een drang om te bouwen, die
de kerken en tempels over de hele wereld schiep. Alfred Russel Wallace
bracht die instinctieve neiging onder woorden door ze te beschrijven
als iets mysterieus en heiligs, waardoor de waarheid onder de deugden
de hoogste plaats verwerft. Anderen zouden diezelfde instinctieve
inspiratie kunnen vinden in het visioen van de Elyseïsche velden,
waarheen Beethoven ons voert in de langzame thema’s van zijn
latere kwartetten.
Het boek eindigt met de volgende opmerking:
. . . Ofschoon het naar mijn mening geen nut heeft
terug te keren tot oudere religieuze opvattingen, zullen we moeten
begrijpen hoe het komt dat het geheimzinnige en heilige dat Wallace
beschrijft in ons blijft voortleven, en ons wenkt naar de Elyseïsche
velden, als we er slechts gevolg aan geven. –
blz. 250-1
Het is interessant dat deze drie boeken met hun verschillende kijk
op het heelal en de werkelijkheid alle één overheersend
idee gemeen hebben: het heelal is een samenhangend geheel, een eenheid
die uit een oneindige verscheidenheid bestaat. Als de wetenschapper
‘God’ vervangt door ‘bewustzijn’, ‘energie’,
‘geest’, ‘intelligentie’, wordt hij niet minder
bewogen door een goddelijke aanwezigheid – niet door een godheid
in den hoge, maar door die onzichtbare kracht, die inspiratie geeft
aan dat ‘mysterieus heilige’ van de zielewijsheid: dat is
het wat ons verenigt met de ons omringende kosmos, de bron van alles
wat we zijn of kunnen worden en waarin we, met de melkwegstelsels en
atomen, de talrijke onderdelen van de kosmische eenheid vertegenwoordigen.
Hoe ver onze blik ook reikt, alles is één stelsel, overal
opgebouwd uit dezelfde elementen, hoewel in verschillende verhoudingen;
en wat één deel bevat is aanwezig in het geheel en in
potentie in ieder ander deel. De mens, die leeft, liefheeft, die vernuftig
en dwaas is, heeft als sterveling ongetwijfeld iets in ieder deel van
zijn wezen dat verwant is aan de kosmische intelligentie in wier domein
we leven, ons bewegen en blijvend zijn. De eenheid van alle leven, zoals
die in de mysteriën van de oude wereld werd geaccentueerd, wordt
door de wetenschappers herontdekt en in twintigste eeuwse termen opnieuw
verwoord.