De tijd is een psychologisch verschijnsel, een mysterieuze illusie!
Leven we niet in het ‘eeuwige nu’? Wat dwaas om de tijd
in te delen in dagen, maanden, jaren en eonen.
In dit heilige jaargetijde van het oeroude feest van de winterzonnestilstand
besefte ik dat er geen grenzen bestaan tussen de werelden, de levende
en de niet-levende. Ik voelde me absoluut onafscheidelijk van de natuur;
er was geen werkelijk verschil tussen een boom en mijzelf – slechts
harmonie, die er overal op uit is het te winnen van disharmonie. Zouden
negatieve impulsen het positieve kunnen overwinnen?
Wanneer het licht verschijnt, verdwijnt ogenblikkelijk de duisternis
en het is dan ook duidelijk dat het positieve element eeuwig zegeviert
over alle negatieve krachten. Jezus en Boeddha waren het levende bewijs
van de onverbiddelijke natuurwet dat verkeerde daden – zogenaamde
‘zonden’ – niet onze kosmos beheersen. De pantheons
van alle volkeren zijn niets anders dan verhevener bestaansgebieden,
waar superwezens, deva’s, subtiele lichamen van licht
bezitten. Zij kunnen in hun eigen verfijnde lichamen van licht niet
afdalen naar onze planeet, als ze dat willen doen, moeten ze een stoffelijker
lichaam of nirmanakaya vormen, zoals Boeddha en Jezus deden.
Of Jezus ooit werd geboren of niet, dit grote mysterie is een illustratie
van een kosmische waarheid.
Er was eens een deva die oprecht wenste de Boeddha te ondervragen
om een ernstig metafysisch probleem op te lossen, en die voor hem verscheen
zonder zijn gewone deva-vorm te veranderen, de deva kon echter niet
op de aarde staan. Hij begon weg te zinken in de grond, waarop de Boeddha
hem adviseerde zijn subtiele lichaam te veranderen in een meer stoffelijke
vorm. Hieraan zien we dat de god of goden zich niet veelvuldig op aarde
kunnen vertonen. Hun lichaam bestaat uit lichtatomen, zo fijn van aard
dat ze, als ze naar ons afdaalden, zouden oplossen zoals een vloeistof
die men op de grond sprenkelt snel verdwijnt. Dezelfde natuurwet geldt
voor de goden op aarde. Onder gewone omstandigheden zien we ze niet.
Waarom zou men moeten twijfelen aan de innerlijke waarheid achter het
dogma van de onbevlekte ontvangenis? Dat is een mysterie dat ook bekend
was aan de voorchristelijke religieuze mens in het Middellandse-Zeegebied,
want het christendom is slechts een vernieuwing van de mystieke godsdiensten
van de antieke wereld. De boeddhistische goden zijn hemelse en astrale
wezens die alleen door liefde konden bestaan. Jezus bad zelfs aan het
kruis voor zijn vijanden. Boeddha voelde voor zijn eigen aartsvijand
Devadatta dezelfde liefde die hij aan zijn zoon Rahula schonk. Wat is
haat? Het is slechts een negatieve toestand van het hart waaraan liefde
ontbreekt. Laten we ons hart openstellen voor de stralen van maitri,
of de alomvattende liefde. Laten we ons voorstellen dat elk van ons
één is met het heelal, levend en niet-levend, bewust of
niet-bewust. Als ik in een bloementuin sta, vereenzelvig ik me instinctief
met de in de wind wuivende bloemen. Een Chinese mysticus droomde eens
dat hij een vlinder was, maar toen hij ontwaakte vroeg hij zich af of
hij niet werkelijk een vlinder was die droomde dat hij een mens was!
Dat geeft een juist beeld van ons ware wezen. Zijn we geen deva’s,
die dromen dat we mensen zijn?