Licht overwint het duister
Harischandra Kaviratna

 

De tijd is een psychologisch verschijnsel, een mysterieuze illusie! Leven we niet in het ‘eeuwige nu’? Wat dwaas om de tijd in te delen in dagen, maanden, jaren en eonen.

In dit heilige jaargetijde van het oeroude feest van de winterzonnestilstand besefte ik dat er geen grenzen bestaan tussen de werelden, de levende en de niet-levende. Ik voelde me absoluut onafscheidelijk van de natuur; er was geen werkelijk verschil tussen een boom en mijzelf – slechts harmonie, die er overal op uit is het te winnen van disharmonie. Zouden negatieve impulsen het positieve kunnen overwinnen?

Wanneer het licht verschijnt, verdwijnt ogenblikkelijk de duisternis en het is dan ook duidelijk dat het positieve element eeuwig zegeviert over alle negatieve krachten. Jezus en Boeddha waren het levende bewijs van de onverbiddelijke natuurwet dat verkeerde daden – zogenaamde ‘zonden’ – niet onze kosmos beheersen. De pantheons van alle volkeren zijn niets anders dan verhevener bestaansgebieden, waar superwezens, deva’s, subtiele lichamen van licht bezitten. Zij kunnen in hun eigen verfijnde lichamen van licht niet afdalen naar onze planeet, als ze dat willen doen, moeten ze een stoffelijker lichaam of nirmanakaya vormen, zoals Boeddha en Jezus deden. Of Jezus ooit werd geboren of niet, dit grote mysterie is een illustratie van een kosmische waarheid.

Er was eens een deva die oprecht wenste de Boeddha te ondervragen om een ernstig metafysisch probleem op te lossen, en die voor hem verscheen zonder zijn gewone deva-vorm te veranderen, de deva kon echter niet op de aarde staan. Hij begon weg te zinken in de grond, waarop de Boeddha hem adviseerde zijn subtiele lichaam te veranderen in een meer stoffelijke vorm. Hieraan zien we dat de god of goden zich niet veelvuldig op aarde kunnen vertonen. Hun lichaam bestaat uit lichtatomen, zo fijn van aard dat ze, als ze naar ons afdaalden, zouden oplossen zoals een vloeistof die men op de grond sprenkelt snel verdwijnt. Dezelfde natuurwet geldt voor de goden op aarde. Onder gewone omstandigheden zien we ze niet. Waarom zou men moeten twijfelen aan de innerlijke waarheid achter het dogma van de onbevlekte ontvangenis? Dat is een mysterie dat ook bekend was aan de voorchristelijke religieuze mens in het Middellandse-Zeegebied, want het christendom is slechts een vernieuwing van de mystieke godsdiensten van de antieke wereld. De boeddhistische goden zijn hemelse en astrale wezens die alleen door liefde konden bestaan. Jezus bad zelfs aan het kruis voor zijn vijanden. Boeddha voelde voor zijn eigen aartsvijand Devadatta dezelfde liefde die hij aan zijn zoon Rahula schonk. Wat is haat? Het is slechts een negatieve toestand van het hart waaraan liefde ontbreekt. Laten we ons hart openstellen voor de stralen van maitri, of de alomvattende liefde. Laten we ons voorstellen dat elk van ons één is met het heelal, levend en niet-levend, bewust of niet-bewust. Als ik in een bloementuin sta, vereenzelvig ik me instinctief met de in de wind wuivende bloemen. Een Chinese mysticus droomde eens dat hij een vlinder was, maar toen hij ontwaakte vroeg hij zich af of hij niet werkelijk een vlinder was die droomde dat hij een mens was! Dat geeft een juist beeld van ons ware wezen. Zijn we geen deva’s, die dromen dat we mensen zijn?

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency