Onze trouwe metgezel
Ingrid Van Mater

 

Het mysterie van het goddelijke zelf is het mysterie van de menselijke bestemming. De overleveringen in de wereld geven het vele namen: de kenner, de krijger, het zelflichtende zelf, de christosgeest, de getuige, de vader, en vertrooster. De zekerheid dat ons onsterfelijke zelf, onze meest vertrouwde en betrouwbare vriend, ons te allen tijde bijstaat, geeft richting aan ons leven. Want dit lichtende zelf is het onzichtbare, eeuwige deel van ons, de bron van onze inspiratie en wijsheid, die door de duisternis van wanhoop en leed schijnt. Als we in harmonie leven met deze geruststellende tegenwoordigheid, zullen we ons in de innerlijke stilte bewust worden van een groeiende stabiliteit en kracht. Maar eerst moeten we erin geloven en er niet bang voor zijn.

De tijd van de zonnestilstand brengt met zich dat er verlangens in ons ontwaken die ver uitgaan boven ons alledaagse bewustzijn, oude herinneringen beroeren de ziel. Dit alles, plus het natuurlijke proces van zelfonderzoek dat het einde van het jaar met zich brengt en de belofte van nieuwe mogelijkheden leiden tot een diepere zelfbeschouwing. Het is op zulke ogenblikken, wanneer we met onszelf worden geconfronteerd, dat we een positief gevoel van alleenzijn ervaren, dat ons bewustzijn en onze betrokkenheid vergroot. Een stille dialoog volgt met de kenner in ons, en flitsen van inzicht, vrede en diepe vertroosting komen tot ons.

Het vermogen ons met onszelf in eenzaamheid in vrede te voelen is een belangrijke stap om erachter te komen wie we werkelijk zijn. Eenzaamheid is mysterieus en in veel opzichten een illusie, ontstaan doordat we ons aan de schijn hechten. We zijn alleen geboren en we sterven alleen. Toch zijn we in de ware zin nooit alleen, want ons hogere zelf is altijd met ons, zowel in de dood als in het leven. In de slaap weet en registreert onze getuige en vertrooster alles, en als we in een positieve gemoedstoestand gaan slapen, worden we ’s morgens vaak innerlijk verfrist wakker en vinden we antwoorden op problemen die ons kwellen. Alleenzijn is zowel natuurlijk als noodzakelijk voor ons en geeft ons de mogelijkheid ons bezig te houden met die dimensies in onszelf die uitgaan boven de oppervlakte. Naarmate we innerlijk rijker worden, zullen we steeds minder geneigd zijn ons eenzaam te voelen.

In ons diepste innerlijk behoren we tot de universele natuur. Het schenkt spirituele vreugde als we ons een deel voelen van het evolutie-avontuur van alle leven. Al is ieder van ons een eenzame reiziger op de weg van zelfontdekking, die zijn weg zoekt en zijn strijd voert, toch maken we allen dezelfde reis, en hebben we bewust of onbewust een ver reikende invloed op elkaar. Als we in onze persoonlijkheid leven, zijn we ons niet bewust van onze universele banden en versluieren we het licht dat ons verlichting zou kunnen brengen. Als onze levenshouding onzelfzuchtig is, staat de kracht van het heelal achter ons. Ieder moment voegen we iets toe aan het algemene goede in de wereld of onttrekken daaraan iets, afhankelijk van de aard van wat we zijn.

De overtuiging dat we een schat aan waarheid in ons hebben, is het verschil tussen bewust zelfvertrouwen en afhankelijkheid van een macht of wezen buiten ons. Ware vriendschap bijvoorbeeld is eerder een relatie van wederzijdse steun dan van afhankelijkheid, een geven en nemen dat buitengewoon waardevol is. Het is onze menselijke ziel die eenzaamheid voelt, ontmoediging en het besef niet tegen het leven opgewassen te zijn, terwijl het licht van de geest, de christos, het hart vervult van vreugde, hoop, en mededogen, zoals de kaars die ‘brandt en verlicht door zich op te offeren’. Door in het leven het beste te geven, openen we geleidelijk de weg om ons goddelijke zelf te worden, wat de bestemming is van de hele mensheid; het doel dat degenen die ons voor zijn gegaan, volledig hebben bereikt. Zij zijn de leraren en redders van de wereld, en hun weldadige invloed wordt in dit jaargetijde gevoeld.

Er is een mystiek verhaal [Why the Chimes Rang, Raymond Macdonald Alden] dat de ware geest van menselijk streven en van Kerstmis vertolkt. Het speelt zich af rond een kerk met een stenen klokkentoren die zo hoog oprijst dat hij de wolken schijnt te raken. Het was wijd en zijd bekend dat de klokken een magische schoonheid bezaten en dat het ‘niet de bedoeling was dat ze door mensen op gewone dagen zouden worden bespeeld.’ Maar de klokken waren al heel, heel lang niet meer gehoord. Iedere Kerstmis verdrongen de mensen zich om de kerk, rijk en arm, om hun offeranden op het altaar te leggen in de hoop dat de klokken weer zouden spelen.

Pedro en zijn broertje Antonio, die in een klein dorpje woonden vele kilometers ver, hadden over de legende van de kerkklokken gehoord en besloten op pelgrimstocht te gaan om het Kerstfeest bij te wonen. Ze trokken moeizaam over de dik besneeuwde weg en toen ze bij de muur om de stad kwamen, vonden ze een vrouw die in de sneeuw lag. Pedro wist dat hij niet kon doorlopen. Hij zei tegen Antonio dat hij alleen moest verdergaan, want de arme vrouw zou doodvriezen als er niemand was om haar te helpen; hij zou het broodje dat hij in zijn zak had met haar delen. Antonio kon niet geloven dat Pedro, die erop had gerekend het feest bij te wonen, wilde achterblijven. Pedro’s ogen vulden zich met tranen: ‘Je moet alles tweemaal zien en horen, broertje, éénmaal voor jou en éénmaal voor mij. En als je de kans krijgt, leg dan dit kleine zilverstukje van mij op het altaar, als niemand kijkt.’

Antonio was op tijd in de kerk en na de preek was er een luisterrijke processie, manden met goud en juwelen werden naar het altaar gebracht en iedereen was vol verwachting om de klokken te horen spelen. Maar er werd geen enkel geluid gehoord. Het koor begon met de slothymne toen plotseling de organist ophield met spelen, het koor stil werd, en eerst zwak, maar steeds luider en luider er klokgelui klonk. Iedereen stond op om te zien wat dit wonder na zo lange tijd had veroorzaakt. Al wat men zag was het kinderfiguurtje van Pedro’s broertje, die stilletjes door het gangpad was gelopen toen niemand keek en Pedro’s kleine zilverstukje op het altaar had gelegd.

Waarachtig geven betekent offeren. En wat dit jaargetijde en alle leven doet stralen van licht is het offer. Of het gaat om het offer van de goden waardoor werelden tot aanzijn komen, de toewijding van verlossers die het hart van de mensheid verheft, of het nederig opgeven van een persoonlijke wens ter wille van een grotere nood – dat alles behoort tot het mysterie van het goddelijke zijn waaraan wij allen deelhebben. Door anderen met gevoelens van sympathie tegemoet te treden, voelen we, zoals Pedro, de meedogende gloed van het hogere zelf, onze trouwe metgezel, niet alleen in dit jaargetijde maar het hele jaar door.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency