Het mysterie van het goddelijke zelf is het mysterie van de menselijke
bestemming. De overleveringen in de wereld geven het vele namen: de
kenner, de krijger, het zelflichtende zelf, de christosgeest, de getuige,
de vader, en vertrooster. De zekerheid dat ons onsterfelijke zelf, onze
meest vertrouwde en betrouwbare vriend, ons te allen tijde bijstaat,
geeft richting aan ons leven. Want dit lichtende zelf is het onzichtbare,
eeuwige deel van ons, de bron van onze inspiratie en wijsheid, die door
de duisternis van wanhoop en leed schijnt. Als we in harmonie leven
met deze geruststellende tegenwoordigheid, zullen we ons in de innerlijke
stilte bewust worden van een groeiende stabiliteit en kracht. Maar eerst
moeten we erin geloven en er niet bang voor zijn.
De tijd van de zonnestilstand brengt met zich dat er verlangens in
ons ontwaken die ver uitgaan boven ons alledaagse bewustzijn, oude herinneringen
beroeren de ziel. Dit alles, plus het natuurlijke proces van zelfonderzoek
dat het einde van het jaar met zich brengt en de belofte van nieuwe
mogelijkheden leiden tot een diepere zelfbeschouwing. Het is op zulke
ogenblikken, wanneer we met onszelf worden geconfronteerd, dat we een
positief gevoel van alleenzijn ervaren, dat ons bewustzijn en onze betrokkenheid
vergroot. Een stille dialoog volgt met de kenner in ons, en flitsen
van inzicht, vrede en diepe vertroosting komen tot ons.
Het vermogen ons met onszelf in eenzaamheid in vrede te voelen is een
belangrijke stap om erachter te komen wie we werkelijk zijn. Eenzaamheid
is mysterieus en in veel opzichten een illusie, ontstaan doordat we
ons aan de schijn hechten. We zijn alleen geboren en we sterven alleen.
Toch zijn we in de ware zin nooit alleen, want ons hogere zelf is altijd
met ons, zowel in de dood als in het leven. In de slaap weet en registreert
onze getuige en vertrooster alles, en als we in een positieve gemoedstoestand
gaan slapen, worden we ’s morgens vaak innerlijk verfrist wakker
en vinden we antwoorden op problemen die ons kwellen. Alleenzijn is
zowel natuurlijk als noodzakelijk voor ons en geeft ons de mogelijkheid
ons bezig te houden met die dimensies in onszelf die uitgaan boven de
oppervlakte. Naarmate we innerlijk rijker worden, zullen we steeds minder
geneigd zijn ons eenzaam te voelen.
In ons diepste innerlijk behoren we tot de universele natuur. Het schenkt
spirituele vreugde als we ons een deel voelen van het evolutie-avontuur
van alle leven. Al is ieder van ons een eenzame reiziger op de weg van
zelfontdekking, die zijn weg zoekt en zijn strijd voert, toch maken
we allen dezelfde reis, en hebben we bewust of onbewust een ver reikende
invloed op elkaar. Als we in onze persoonlijkheid leven, zijn we ons
niet bewust van onze universele banden en versluieren we het licht dat
ons verlichting zou kunnen brengen. Als onze levenshouding onzelfzuchtig
is, staat de kracht van het heelal achter ons. Ieder moment voegen we
iets toe aan het algemene goede in de wereld of onttrekken daaraan iets,
afhankelijk van de aard van wat we zijn.
De overtuiging dat we een schat aan waarheid in ons hebben, is het
verschil tussen bewust zelfvertrouwen en afhankelijkheid van een macht
of wezen buiten ons. Ware vriendschap bijvoorbeeld is eerder een relatie
van wederzijdse steun dan van afhankelijkheid, een geven en nemen dat
buitengewoon waardevol is. Het is onze menselijke ziel die eenzaamheid
voelt, ontmoediging en het besef niet tegen het leven opgewassen te
zijn, terwijl het licht van de geest, de christos, het hart vervult
van vreugde, hoop, en mededogen, zoals de kaars die ‘brandt en
verlicht door zich op te offeren’. Door in het leven het beste
te geven, openen we geleidelijk de weg om ons goddelijke zelf te worden,
wat de bestemming is van de hele mensheid; het doel dat degenen die
ons voor zijn gegaan, volledig hebben bereikt. Zij zijn de leraren en
redders van de wereld, en hun weldadige invloed wordt in dit jaargetijde
gevoeld.
Er is een mystiek verhaal [Why the Chimes Rang, Raymond Macdonald
Alden] dat de ware geest van menselijk streven en van Kerstmis vertolkt.
Het speelt zich af rond een kerk met een stenen klokkentoren die zo
hoog oprijst dat hij de wolken schijnt te raken. Het was wijd en zijd
bekend dat de klokken een magische schoonheid bezaten en dat het ‘niet
de bedoeling was dat ze door mensen op gewone dagen zouden worden bespeeld.’
Maar de klokken waren al heel, heel lang niet meer gehoord. Iedere Kerstmis
verdrongen de mensen zich om de kerk, rijk en arm, om hun offeranden
op het altaar te leggen in de hoop dat de klokken weer zouden spelen.
Pedro en zijn broertje Antonio, die in een klein dorpje woonden vele
kilometers ver, hadden over de legende van de kerkklokken gehoord en
besloten op pelgrimstocht te gaan om het Kerstfeest bij te wonen. Ze
trokken moeizaam over de dik besneeuwde weg en toen ze bij de muur om
de stad kwamen, vonden ze een vrouw die in de sneeuw lag. Pedro wist
dat hij niet kon doorlopen. Hij zei tegen Antonio dat hij alleen moest
verdergaan, want de arme vrouw zou doodvriezen als er niemand was om
haar te helpen; hij zou het broodje dat hij in zijn zak had met haar
delen. Antonio kon niet geloven dat Pedro, die erop had gerekend het
feest bij te wonen, wilde achterblijven. Pedro’s ogen vulden zich
met tranen: ‘Je moet alles tweemaal zien en horen, broertje, éénmaal
voor jou en éénmaal voor mij. En als je de kans krijgt,
leg dan dit kleine zilverstukje van mij op het altaar, als niemand kijkt.’
Antonio was op tijd in de kerk en na de preek was er een luisterrijke
processie, manden met goud en juwelen werden naar het altaar gebracht
en iedereen was vol verwachting om de klokken te horen spelen. Maar
er werd geen enkel geluid gehoord. Het koor begon met de slothymne toen
plotseling de organist ophield met spelen, het koor stil werd, en eerst
zwak, maar steeds luider en luider er klokgelui klonk. Iedereen stond
op om te zien wat dit wonder na zo lange tijd had veroorzaakt. Al wat
men zag was het kinderfiguurtje van Pedro’s broertje, die stilletjes
door het gangpad was gelopen toen niemand keek en Pedro’s kleine
zilverstukje op het altaar had gelegd.
Waarachtig geven betekent offeren. En wat dit jaargetijde en alle leven
doet stralen van licht is het offer. Of het gaat om het offer van de
goden waardoor werelden tot aanzijn komen, de toewijding van verlossers
die het hart van de mensheid verheft, of het nederig opgeven van een
persoonlijke wens ter wille van een grotere nood – dat alles behoort
tot het mysterie van het goddelijke zijn waaraan wij allen deelhebben.
Door anderen met gevoelens van sympathie tegemoet te treden, voelen
we, zoals Pedro, de meedogende gloed van het hogere zelf, onze trouwe
metgezel, niet alleen in dit jaargetijde maar het hele jaar door.