De elektrocutie die onlangs plaatsvond van een gevangene die onder
invloed van drugs een misdaad beging, was bijzonder verontrustend. Voor
en na het tragische gebeuren was hij een meelevende, zorgzame en intelligente
jongeman. Toen zijn geestelijke gezondheid terugkeerde, leed niet alleen
hij iedere dag van de negen jaar die hij in de dodencel doorbracht om
wat hij zijn slachtoffer had aangedaan, maar ook de familie van het
slachtoffer en zijn eigen familie en vrienden.
Het gevoel van schaamte, en de woede en verwijten tegenover hen die
hem van drugs hadden voorzien, zouden fataal zijn geweest als hij niet
tot het inzicht was gekomen, door boeken over karma en wederbelichaming
die hij had gelezen, dat hij zelf verantwoordelijk was, ook al herinnerde
hij zich zijn misdaad niet. In vroegere incarnaties moesten hij en zijn
slachtoffer de omstandigheden hebben geschapen die hen op zo tragische
wijze weer samenbrachten. In zeker opzicht waren beiden slachtoffers,
maar beiden konden ook, dacht hij, winnaars zijn als hij zich nu verbeterde.
Daartoe besloot hij. Zijn lange opsluiting en dood zouden niet voldoende
zijn om de keten van oorzaken te verbreken; hij begreep dat hij zichzelf
en het karma dat daarmee samenhing totaal moest veranderen. Hij begon
innerlijk aan zichzelf te werken, verbeterde zijn houding en gedachten
zodat hij, voor zover zijn opsluiting dat toeliet, anderen van dienst
zou kunnen zijn. Op deze wijze wilde hij het leed dat hij had veroorzaakt
goedmaken, en zich voorbereiden op toekomstige incarnaties, waarin hij
onder omstandigheden geboren hoopte te worden waarin hij hen die hij
onrecht had aangedaan in grotere mate van dienst kon zijn. Zijn volhardend
pogen veroorzaakte wonderen. Gevangenbewaarders en ambtenaren gaven
later toe dat ze de jongeman misten: er was iets met hem dat ze bij
niemand anders zagen.
Een dergelijk voorbeeld doet ons inzien hoe betrokken we raken bij
anderen door onze gedachten en daden, zelfs onopzettelijk. Dit brengt
ons ertoe ons leven te overzien, onze motieven en verlangens, en hun
mogelijke gevolgen na te gaan, Voedingsdeskundigen zeggen dat we zijn
wat we eten; boeddhisten dat we zijn wat we denken: ‘Alle wezens
worden geleid door gedachten, worden beheerst door gedachten, en bestaan
uit gedachten.’
Onder de onverbiddelijke wet van karma is ieder mens wat hij is en
waar hij is als gevolg van zijn daden in het verleden. Wat hij in de
toekomst zal zijn, wordt bepaald door wat hij nu van zichzelf maakt.
Als men eenmaal begint op positieve en meedogende wijze te handelen,
dan wordt dat een gewoonte. De heilzame gevolgen ervan werken door in
het leven en de doodservaringen en, als het ons karma is, brengen ze
ons in omstandigheden waarin we anderen beter kunnen helpen. Als we
dat begrijpen, krijgen de gebeurtenissen in ons leven een nieuwe betekenis.
De vrees voor het onbekende en voor karmische rampen verdwijnt, want
omdat we weten dat we fouten uit het verleden kunnen herstellen, veranderen
we de wrekende demonen die we zelf hebben geschapen. Gesterkt door kennis
en het voornemen om goed te doen, brengen we aan deze vijanden uit ons
verleden een zekere mate van vrede. Spanningen nemen af. Mensen (en
situaties) die we vreesden, gaan we zien als vrienden, wat ze levens
geleden misschien ook waren vóór we ze van ons vervreemdden.
Als we teruggaan langs de karmische actie-reactie-actie keten, terug
naar de oorzaken die de gevangene misschien levens geleden op gang heeft
gebracht, kunnen we ons verbazen over de kracht van de eerste gedachte
die de lange keten in beweging zette, en die culmineerde in een zo tragische
climax. Heel wat omstandigheden en individuen hebben, zowel onbewust
als opzettelijk, bijgedragen aan zijn aftakeling. Hij handelde niet
alleen en hij was ook niet alleen verantwoordelijk. Niemand kan alleen
zondigen of de gevolgen van een zonde ondergaan. Ook kan niemand alleen
iets goed doen en daarvan alleen de vruchten plukken. We worden allemaal
beïnvloed door de verlangens, gedachten of daden van anderen, en
omgekeerd beïnvloeden wij anderen ten goede of ten kwade, of we
dat weten of niet.
Bovendien zijn gedachten nooit voorgoed verdwenen. Wanneer ze eenmaal
zijn gestart, gaan ze een eigen leven leiden en reizen ze van het ene
brein naar het andere, waar ze, als ze niet worden afgewezen, tot een
daad aansporen, en op deze wijze dragen ze bij tot de verheffing of
verlaging van het wereldbewustzijn. Carl Jung werd geboeid door deze
overdracht van karmische gevolgen. In zijn autobiografie schreef hij:
‘Als ik sterf, zullen mijn daden me volgen – zo stel ik
me dat voor. Ik neem met me mee wat ik heb gedaan.’*
*Herinneringen, Dromen, Gedachten.
Tsong-kha-pa, de grote veertiende-eeuwse hervormer van het Tibetaans
boeddhisme, beschreef deze opeenvolging als bestaande uit denken, willen,
handelen, nawerking, resultaten. Voor hem is het resultaat of het gevolg
van een daad de karmische uitwerking. Al lijkt het alsof de stoffelijke
daad is verdwenen, de energie die met de daad samenhing is alleen uit
het gezicht verdwenen, is latent geworden, en wacht op een gelegenheid
om karmische vruchten voort te brengen. Dit gebeurt op alle gebieden.
Tsong-kha-pa, die vooruitliep op de moderne psychologie, beschrijft
zo de duurzame aard van de nawerkingen.
Door de herhalingen van oorzaak en gevolg in de loop van vele levens
kan men grootheid verwerven. De Sutta-Nipata (3.9.57) zegt
het volgende: ‘Men wordt geen brahmaan door geboorte, noch wordt
men een niet-brahmaan door geboorte. Men wordt een brahmaan door (zijn)
daden; men wordt een niet-brahmaan door (zijn) daden’ (vert.:
R.W. Neufeldt).
Maar kan men zo gemakkelijk ‘een brahmaan worden’? Kon
onze gevangene, door vriendelijke gedachten en daden het karma van vele
levens omvormen? Gemakkelijk is dat zeker niet. Wat hij probeerde en
wat hem tot op zekere hoogte lukte, was het patroon van zijn gedachten
en daden volkomen te veranderen. Dat vroeg om een enorme inspanning
en een standvastige beheersing van zijn mentale, emotionele en fysische
natuur. Hij ‘ontsnapte’ niet aan het karma van het verleden;
dat kan niemand. Hij veranderde echter zijn karakter en bracht zich
op een hoger plan zodat, als de ‘demonen’ uit zijn verleden
hem opnieuw benaderen, hij in staat zal zijn er onpersoonlijk op te
reageren en met begrip het juiste zal doen om valse elementen in harmonie
te brengen.