Mysteriën van het denkvermogen en het geheugen
Elsa-Brita Titchenell

 

Een heelal is een eenheid in een ongelofelijke verscheidenheid: microwerelden, te klein om waar te nemen, verenigen zich en vormen sterren en planeten, die zelf weer miniaturen zijn van grotere werelden, die zich tot onmetelijke ketens van galactische supersterrengroepen verbinden en zich uitstrekken over wat wij kennen als de ruimte. Een plan dat zo groots en wonderbaarlijk van opzet is, gaat het verstand te boven. Wat voor een onvoorstelbaar bewustzijn is het dat door alle lagere bewustzijnen werkt die voor zo’n plan nodig zijn en wat is het doel? Een menselijk denkvermogen zou zeker geen kosmos kunnen ontwerpen, maar wij konden wel onze menselijke eigenschappen tot ontwikkeling brengen, die een zwakke afspiegeling zijn van die grootse intelligentie, en hebben dat ook gedaan. Eigenlijk bevinden we ons altijd in het centrum van wat we waarnemen: in het midden van de ruimte, in het midden van de tijd, en in het midden als het om soort en grootte gaat; zo moet het ook wel zijn, want we zijn omringd door een oneindige uitgestrektheid, een eeuwige tijdsduur en ontelbare graden en soorten van bestaan.

We hebben alleen daarom enig begrip van het wonder om ons heen omdat we een begin hebben gemaakt met de ontwikkeling van de geest. Dit onpeilbaar en alomvattend vermogen, dat zo ruim en tegelijk zo broos en onvoorspelbaar is, is de meest mysterieuze factor in ons leven. Ongetwijfeld hebben de verheven intelligenties die de werelden ontwierpen en vormden een soort bewustzijn dat onze verbeeldingskracht volledig te boven gaat, zoals wij inzichten en perspectieven hebben die aan de minder ontwikkelde rijken op aarde onbekend zijn. We zijn niet beter of slechter dan zij, we hebben alleen meer ervaring dan de dieren en de planten, en veel minder dan de goden. Allen leven omdat ze bewust zijn, ongeacht of hun begripsvermogen naar onze maatstaven elementair of vergevorderd is.

Ieder wezen groeit van binnenuit om zijn eigenschappen te vervolmaken en op het juiste ogenblik ontwaakt het verstand. Het sluimert in de mineralen, die weinig kracht bezitten, maar wel een hoge graad van inert weerstandsvermogen. Het wordt duidelijker in de planten, die door hun verschillen in karakter en symbiotische relaties onze bewondering wekken. De grote verscheidenheid van dieren beslaat een uitgebreid gebied van bewustzijn. Door te gehoorzamen aan hun instinct, leveren zelfs de laagsten van hen opmerkelijke prestaties, terwijl de hogere zoogdieren vaak verrassend ver ontwikkeld zijn. Niettemin ligt er tussen hun halfautomatisch reactievermogen en de mentale vermogens van de mens een diepe kloof – geen verschil in essentie, maar in begrip, zelfkennis, en door ervaring verworven verlichting. De mensheid ontwikkelde haar vóórmenselijke eigenschappen in werelden uit het verre verleden, waarin we ongetwijfeld fasen hebben doorlopen die nu behoren tot volgende levensrijken, maar het vermogen abstract te denken, te filosoferen, geestelijk te begrijpen – ook duivelse plannen te beramen – begint in onze huidige wereld met het rijk van de mens en dat geldt ook voor de vrijheid om te kiezen.

We worden niet gedwongen gebruik te maken van deze gave of van de vrijheid die ze ons geeft onze eigen weg te kiezen. De vrije wil is geen voorrecht maar een noodzakelijk instrument; zonder dat zouden we marionetten zijn en niet in staat te oordelen en te onderscheiden. Er kan geen sprake zijn van het goede als het kwaad geen gelijke kansen heeft.

Het in hoge mate zelfbespiegelend bewustzijn dat ons tot mens maakt, opent voor ons ook de deur tot dat soort bewustzijn dat de goden siert. We leren door hen na te volgen die ons in evolutie vooruit zijn en die uit beschermende zorg voor hun jongere broeders ons, zoveel als hun mogelijk is, de middelen tot begrip hebben verschaft. Na de eerste rassen de kennis te hebben gegeven om te kunnen overleven en de intelligentie om zich te verbeteren, legden ze hun wijsheid vast in onsterfelijke mythen, legenden, en historische verhalen van blijvende waarde. De inspirerende inhoud van de Bergrede, de Edda, de Bhagavad Gita of de Mabinogion, is de oogst van enkele grote zielen, die door hun initiatieven een dieper inzicht verwierven dan wij gemiddeld bezitten.

Vanaf het begin der tijden moet de fundamentele waarheid achter alle uiterlijke schijn aanwezig zijn geweest, en toen het verstand in de mens begon te functioneren, waren de leidinggevende goden voor ons een inspiratie. Dat we nu zelf wijsheid moeten verwerven, is voor de meesten van ons misschien het moeilijkst te begrijpen. Als evolutie het gevolg zou zijn van het opdoen van kennis, zou een studieboek voldoende zijn om alle mensen volmaakt en deugdzaam te maken. Maar we weten dat dit niet zo is en dat maakt het mysterie van het verstand alleen maar groter.

We kunnen ons terecht afvragen wat de functie ervan is. Men zou kunnen zeggen dat de waarheid drie facetten heeft, en dat er drie hoofdwegen zijn die leiden tot inzicht in de werkelijkheid. Een ervan, het intellect, wordt bevredigd door kennis; voegen we daar een oprecht meevoelend begrip aan toe, dan hebben we een tweede aspect van de drie-eenheid. Het benaderen van het geheel vraagt echter om een zo intensieve geestelijke overgave, dat de gewone menselijke natuur de kracht ervan niet zou kunnen verdragen. Het betekent niets minder dan dat het pure lijden van een Jezus in Gethsemane en de vastberadenheid als die van Gautama onder de bodhi-boom, samenkomen in een brandpunt, dat het louterende vuur ontsteekt dat het zelf in zijn goddelijkheid herstelt. Maar dat lijden staat zo ver af van de algemene menselijke toestand en van de driften van de lagere natuur, dat men ze ziet als tegenpolen. Als we daarover nadenken, gaan we beseffen hoe groot de kloof is die ons van de goden scheidt. Zij alleen kennen de bittere drinkbeker die, wanneer men haar ledigt, verandert in de zoete wateren van de onsterfelijkheid.

De Griekse filosofen leerden dat een zinvol leven het gevolg is van de omgang met de Muzen. Zij zijn de negen dochters van Mnemosyne, die de Herinnering aan vergane eeuwigheden vertegenwoordigt, en werden verwekt door Zeus, universeel bewustzijn. Oorspronkelijk waren ze allen één in Mnemosyne; alleen in geopenbaarde vorm waren ze gescheiden. Het is onze taak ze te herenigen tot een gevoel van verbondenheid met en begrip van het universele geheel, wat de mens met zijn goddelijke bron verenigt.

De aard van deze negen aspecten geeft ons de sleutel tot hun betekenis voor de menselijke evolutie. Mnemosyne is natuurlijk ons vermogen vast te houden wat onder onze aandacht komt. Zonder deze zou er geen vooruitgang kunnen zijn, omdat alle nieuwe pogingen van het verstand voortbouwen op wat door ervaring al is verworven. Mnemosyne is daarom de basis van alles waartoe het denken op een bepaald moment in staat is en van waaruit de evolutie in iedere cyclus verder gaat, vanaf het punt waar ze ophield aan het einde van de voorgaande dienstreis van de ziel. Daarom zijn de negen Muzen voor hun bestaan van haar afhankelijk en verruimen ze, op grond van de herinneringen aan het verleden, ons huidige bewustzijn.

Urania, de Muze van de astronomie, betekent kennis van onze plaats in de ons omringende ruimte en van de wentelingen van de hemelbollen, die de tijd aangeven binnen de eeuwigheid. Polyhymnia (of Polymnia) zingt hymnen tot de goden; ze geeft ons het gevoel van ontzag voor het kosmische mysterie waarin wij een kleine maar vitale rol spelen, terwijl Clio, de Muze van de geschiedenis, ons een plaats in de tijd geeft en het ons mogelijk maakt te weten waar we ons in de evolutionaire ontwikkeling bevinden.

Terpsichore vertegenwoordigt op ieder niveau van het leven de bewegingen van atomen, stervelingen en werelden. Er is geen bestaan mogelijk en niets zou in beweging kunnen komen zonder haar voortdurende dansende aanwezigheid; ook zou het leven niet mogelijk zijn zonder de harmonische vibraties, gepersonifieerd door Euterpe. Iedere keer dat we geboren worden, treden we het gebied van de zinnen van Erato binnen, die de ontvankelijke ziel verleidt, het hart kwelt, en ons afwisselend geluk brengt in perioden van smart (Melpomene) en vreugde (Thalia), naarmate we in beslag worden genomen door het stoffelijk bestaan. Wanneer de ziel zich tenslotte bevrijdt uit de verlokkingen van de zinnen, wordt ze door Calliope, de Muze van het heldendicht, tot moedige daden en zelfoverwinning geïnspireerd en begint ze aan haar zinvolle en waarlijk menselijke bestemming binnen de grotere bestemming van de evoluerende wereld.

‘Het eerst ontwaakte in het de begeerte, die de oorspronkelijke kiem van het denkvermogen was’, zegt de Rig Veda. Als begeerte de kiem van het denken, van bewustzijn en bewuste waarneming bracht, dan wordt die bijzonder mysterieuze en waardevolle kiem in het hele universum gevoed en aangemoedigd. De allereerste impuls in de hartslag van de eeuwigheid heeft stellig de vorming van ons eigen denkvermogen tot stand gebracht, als een deel van de goddelijke intelligentie die het kosmisch geheel ontwierp. Niettemin kan die eerste kiem eeuwigheden lang hebben gesluimerd – en deed dat misschien ook – totdat zij die hun menselijke fase van evolutie al in een vroegere levensperiode van de wereld hadden voltooid, terugkeerden om die mogelijkheid in ons wakker te roepen. Misschien hadden ze een karmische schuld aan ons uit een ver verleden; misschien behoorden tot de verworvenheden uit het verleden zo’n diep mededogen, dat ze zich gedrongen voelden ons in de zegeningen daarvan te laten delen door onze latente vermogens te wekken.

Waartoe mededogen leidt, kondigt zich zelfs nu al aan. Terwijl we alleen en afzonderlijk hoogstens onvolwassen en onontwikkelde denkers zijn, vormt ons gezamenlijke denken een grootse intelligentie, een bijna goddelijk bewustzijn. Maar we hebben een totaal vertekend beeld van wat de menselijke geest werkelijk is. Enerzijds kleineren we onszelf door ons in wezen goddelijk bevattingsvermogen te veronachtzamen, en anderzijds overschatten we onze kennis door ons te beroemen op de technische apparaten die we hebben gemaakt. Toch zijn die niet meer dan een toepassing, één van de vele mogelijke toepassingen, van de kennis die ware wetenschap is. We maken ook de fout aanspraak te maken op kennis en kundigheden die we niet bezitten, door te beweren dat ‘wij’ op de maan zijn geland en een ruimtevaartuig naar de buitenplaneten hebben gezonden.

Wie zijn deze opmerkelijke ‘wij’? Heeft u het gedaan? Of ik? In dit geval vertegenwoordigt ‘wij’ het gecombineerde teamwerk van duizenden mensen, die ieder afzonderlijk deskundig zijn op één klein stukje van de totale legpuzzel. Het menselijk genie openbaart zich niet in ruimtevaart of kerncentrales; het uit zich in het vermogen om samen te werken, om samen te delen, want dat brengt verbazingwekkende resultaten teweeg waartoe niemand alleen in staat zou zijn en wat weinig te maken heeft met kennis of begrip. De grootste domkop kan de lichtschakelaar omdraaien, als iemand anders de generator heeft gebouwd die de elektriciteit langs de draden voert.

Alle bestaande religies en mythologieën zijn overblijfselen van de vele versies van de werkelijkheid of de waarheid die, sinds de mens zelfbewust begon te denken, werden verkondigd. In iedere eeuw hebben enkele geïnspireerde leraren en leiders steeds weer herhaald dat het voor mensen mogelijk is zich tot engelen, dhyani’s, goden, te ontwikkelen, en dat zo’n ontwikkeling niet wonderlijker is dan die van een embryo tot een volwassene. Niets is natuurlijker dan dat we in de toekomst even doel- en welbewuste deelnemers zullen worden aan het kosmische leven als we nu zijn op deze kleine planeet. De moderne weergave van wat nu theosofie wordt genoemd, is niet uniek, hoewel ze betrekkelijk kort geleden in haar tegenwoordige vorm werd verbreid. Ze blijft, zoals altijd, de belangrijke bron van inspiratie die de mens kan aanmoedigen zelfstandig te denken, hun als een goddelijk geschenk ontvangen denkvermogen te gebruiken en hun innerlijk hart te laten spreken in de raadskamer van de ziel. Wat anderen zeggen is daar niet van kracht, en geen opgelegd geloof kan de waarheid overstemmen die gehoord zal worden. Al wat ons ervan weerhoudt onze eigen gedachten te denken, naar onze hoogste idealen en het beste in ons te leven, is de traagheid die niet tot ons menselijk deel behoort, maar tot onze minder ontwikkelde natuur die onze vooruitgang slechts kan vertragen.

Er is moed voor nodig om onze eigen scheidsrechter te zijn, en vastberadenheid om zonder algemene bijval en aanmoediging de waarheid te blijven zoeken. Maar het te proberen is alleen al een bron van vreugde en voldoening.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1988

© 1989 Theosophical University Press Agency