Een heelal is een eenheid in een ongelofelijke verscheidenheid: microwerelden,
te klein om waar te nemen, verenigen zich en vormen sterren en planeten,
die zelf weer miniaturen zijn van grotere werelden, die zich tot onmetelijke
ketens van galactische supersterrengroepen verbinden en zich uitstrekken
over wat wij kennen als de ruimte. Een plan dat zo groots en wonderbaarlijk
van opzet is, gaat het verstand te boven. Wat voor een onvoorstelbaar
bewustzijn is het dat door alle lagere bewustzijnen werkt die voor zo’n
plan nodig zijn en wat is het doel? Een menselijk denkvermogen zou zeker
geen kosmos kunnen ontwerpen, maar wij konden wel onze menselijke eigenschappen
tot ontwikkeling brengen, die een zwakke afspiegeling zijn van die grootse
intelligentie, en hebben dat ook gedaan. Eigenlijk bevinden we ons altijd
in het centrum van wat we waarnemen: in het midden van de ruimte, in
het midden van de tijd, en in het midden als het om soort en grootte
gaat; zo moet het ook wel zijn, want we zijn omringd door een oneindige
uitgestrektheid, een eeuwige tijdsduur en ontelbare graden en soorten
van bestaan.
We hebben alleen daarom enig begrip van het wonder om ons heen omdat
we een begin hebben gemaakt met de ontwikkeling van de geest. Dit onpeilbaar
en alomvattend vermogen, dat zo ruim en tegelijk zo broos en onvoorspelbaar
is, is de meest mysterieuze factor in ons leven. Ongetwijfeld hebben
de verheven intelligenties die de werelden ontwierpen en vormden een
soort bewustzijn dat onze verbeeldingskracht volledig te boven gaat,
zoals wij inzichten en perspectieven hebben die aan de minder ontwikkelde
rijken op aarde onbekend zijn. We zijn niet beter of slechter dan zij,
we hebben alleen meer ervaring dan de dieren en de planten, en veel
minder dan de goden. Allen leven omdat ze bewust zijn, ongeacht of hun
begripsvermogen naar onze maatstaven elementair of vergevorderd is.
Ieder wezen groeit van binnenuit om zijn eigenschappen te vervolmaken
en op het juiste ogenblik ontwaakt het verstand. Het sluimert in de
mineralen, die weinig kracht bezitten, maar wel een hoge graad van inert
weerstandsvermogen. Het wordt duidelijker in de planten, die door hun
verschillen in karakter en symbiotische relaties onze bewondering wekken.
De grote verscheidenheid van dieren beslaat een uitgebreid gebied van
bewustzijn. Door te gehoorzamen aan hun instinct, leveren zelfs de laagsten
van hen opmerkelijke prestaties, terwijl de hogere zoogdieren vaak verrassend
ver ontwikkeld zijn. Niettemin ligt er tussen hun halfautomatisch reactievermogen
en de mentale vermogens van de mens een diepe kloof – geen verschil
in essentie, maar in begrip, zelfkennis, en door ervaring verworven
verlichting. De mensheid ontwikkelde haar vóórmenselijke
eigenschappen in werelden uit het verre verleden, waarin we ongetwijfeld
fasen hebben doorlopen die nu behoren tot volgende levensrijken, maar
het vermogen abstract te denken, te filosoferen, geestelijk te begrijpen
– ook duivelse plannen te beramen – begint in onze huidige
wereld met het rijk van de mens en dat geldt ook voor de vrijheid om
te kiezen.
We worden niet gedwongen gebruik te maken van deze gave of van de vrijheid
die ze ons geeft onze eigen weg te kiezen. De vrije wil is geen voorrecht
maar een noodzakelijk instrument; zonder dat zouden we marionetten zijn
en niet in staat te oordelen en te onderscheiden. Er kan geen sprake
zijn van het goede als het kwaad geen gelijke kansen heeft.
Het in hoge mate zelfbespiegelend bewustzijn dat ons tot mens maakt,
opent voor ons ook de deur tot dat soort bewustzijn dat de goden siert.
We leren door hen na te volgen die ons in evolutie vooruit zijn en die
uit beschermende zorg voor hun jongere broeders ons, zoveel als hun
mogelijk is, de middelen tot begrip hebben verschaft. Na de eerste rassen
de kennis te hebben gegeven om te kunnen overleven en de intelligentie
om zich te verbeteren, legden ze hun wijsheid vast in onsterfelijke
mythen, legenden, en historische verhalen van blijvende waarde. De inspirerende
inhoud van de Bergrede, de Edda, de Bhagavad Gita of de Mabinogion,
is de oogst van enkele grote zielen, die door hun initiatieven een dieper
inzicht verwierven dan wij gemiddeld bezitten.
Vanaf het begin der tijden moet de fundamentele waarheid achter alle
uiterlijke schijn aanwezig zijn geweest, en toen het verstand in de
mens begon te functioneren, waren de leidinggevende goden voor ons een
inspiratie. Dat we nu zelf wijsheid moeten verwerven, is voor de meesten
van ons misschien het moeilijkst te begrijpen. Als evolutie het gevolg
zou zijn van het opdoen van kennis, zou een studieboek voldoende zijn
om alle mensen volmaakt en deugdzaam te maken. Maar we weten dat dit
niet zo is en dat maakt het mysterie van het verstand alleen maar groter.
We kunnen ons terecht afvragen wat de functie ervan is. Men zou kunnen
zeggen dat de waarheid drie facetten heeft, en dat er drie hoofdwegen
zijn die leiden tot inzicht in de werkelijkheid. Een ervan, het intellect,
wordt bevredigd door kennis; voegen we daar een oprecht meevoelend begrip
aan toe, dan hebben we een tweede aspect van de drie-eenheid. Het benaderen
van het geheel vraagt echter om een zo intensieve geestelijke overgave,
dat de gewone menselijke natuur de kracht ervan niet zou kunnen verdragen.
Het betekent niets minder dan dat het pure lijden van een Jezus in Gethsemane
en de vastberadenheid als die van Gautama onder de bodhi-boom, samenkomen
in een brandpunt, dat het louterende vuur ontsteekt dat het zelf in
zijn goddelijkheid herstelt. Maar dat lijden staat zo ver af van de
algemene menselijke toestand en van de driften van de lagere natuur,
dat men ze ziet als tegenpolen. Als we daarover nadenken, gaan we beseffen
hoe groot de kloof is die ons van de goden scheidt. Zij alleen kennen
de bittere drinkbeker die, wanneer men haar ledigt, verandert in de
zoete wateren van de onsterfelijkheid.
De Griekse filosofen leerden dat een zinvol leven het gevolg is van
de omgang met de Muzen. Zij zijn de negen dochters van Mnemosyne, die
de Herinnering aan vergane eeuwigheden vertegenwoordigt, en werden verwekt
door Zeus, universeel bewustzijn. Oorspronkelijk waren ze allen één
in Mnemosyne; alleen in geopenbaarde vorm waren ze gescheiden. Het is
onze taak ze te herenigen tot een gevoel van verbondenheid met en begrip
van het universele geheel, wat de mens met zijn goddelijke bron verenigt.
De aard van deze negen aspecten geeft ons de sleutel tot hun betekenis
voor de menselijke evolutie. Mnemosyne is natuurlijk ons vermogen vast
te houden wat onder onze aandacht komt. Zonder deze zou er geen vooruitgang
kunnen zijn, omdat alle nieuwe pogingen van het verstand voortbouwen
op wat door ervaring al is verworven. Mnemosyne is daarom de basis van
alles waartoe het denken op een bepaald moment in staat is en van waaruit
de evolutie in iedere cyclus verder gaat, vanaf het punt waar ze ophield
aan het einde van de voorgaande dienstreis van de ziel. Daarom zijn
de negen Muzen voor hun bestaan van haar afhankelijk en verruimen ze,
op grond van de herinneringen aan het verleden, ons huidige bewustzijn.
Urania, de Muze van de astronomie, betekent kennis van onze plaats
in de ons omringende ruimte en van de wentelingen van de hemelbollen,
die de tijd aangeven binnen de eeuwigheid. Polyhymnia (of Polymnia)
zingt hymnen tot de goden; ze geeft ons het gevoel van ontzag voor het
kosmische mysterie waarin wij een kleine maar vitale rol spelen, terwijl
Clio, de Muze van de geschiedenis, ons een plaats in de tijd geeft en
het ons mogelijk maakt te weten waar we ons in de evolutionaire ontwikkeling
bevinden.
Terpsichore vertegenwoordigt op ieder niveau van het leven de bewegingen
van atomen, stervelingen en werelden. Er is geen bestaan mogelijk en
niets zou in beweging kunnen komen zonder haar voortdurende dansende
aanwezigheid; ook zou het leven niet mogelijk zijn zonder de harmonische
vibraties, gepersonifieerd door Euterpe. Iedere keer dat we geboren
worden, treden we het gebied van de zinnen van Erato binnen, die de
ontvankelijke ziel verleidt, het hart kwelt, en ons afwisselend geluk
brengt in perioden van smart (Melpomene) en vreugde (Thalia), naarmate
we in beslag worden genomen door het stoffelijk bestaan. Wanneer de
ziel zich tenslotte bevrijdt uit de verlokkingen van de zinnen, wordt
ze door Calliope, de Muze van het heldendicht, tot moedige daden en
zelfoverwinning geïnspireerd en begint ze aan haar zinvolle en
waarlijk menselijke bestemming binnen de grotere bestemming van de evoluerende
wereld.
‘Het eerst ontwaakte in het de begeerte, die de oorspronkelijke
kiem van het denkvermogen was’, zegt de Rig Veda. Als begeerte
de kiem van het denken, van bewustzijn en bewuste waarneming bracht,
dan wordt die bijzonder mysterieuze en waardevolle kiem in het hele
universum gevoed en aangemoedigd. De allereerste impuls in de hartslag
van de eeuwigheid heeft stellig de vorming van ons eigen denkvermogen
tot stand gebracht, als een deel van de goddelijke intelligentie die
het kosmisch geheel ontwierp. Niettemin kan die eerste kiem eeuwigheden
lang hebben gesluimerd – en deed dat misschien ook – totdat
zij die hun menselijke fase van evolutie al in een vroegere levensperiode
van de wereld hadden voltooid, terugkeerden om die mogelijkheid in ons
wakker te roepen. Misschien hadden ze een karmische schuld aan ons uit
een ver verleden; misschien behoorden tot de verworvenheden uit het
verleden zo’n diep mededogen, dat ze zich gedrongen voelden ons
in de zegeningen daarvan te laten delen door onze latente vermogens
te wekken.
Waartoe mededogen leidt, kondigt zich zelfs nu al aan. Terwijl we alleen
en afzonderlijk hoogstens onvolwassen en onontwikkelde denkers zijn,
vormt ons gezamenlijke denken een grootse intelligentie, een bijna goddelijk
bewustzijn. Maar we hebben een totaal vertekend beeld van wat de menselijke
geest werkelijk is. Enerzijds kleineren we onszelf door ons in wezen
goddelijk bevattingsvermogen te veronachtzamen, en anderzijds overschatten
we onze kennis door ons te beroemen op de technische apparaten die we
hebben gemaakt. Toch zijn die niet meer dan een toepassing, één
van de vele mogelijke toepassingen, van de kennis die ware wetenschap
is. We maken ook de fout aanspraak te maken op kennis en kundigheden
die we niet bezitten, door te beweren dat ‘wij’ op de maan
zijn geland en een ruimtevaartuig naar de buitenplaneten hebben gezonden.
Wie zijn deze opmerkelijke ‘wij’? Heeft u het gedaan? Of
ik? In dit geval vertegenwoordigt ‘wij’ het gecombineerde
teamwerk van duizenden mensen, die ieder afzonderlijk deskundig zijn
op één klein stukje van de totale legpuzzel. Het menselijk
genie openbaart zich niet in ruimtevaart of kerncentrales; het uit zich
in het vermogen om samen te werken, om samen te delen, want dat brengt
verbazingwekkende resultaten teweeg waartoe niemand alleen in staat
zou zijn en wat weinig te maken heeft met kennis of begrip. De grootste
domkop kan de lichtschakelaar omdraaien, als iemand anders de generator
heeft gebouwd die de elektriciteit langs de draden voert.
Alle bestaande religies en mythologieën zijn overblijfselen van
de vele versies van de werkelijkheid of de waarheid die, sinds de mens
zelfbewust begon te denken, werden verkondigd. In iedere eeuw hebben
enkele geïnspireerde leraren en leiders steeds weer herhaald dat
het voor mensen mogelijk is zich tot engelen, dhyani’s, goden,
te ontwikkelen, en dat zo’n ontwikkeling niet wonderlijker is
dan die van een embryo tot een volwassene. Niets is natuurlijker dan
dat we in de toekomst even doel- en welbewuste deelnemers zullen worden
aan het kosmische leven als we nu zijn op deze kleine planeet. De moderne
weergave van wat nu theosofie wordt genoemd, is niet uniek, hoewel ze
betrekkelijk kort geleden in haar tegenwoordige vorm werd verbreid.
Ze blijft, zoals altijd, de belangrijke bron van inspiratie die de mens
kan aanmoedigen zelfstandig te denken, hun als een goddelijk geschenk
ontvangen denkvermogen te gebruiken en hun innerlijk hart te laten spreken
in de raadskamer van de ziel. Wat anderen zeggen is daar niet van kracht,
en geen opgelegd geloof kan de waarheid overstemmen die gehoord zal
worden. Al wat ons ervan weerhoudt onze eigen gedachten te denken, naar
onze hoogste idealen en het beste in ons te leven, is de traagheid die
niet tot ons menselijk deel behoort, maar tot onze minder ontwikkelde
natuur die onze vooruitgang slechts kan vertragen.
Er is moed voor nodig om onze eigen scheidsrechter te zijn, en vastberadenheid
om zonder algemene bijval en aanmoediging de waarheid te blijven zoeken.
Maar het te proberen is alleen al een bron van vreugde en voldoening.