De zonnetempel van Glastonbury
Lennart Lydeen

 

Vertaald uit ‘Soltemplet vid Glastonbury’, Teosofiskt Forum (8:3), herfst 1988.


 

De verhalen over koning Arthur en zijn ridders van de tafelronde zijn ook naar alle schijn sprookjes; toch zijn ze gebaseerd op feiten, en behoren tot de geschiedenis van Engeland.
      – H.P. Blavatsky, De Geheime Leer 2:444

Naast een symbolische betekenis die oude verhalen en overleveringen hebben, beschrijven ze in veel gevallen werkelijke historische gebeurtenissen. In 1184 verwoestte een brand de vermaarde Glastonbury Abdij in Somerset, in het zuidwesten van Engeland. Tijdens de herbouw van het klooster in 1191 deden de monniken een sensationele en waardevolle ontdekking: op het oude Keltische kerkhof stootten ze op een graf dat vermoedelijk de overblijfselen van koning Arthur en zijn koningin Guenièvre (Guinevere) bevatte. Naar men zegt werden de lichamen gevonden in de stronk van een eik, ongeveer vijf meter onder de grond, aan de zuidkant van de Mariakapel. Deze ontdekking had een toename van het aantal pelgrims tot gevolg en van goede gevers, die de monniken voorzagen van middelen om het nieuwe klooster te bouwen, dat het grootste van Engeland zou moeten worden.

Op 19 april 1278 werden de koninklijke resten, in aanwezigheid van koning Edward en koningin Eleanor (Eleonora van Castilië), overgebracht naar een zwart marmeren graftombe, die intact bleef totdat het klooster in 1539 werd opgeheven. Een monnik die de gebeurtenis beschrijft, vertelt:

Zijne Hoogheid Edward . . . kwam naar Glastonbury . . . om Pasen te vieren, de volgende dinsdag . . . in de schemering, liet zijne Hoogheid de Koning het graf van de beroemde koning Arthur openen. Daarin, in twee lijkkisten, beschilderd met hun afbeeldingen en wapens, werden afzonderlijk de beenderen van genoemde koning gevonden, die groot van afmeting waren, en die van koningin Guinevere, die bijzonder mooi waren . . . De volgende dag . . . plaatste zijne Hoogheid de Koning de beenderen van de Koning en die van de Koningin weer terug, elk in hun eigen kist, na ze in kostbare zijde te hebben gewikkeld. Toen ze verzegeld waren, werd er opdracht gegeven de graftombe onmiddellijk voor het Hoogaltaar te plaatsen.
     – Graham Ashton, The Realm of King Arthur, blz. 25-6

Dezelfde ooggetuige spreekt ook over een loden kruis waarvan de Latijnse inscriptie het volgende zegt: ‘Hier ligt Arthur, de vermaarde koning, op het eiland van Avalon.’ De vondsten verbinden koning Arthur en Glastonbury met het mythische Avalon.

Tijdens de reformatie werd het graf vernield, alleen de bodem van de grafkamer bleef over. In 1931 werden de resten gevonden in het westelijke koor, vlakbij de oorspronkelijke plaats van het hoogaltaar. Een plaquette in het gras vermeldt: De plaats van het graf van koning Arthur.

Men kan zich afvragen wat er is gebeurd met de inhoud van het graf na 1539. Op dit punt heeft de geschiedenis niets te zeggen, maar zolang als de Glastonbury Abdij bestond, profiteerden de monniken van het gerucht dat de vermaarde christelijke heldkoning Arthur begraven lag voor het hoogaltaar in hun kerk. Maar ook de koningen van Engeland maakten gebruik van de positie die Arthur innam, door te beweren dat de troon die zij bezetten, vroeger de troon was geweest van de koning der koningen. Van Hendrik VIII wordt gezegd dat hij er bijzonder op gesteld was om zijn geslacht, Tudor, te vereenzelvigen met de opmerkelijke koning uit het verleden. De Tudors hadden hun oorsprong in Wales en de belangstelling van Wales voor koning Arthur was groot. Koningin Elizabeth I, de dochter van Hendrik, kon er daarom aanspraak op maken een afstammeling te zijn van koning Arthur.

Arthur was een van de prinsen in Zuidwest-Engeland, die strijd leverden tegen de invallende Saksen en hun bondgenoten, de Angelen, de Jutten en de Friezen, en ook tegen de Pikten en Schotten die uit het noorden kwamen, nadat in de vijfde eeuw de Romeinen Engeland verlieten, maar het is geen gemakkelijke opgave om tot een redelijk nauwkeurige chronologie van Arthurs leven te komen, omdat dit de donkerste periode van de Middeleeuwen was, de chaotische vijfde en zesde eeuw. De monnik Gildas (†570) maakt geen melding van Arthur in zijn werk De excidio et conquestu Britanniae, en ook de eerbiedwaardige Bede uit de achtste eeuw deed dat niet in zijn Historia ecclesiastica gentis Anglorum.

De oudste nog bestaande geschriften over koning Arthur verschenen in de negende eeuw in Historia Britonum, een verzameling van de priester Nennius uit Wales. In de tiende eeuw wordt Arthur genoemd in Annales Cambriae in verband met de veldslagen bij Mount Badon en Camlann (Camlaun). De twaalfde eeuw leverde twee welbekende bronnen over Arthur op; William van Malmesbury’s ‘On the Antiquity of Glastonbury’ en Geoffrey van Monmouth met zijn Historia Regum Britanniae.

In The Realm of King Arthur geeft Graham Ashton een chronologie die hieronder in verkorte vorm volgt:

473 n.Chr. Arthurs geboorte. Hij was de zoon van Uther Pendragon en Ygerne van Cornwall. De bard en magiër Merlijn gaf hem onderricht. Men denkt dat Tintagel Castle in Cornwall zijn huis en geboorteplaats is geweest.
512 n.Chr. Uther Pendragon stierf. Arthur werd leider van de landmacht in de strijd tegen de Saksen, die werden overwonnen. Het zoeken naar de Heilige Graal begint.
513 n.Chr. Huwelijk met Guinevere (Guenièvre).
516 n.Chr. Oorlog tegen de Saksen hervat.
517 n.Chr. Veldslag van Mt. Badon. Arthur overwint. Een lange periode van vrede volgde.
535(-7) n.Chr. De slag van Camlann (Camlaun), waar zowel Arthur als zijn verwant en tegenstander Modred (Medraut) sneuvelden.

Na Arthurs dood in de slag van Camlann breidde zijn faam en die van zijn ridders van de Ronde Tafel zich over heel Europa uit. Evenals de godsdienst, volgen culturele impulsen – wetenschap, literatuur, muziek, zangkunst, overleveringen, legenden, enz. – veelal de handelsroutes. De legenden van Arthur reisden met kooplieden en andere reizigers van land tot land, van stad tot stad, van klooster tot klooster, van hof tot hof. De Noorse barden en de Noord-Franse minnezangers maakten hun eigen versies van het verhalenmateriaal en dat deden ook de Duitse minnezangers en de troubadours uit de Provence. Een rijke literatuur ontwikkelde zich en groeit nog steeds. Zelfs in onze tijd zien nieuwe Arthur-verhalen regelmatig het licht.

Een opmerkelijk iets vond plaats gedurende de eeuwen die volgden op het heengaan van Arthur. Van een gewestelijk legerhoofd veranderde hij in een waardig overwinnaar, omgeven door een legendarische gloed, een nobele natuur, een voorvechter van vrede en rechtvaardigheid, een zonneheld, een koning der koningen. We zien hier een voorbeeld van

De oude gewoonte om vooraanstaande personen te gebruiken als een brandpunt voor het doorgeven van de traditionele wijsheid . . . In de verhalen van Arthur blijken de herinneringen van een ras aan een zeer oude reeks inwijdingservaringen, die weinig te maken hebben met de plaatselijke kennis, te zijn versmolten met het doen en laten van een meer recente persoonlijkheid. Of het een onbetekenend legerleider was of een spectaculaire heerser die hoog aanzien genoot en veel presteerde, men koos een vermaarde figuur als kapstok om daaraan sublieme gedachten op te hangen, en die werd ‘Arthur’. Zulke mannen of vrouwen werden in lang vervlogen tijden gemaakt tot voorbeeldfiguren om te worden nagestreefd. Of er dertien of meer eeuwen geleden al dan niet een Keltische stamleider bestond om wie verhalen werden geweven, de essentie van deze Arthur-mythen is niettemin van veel oudere datum. De oorsprong schijnt te liggen in de nevelen van het verleden toen een vroegere beschaving bloeide.1

Ergens in de laatste helft van de Middeleeuwen – het jaar is onbekend – hield een man in de Glastonbury Abdij in Engeland zich bezig met het optekenen van de Arthur-verhalen, die in de Franse versie, een dertiende-eeuws manuscript, bekend zijn als Perceval le Gallois ou le conte du Graal. De bron van zijn inspiratie was een Latijnse tekst van onbekende ouderdom, die blijkbaar in het klooster bewaard was gebleven. Het Franse Middeleeuwse manuscript geeft ons de volgende informatie:

Het Latijn van waaruit deze geschiedenis werd overgezet in het Romaans, werd gevonden op het eiland van Avalon, in een heilig religieus huis, gelegen waar woeste heidegronden beginnen en waar koning Arthur en koningin Guenièvre liggen.2

De onbekende schrijver die de boodschap uit de Latijnse tekst omzette ‘in het Romaans’ moet de grote zodiak van Glastonbury in Somerset, Engeland, hebben gekend en ook zijn voormalige functie als mysterieplaats. Hij wist dat het ‘eiland van Avalon’ aan het ‘begin lag van de woeste heidegronden’ en dat daar ‘een heilig religieus huis’ stond (Glastonbury Abdij) en verder dat koning Arthur en zijn koningin daar waren begraven. De mythische koning Arthur werd door de onbekende schrijver zelf geschapen, die de voorchristelijke verhalen van de sterrenbeelden van de zodiak verweefde met de christelijke legende van de Graal.

Aan het einde van de zestiende eeuw werd door de geleerde dr. John Dee de grote sterrenkaart van Glastonbury opnieuw ontdekt, die spoedig daarna weer werd vergeten. Een aantal andere Britse dichters, zieners, wetenschappers en bestudeerders van oude religies vermoedden dat het Engelse landschap geheimen verborg. William Stukeley, William Blake, William Wordsworth, Samuel Taylor Coleridge, Alfred Tennyson, en vele anderen zochten intuïtief naar de geheime kennis van de oudheid, waarvan de sleutel lang geleden verloren was gegaan. In A Guide beschrijft Maltwood haar jaren van zoeken naar de verschillende zodiakale figuren van Glastonbury, die worden gevormd met behulp van heuvels en waterlopen (natuurlijke of kunstmatige kenmerken van het terrein) in de ‘vallei van Avalon’. De zonne- en sterrentempel van Glastonbury, met een diameter van zestien kilometer, ligt daar als een gigantische sterrenkaart in reliëf en komt voor op topografische kaarten van de omgeving. De dierenriem bestaat uit een reeks beelden uit de legende van Arthur zoals die is afgeschilderd in The High History, en op dat grote toneel, dat een afspiegeling is van de traditionele astronomische sterrenkaart van het noordelijk halfrond, speelt zich het drama van Arthur af. Men zou zich het hemelgewelf kunnen voorstellen als een enorme tuin. In The High History wordt het de Hof van Eden genoemd.

Katherine Maltwood is, zoals vele andere onderzoekers, van mening dat het oorspronkelijke verhaal, waaruit de gekerstende legende van koning Arthur en de Heilige Graal voortkomt, mogelijk een verslag is van inwijdingsceremoniën die in vroegere tijden plaatsvonden op deze legendarische plaats, die de eerste Keltische christenen en later de monniken van Glastonbury erfden van voorchristelijke voorvaderen. Het moet eens een belangrijke bron van kennis zijn geweest, waaraan zekere verantwoordelijkheden waren verbonden, omdat de kloosterhiërarchie ongeveer 1500 jaar aan tijd en werk besteedde om het enorme project te onderhouden. The High History zegt dat de monniken ‘de hele geschiedenis ervan bezaten, die van het begin tot het einde op waarheid berust.’ Het klooster zelf was (is) gelegen in het teken van de Waterman, voorgesteld door een reusachtige vogel, een Feniks, die drinkt uit de ‘bron van bloed’ (Graal), die een radioactieve ijzerhoudende bron is. Maltwood merkt op:

Het is opmerkelijk dat de begraafplaats van de monniken op het terrein van de Glastonbury Abdij op de ecliptica ligt, net als de Romaans-Britse begraafplaats in de Leeuw ligt. Het is dan ook niet verwonderlijk dat men zegt dat de zonnekoning Arthur werd begraven onder het Hoogaltaar.

Op haar speurtocht identificeerde Katherine Maltwood eerst Sir Lancelot (Leeuw) en geleidelijk aan de andere ‘personae’ in The High History. Sir Gawain (Ram), de Visser-koning (Vissen), Sir Percival (Waterman), koning Gurgalain (Stier), koning Arthur-Hercules (Schutter), enz.

De held uit het Arthuriaanse drama is natuurlijk koning Arthur, wiens beeld twee sterrenstelsels combineert: de Schutter en Hercules, en deze laatste wordt door Homerus in zijn Odyssee voorgesteld als de grote schutter, vergoddelijkt en dus onsterfelijk. In de zodiak van Glastonbury strekt Arthur zich uit over de vallei van Avalon, die het oorspronkelijke beeld in de sterrenhemel daarboven weerspiegelt.

Onder de Feniciërs, die naar men meent de gigantische ‘tafel van de Heilige Graal’ van Glastonbury hebben gevormd, meer dan 4000 jaar geleden, in de tijd dat ‘de Stier het jaar leidde’, was Hercules bekend als Melkarth, de koning.

J.S.M. Ward citeert in zijn Outline History of Freemasonry het Leyland-Locke manuscript: ‘Pythagoras, een Griek, reisde om kennis te vergaren in Egypte en Syrië en in ieder land waar de Feniciërs de Vrijmetselarij hadden opgericht.’3

Rondtrekkend door het land, waar elke episode uit de geschiedenis van de Heilige Graal zijn stoffelijke locatie had, werd Mw. Maltwood achtervolgd door het gevoel van een ophanden zijnde openbaring. Op een zomerse middag, terwijl ze op een lage heuvel stond en uitzag over de vlakte naar het verre bolwerk van Camelot, zag ze, zowel visueel als intuïtief, het ongrijpbare geheim. Verwijzingen in legenden en oude verhalen naar verborgen reuzen in het landschap, het verhaal dat koning Arthur nooit stierf maar voor altijd slaapt in de heuvels, de nauwkeurige identificatie van ieder kenmerk in het landschap van Glastonbury met de heroïsche cirkel, het grote wiel van de sterrenstelsels dat boven de heuvels en vlakten wentelt, al deze sleutels leidden Mw. Maltwood naar een geheim dat honderden, misschien wel duizenden jaren gelden verloren ging. Luchtfoto’s in het Taunton museum tonen de reuzen zoals zij ze ontdekte, en een film van recente datum onthult elk detail van hun beeltenis, waarvan iedere lijn bestaat uit een of ander kenmerk van het landschap dat met zijn eigen karakter, dat voor ieder sensitief persoon zichtbaar is, bijdraagt tot een beter begrip van de figuur waarvan het deel uitmaakt. Mw. Maltwood ontving de boodschap door de tijden heen overgebracht, dat de speciale aard van een bepaalde plaats voor mensen van alle tijden waarneembaar is en dat niets verloren is gegaan. Want mensen uit een of andere grote beschaving uit het verleden, die gewend waren de grote tijdcyclussen te meten, waarvan wij ons nu niet bewust zijn, merkten het landschap met tekens die door mensen van elk ras en uit iedere tijd kunnen worden geïnterpreteerd.4

Volgens de legende van Glastonbury wordt verondersteld dat het christendom op een vroeg tijdstip naar Engeland kwam via Jozef van Arimathea en zijn volgelingen. Omdat Glastonbury een gevestigde naam had als Keltisch religieus centrum, zowel vóór als tijdens de Romeinse bezetting van Engeland, en ijverige christenen op zoek waren naar de heilige plaatsen uit het verleden, is het mogelijk dat de bewering dat Glastonbury de eerste basis was van de nieuwe religie in dat land, juist is.

Jozef van Arimathea zou volgens de legende de kelk hebben meegebracht die Jezus van de evangeliën bij het laatste avondmaal gebruikte, dat plaatsvond op de bovenverdieping van een huis (een teken van de dierenriem) dat toebehoorde aan een man die een waterkruik droeg (Waterman). De mensheid is op dit moment in de hal van dit ‘huis’. Het voorgaande teken of huis was Vissen (Pisces), een twaalfde deel (2160 jaar) van de grote precessiecylus van 25.920 jaar. De legende verhaalt ook dat de kelk, de Graal, in Glastonbury Tor werd begraven, die zich 150 meter boven de ‘vallei van Avalon’ verheft.

Voor koning Arthur en zijn ridders was het zoeken naar de Graal het wezenlijke doel van het leven. Een oud Frans manuscript uit de 14de eeuw laat een afbeelding zien van de ridders die zijn bijeengekomen voor een feest aan de Ronde Tafel. De kelk, de Graal, bedekt met een witte zijden doek, staat in het midden van de tafel, maar niemand van de aanwezigen mocht het voorwerp zelf zien. Toen de kelk werd verwijderd, zwoeren allen een plechtige eed om het zoeken ernaar voort te zetten, om de Graal ‘openlijk’ te zien, zonder bedekking.

Men veronderstelt, niet zonder goede redenen, dat het verhaal van Arthur de ontwikkeling vertelt van de mens, de pelgrim, naar een hoge staat van spiritualiteit. De verklaring in de Encyclopedia van Lewis Spence, dat de Graal ‘altijd zichtbaar is voor iemand, die waardig en bevoegd is hem te zien’, doet eerder denken aan een innerlijk dan aan een uiterlijk zoeken.

De dierenriem van Glastonbury is, net als Stonehenge, een zonnetempel, en zijn op meer dan 4000 jaar geschatte ouderdom voert ons terug naar het tijdperk of teken van de Stier. Maar onbeantwoord blijft de vraag: ‘Wie was het volmaakte genie dat in deze rivieren en heuvels een ingewikkeld cirkelvormig plan kon zien, het als een dierenriem beschouwde en bevel gaf zulk vakkundig werk uit te laten voeren dat de sterren en de kalender nauwkeurig in de compositie pasten?’ (Maltwood, blz. 108). Het voltooide werk bezit een bijzondere kracht, is vrijwel onvernietigbaar en getuigt nu, eeuwen later, van een vroeg cultureel tijdperk en van de toen heersende ideeën.

De Egyptenaren zeiden dat Hercules een plaats had in de zon; in Somerset droeg hij zijn geheim op zijn mouw, want om de cirkel van de ecliptica van de Tempel van de Sterren te vinden, moet de punt van de passer op de bovenarm van hercules worden geplaatst, om het pad van de zon te volgen door de sterrenbeelden van de dierenriem. ‘Het punt binnen de cirkel’ ligt dus op de mouw van de koning. Na de ecliptica te hebben getekend met behulp van deze sleutel, ontdekken we dat de sterren in hun juiste tekens vallen, wat bewijst dat er noch bedrog, noch fantasie in het spel is, wat de echtheid van deze sterrenbeelden betreft.    – Maltwood, aanhangsel bij A Guide

Onze voorvaderen van ver voor de historische tijd waren één met de natuur, waarvan zij het systeem kopieerden. Ze voelden hun één-zijn met alle leven, alle bewustzijn, en ze bouwden hun tempel overeenkomstig het plan van de grote wereld Architect-Bouwer zelf. Ze brachten de uitgestrektheid van het hemelgewelf omlaag naar de aarde, gaven die aardse afmetingen, spreidden haar hier uit als een reusachtige tuin – de Hof van eden zoals ze wordt genoemd in The High History.

Dit is het land van waaruit de vier rivieren stromen, waar de Levensboom in het midden van het Paradijs staat, waar de ‘Boom van de Poolster’ het zodiakale kruis vormt, de vier richtingen met hun vier wachters.
Deze tempel van de natuur is als de ‘kapel’ die niet is geplunderd. ‘nooit werd deze kapel vernietigd, ook werd ze niet bouwvallig, maar bleef even onaangeroerd als tevoren en zo is ze nog steeds.’

 

Noten

  1. Vgl. I.M. Oderberg, ‘De sleutels tot mythen liggen in ons hart’, Sunrise jan 1978.
  2. Vertaald in oud-Engels door dr. Sebastian Evans en getiteld The High History of the Graal. Het is dit verhaal dat de draad van Ariadne bevat in A Guide to Glastonbury’s Temple of the Stars van Katherine E. Maltwood, gepubliceerd in Engeland in 1935.
  3. Maltwood, blz. 5
  4. John Michell: The View over Atlantis, 1969, blz. 8.
 
Oude culturen/beschavingen en hun spirituele tradities: Verenigd Koninkrijk
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency