Ieder die de innerlijke betekenis van een filosofie of religie is
gaan begrijpen, zal waarschijnlijk tot het besef zijn gekomen dat de
natuur en de mens meer omvatten dan alleen het stoffelijk bestaan. We
zien op kosmisch gebied orde en op een doel gerichte activiteiten, en
op het menselijke vlak kennis en het zoeken en verwerven daarvan. Wanneer
zulke gedachten eenmaal in ons zijn gewekt, zijn we nooit meer geheel
dezelfde. Het ideaal de mensheid van dienst te zijn, inspireert ons
en we voelen ons geroepen ons eigen karakter te verbeteren en het edelmoediger,
menslievender en nederiger te maken. We beginnen onze relatie met familie
en vrienden te waarderen en te begrijpen op een tevoren ongekende wijze.
Deze eigenschappen en ervaringen brengen ons nieuwgevonden zelf tot
het besluit de mysteriën en wonderen van de natuur verder te onderzoeken.
Als we dat doel nastreven, worden we ons al gauw en op pijnlijke wijze
bewust van de dualiteit in onszelf en in de wereld waarin we leven.
Aan de ene kant het uiterlijke, de verschijnselen; aan de andere kant
onze nog maar net ontdekte spirituele natuur. In ons hart willen we
ons hele leven wijden aan de studie en aan het dienen van de mensheid.
In ons denken herkennen we een gevoel van plicht en verantwoordelijkheid
voor dat leven waarbij we nu zijn betrokken. Op dat punt gekomen doet
zich vaak de vraag voor van chelaschap. Wat is dat eigenlijk? Zouden
wij misschien een geschikte kandidaat zijn? Kunnen wij zo’n leven
leiden en toch een werelds bestaan handhaven?
Chelaschap, in de traditionele betekenis, is gewoonlijk een formele
relatie tussen leraar en discipel. Onze directe ideeën over het
strenge karakter van chelaschap zijn historisch gevormd door oosterse
tradities van onthouding, zelfverloochening en lange uren van meditatie.
Veel van deze technieken kunnen in deze tijd verouderd of ongeschikt
en in het algemeen onaantrekkelijk lijken. Zulke reacties, gebaseerd
op culturele verschillen, zijn wellicht gedeeltelijk toelaatbaar, maar
veel van wat wij misschien toeschrijven aan deze verschillen, is alleen
een gevolg van onze eigen tekortkomingen, als individuen en als samenleving
in het algemeen. Oprechte gevoelens van eerbied en respect, trouwhartigheid,
nederigheid waarvoor men zich niet schaamt, en de totale afwezigheid
van hebzucht, zijn alle karaktertrekken die bij een chela behoren. Deze
eigenschappen, die te lang zijn veronachtzaamd, moeten we opnieuw ontwikkelen.
Als we dit alles overwegen, kunnen we ons afvragen of de ervaring van
chelaschap buiten ons bereik en onze mogelijkheden ligt. Ik geloof dat
niet. Want zolang de mens incarneert, is chelaschap een deel van de
menselijke ervaring, en geen enkel cultureel vooroordeel kan een ware
zoeker weghouden van de deur die tot kennis leidt. Al is het formele
chelaschap misschien altijd voorbehouden aan hen die de persoonlijke
barrières van het ik hebben doorbroken en daardoor de meerderheid
van het ras achter zich laten, kan voor de beginnende aspirant de geest
van chelaschap een praktische en bevredigende levenswijze zijn. Dat
is geen compromis maar eerder een poging de werkelijke filosofische
waarden en beginselen in ons dagelijks leven te verwerken.
De gemiddelde mens die zoekt naar de waarheid in de natuur is niet
noodzakelijkerwijze gereed om een chela te worden op de manier van de
oosterse ascese; misschien is het voor hem, wat zijn maatschappelijke
positie en geestelijke ontwikkeling betreft, ook niet nodig. Toch kunnen
dezelfde inspiratie en uitdaging zoals de chela die kent, ook ons deel
zijn. Beginselen als eerlijkheid, naastenliefde en zelfvergetelheid,
die door de grote wereldleraren zijn onderwezen, zijn precies dezelfde
regels waarnaar de neofiet leeft wanneer hij zich oefent en zijn gedragingen
en waarnemingen zuivert. Juist zoals de leerling van een bekwaam vakman
dezelfde gereedschappen gebruikt als zijn meester, zo staan ook de middelen
om een beter leven te scheppen altijd tot onze beschikking. Er is geen
mens op aarde die, wat de uiterlijke omstandigheden van zijn leven ook
mogen zijn, niet een zekere mate van ware kennis of wijsheid kan verwerven.
Wij plaatsen obstakels op onze weg door bij voorbaat vast te stellen
wat volgens ons een juiste atmosfeer of levensstijl behoort te zijn
en verspillen intussen ontelbare mogelijkheden om die vorderingen te
maken die we verlangen.
De Bhagavad Gita, net als andere oude of moderne geschriften,
legt steeds weer de nadruk op het feit dat het vervullen van onze eigen
plicht de weg is naar het Allerhoogste. We verwachten dat geestelijke
glorie buiten de gewone gang van zaken staat; maar de weg daarheen ligt
beslist op het terrein van handelen dat ons vertrouwd is en dat we gewoon
vinden. Zodra we in onszelf de gelofte afleggen menselijker te leven
en dat door onze daden te bewijzen, zullen de sluizen van ervaring wijd
worden geopend. Alle stimulerende en opwekkende gevoelens die we ons
maar kunnen voorstellen, kunnen ons deel zijn, als we ons hart en onze
wil slechts zouden richten op het edele pad van altruïsme, in plaats
van op de afgronden van zelfzucht.
De geest van chelaschap is geen verwaterd begrip; het is in ieder opzicht
een mogelijkheid ons potentieel zo volledig mogelijk te ontwikkelen.
Ons zich technologisch snel ontwikkelende tijdperk biedt bij uitstek
de gelegenheid onze voornemens te toetsen. We moeten samenwerken, inwerken
op elkaar, naastenliefde en welwillendheid tegenover anderen ontwikkelen,
zodat we samen op zinvolle wijze kunnen bijdragen aan wat een wereldgemeenschap
moet worden. Zonder de training, het mededogen en de verdraagzaamheid
die de filosofie ons schenkt, zou onze gemeenschappelijke toekomst vol
verschrikkingen kunnen zijn. Maar alleen al een eerlijke poging aan
ons doel te werken, zou voldoende kunnen zijn om de vrede in onszelf
en in de wereld te vinden.