Dood – en eeuwige lente
Nhilde Davidson

 

Geboorte, leven en dood – het eeuwige ritme van de natuur. Zowel de conceptie als de dood zijn in mysteriën gehuld. We horen de kreet van de pasgeborene, we horen de diepe stilte van de dood: de ene het trompetsignaal tot het leven, de andere de rijpe oogst van activiteit. Van de drie levensfasen is het de dood en haar zichtbare gevolgen voor de achterblijvenden die het meest worden gevreesd. Als een baby wordt geboren, schijnen er oneindige mogelijkheden vóór hem te liggen. Problemen en zorgen over zijn toekomst liggen nog ver weg en komen slechts geleidelijk te voorschijn bij het volwassen worden – want voor hem is de wereld nu nog als een gesloten oester en wij verheugen ons met hem! De dood komt echter aan het einde van een leven vol ervaringen, activiteiten, mislukkingen en successen. Of het leven kort of lang was, er moet worden geoogst.

De dood onder ogen zien is een deel van het leven. Ieder van ons moet zich verzoenen met de gedachte dat het leven niet iets blijvends is en altijd aan veranderingen onderhevig is: ‘gisteren is al een droom en morgen is slechts een visioen: Het NU is alles wat we hebben, kostbaar en voorbijgaand. Omdat het ‘nu’ zo gewoon lijkt, vol van alle kleine plichten en routinezaken van het leven, zijn we geneigd de goede kansen om juist te handelen die iedere minuut biedt, over het hoofd te zien. We zien om naar het verleden, net als de vrouw van Lot, en verstenen in passiviteit, of zien vooruit, fantaseren of maken ons zorgen over de toekomst door onze tijd te vullen met voorstellingen die misschien nooit gebeuren en laten de mogelijkheden van nu ongebruikt. Dat wil niet zeggen dat het heden altijd behaaglijk of gemakkelijk is, maar als we een moeilijk werk aanpakken en tot een goed einde brengen, geeft dat een zeer wezenlijk gevoel van innerlijke rust. Het is duidelijk dat alle dingen niet verlopen zoals wij dat graag willen. Nee, maar we kunnen wat tot ons komt aanvaarden als iets dat we nodig hebben en dat ons helpt te groeien in wijsheid. Prachtige eigenschappen als geduld, standvastigheid en verdraagzaamheid, waarmee men alle leed kan overwinnen, worden niet zonder tegenspoed verworven.

De dood brengt net als de slaap rust en regeneratie. We lezen over de grote reis waarvoor de heengegane ziel zich heeft ingescheept: dat in de cyclische aard van de dingen de hartslag voortduurt; de rivier van bewustzijn verder stroomt, soms voor ons zichtbaar, op andere tijden sluimerend en onzichtbaar om op de juiste tijd weer te verschijnen. Een vast geloof in de onsterfelijkheid van de geest is als een huis gebouwd op een rots; tijdens de stormen van het leven stort het niet in. Het is de basis van een zuivere filosofie en een mededogend leven, want onsterfelijk leven betekent dat we onlosmakelijk met al het bestaande zijn verbonden door middel van het onsterfelijk aspect in ons en in alles om ons heen. Samen zullen we ons door de eeuwigheden heen ontplooien!

Hoe mooi de gedachte van de overgang van de ziel na de dood ook is, het is niettemin een diepgaande ervaring voor hen die achterblijven. Voor de een is een reis begonnen waaraan wij geen deel kunnen hebben, maar voor ons begint ook een nieuwe reis, een periode van aanpassing, van herschikking van plichten en gedachten, want er ontbreekt nu een element op heel tastbare wijze – we ondergaan een inwijding in de ware zin van het woord. Als we een inwijding zien als een ‘begin’ en niet als een einde, kunnen we het beter begrijpen. De riten die horen bij een overgang in een nieuwe sfeer van activiteit zijn nooit gemakkelijk: geboorteweeën vergezellen de komst van het kind; de puberteitsjaren, de tijd van overgang van de jeugd naar volwassenheid, zijn vol van angsten en verwarringen. Elke fase van verandering gaat gepaard met haar eigen ervaringen, zoals een bepaald slot zijn eigen sleutel heeft.

Net zoals onze heengegane metgezel, ondergaan ook wij een periode van terugblikken waarin ons innerlijk oog, dat zo dikwijls wordt verduisterd door alledaagse dingen, zich plotseling opent en we een kort moment naakt voor onszelf staan, ontdaan van bijkomstigheden, en we met heldere blik zien naar de vroegere levenspartner. Herinneringen komen boven en, omdat we niet onpersoonlijk zijn, kunnen die ervaringen ons pijnigen. Moe en uitgewoed, zoals de natuur na een storm, neemt de intensiteit af en daalt een onuitsprekelijke vrede en schoonheid in ons – een gevoel van licht en geluk dat we in de stilte ondergaan. Dat is het afscheidsgeschenk, als de deur die we nu zijn doorgegaan zich geruisloos achter ons sluit.

De volgende levensfase is begonnen. Ons verheugend met de op weg zijnde ziel, kunnen we haar loslaten en in ons het beste uit het verleden vasthouden. Door ons nieuw verworven inzicht kunnen we ons leven verrijken en besluiten dat begrip met anderen te delen door een meer menslievend gedrag. Niet alles is verloren – we zijn bedroefd en toch niet bedroefd – want we weten dat er voor ons onsterfelijk deel een nieuwe dag bestaat. Wanneer tenslotte de cyclussen hun volledige kringloop hebben volbracht, zullen we elkaar weer ontmoeten en tot schoner bloei kunnen komen dan voorheen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency