Wat is uw antwoord als iemand u vraagt ‘Gelooft u in God?’
Deze vraag staat op één lijn met ‘Hoe hoog is boven?’
Als u niet weet waar de vraagsteller aan denkt wanneer hij ‘God’
zegt, kunt u hem geen goed antwoord geven. In ieder geval zal wat u
gelooft, of wat ik geloof, of wat de aartsbisschop, of de hoge lama
gelooft geen invloed hebben op de manier waarop, of door welke krachten
het heelal is gebouwd.
Zo vindingrijk als we zijn als het gaat om het ontwerpen van materiële
gemakken, zo verbazend onredelijk zijn we met betrekking tot onze meest
innerlijke overtuigingen. Toch zijn die het waarbij we het nauwst betrokken
zijn en die al onze handelingen ingeven. We gaan misschien niet na wat
onze motieven zijn, of zijn er ons zelfs niet van bewust, maar onze
karakteristieke denkgewoonten bepalen wel al onze beslissingen. Ze vormen
in feite ons geloof. Wat die denkgewoonten zijn, hangt grotendeels af
van onze erfelijkheid en van onze omgeving. Al of niet opzettelijk worden
we in onze kinderjaren door ouders en onderwijzers geïndoctrineerd.
Nog maar vijftig jaar geleden was iedere religie de enige ware, en
hun gelovigen zonden in groten getale missionarissen erop uit om de
onwetenden in andere landen te bekeren. Er waren boeddhistische missionarissen
in het Westen en christelijke missionarissen van diverse sekten over
de hele wereld. (Of het de bekeerlingen ten goede kwam doet hier niet
ter zake.) Sindsdien vond er in het menselijk denken een distilleerproces
plaats, en voltrok zich een opvallende verandering in het denken van
de gemiddelde mens. Of dit tot stand kwam als gevolg van de verbreiding
in de vorige eeuw van een deel van de geheime leer – hetzij door
het boek van die naam of door de overredingskracht van de feiten of
de filosofie ervan op het werelddenken – of misschien door een
samenloop van omstandigheden, het resultaat is indrukwekkend. Verstarde
geesten stelden zich open, mensen begonnen na te denken, te redeneren
en te filosoferen; steeds meer mensen zijn geneigd de opvattingen van
ouderen in twijfel te trekken en zelf na te denken, en zijn zelfs zo
moedig nu en dan hun eigen conclusies te trekken over het leven, het
doel ervan en de deugdelijkheid van langgevestigde dogma’s! De
wonderen van de natuur worden nauwkeuriger onderzocht en men begint
meer eerbied te krijgen voor de intelligente manier waarop de wereld
van de natuur is ingericht. Hoogst belangrijk is dat de gedachte van
broederschap van alle wezens nu bijna het vroegere stilzwijgend aanvaarden
van de superioriteit of minderwaardigheid van groepen mensen van een
bepaald ras of geloof, heeft overvleugeld.
Denkbeelden die eerst vreemd aandeden, zijn ons in toenemende mate
vertrouwd geworden, en steeds meer lezers en denkers geven uitdrukking
aan hun verbazing over de overeenkomsten tussen geloofsvormen en mythen
uit de verst uiteenliggende tijden en gebieden. Meer dan dat, ze ontdekken
dat het thema dat aan al deze mythen en geloofsvormen ten grondslag
ligt, best identiek kan zijn. De God-Schepper van alle wezens heeft
het veld geruimd voor een goddelijke allesdoordringende en harmonische
invloed, als de eeuwige achtergrond van ons bestaan – een bewuste
wilskracht die uit zichzelf bestaat en ons omvat. Dat maakt dat de veroorzaker
van het kosmische drama toegankelijker lijkt, terwijl de altijd onkenbare
instandhouder van alles, majestueuzer en ontzagwekkender is dan enige
plaatselijke of verpersoonlijkte God.
Vanaf de vroegste ons bekende tijden hebben mensen het bestaan erkend
van onzichtbare krachten in de natuur, en hebben daaraan namen of aanduidingen
gegeven die bij hun verschillende karakters en functies passen. Het
tijdperk dat onmiddellijk aan het onze voorafgaat, was uitzonderlijk
omdat men probeerde de rijke erfenis aan religieuze mythologie te ontkennen
die in symbolische taal deze krachten vertegenwoordigt. Veel mensen
voelen zich inderdaad nog steeds enigszins onbehaaglijk en ze weigeren
geloof te hechten aan niet-materiële gebeurtenissen van welke aard
ook, die zich van tijd tot tijd aan hen opdringen. En die dingen doen
zich voor. Maar in onze trots op ons materiële kunnen, hebben we
ons perspectief verloren en daarmee onze goede verstandhouding met de
geesten die de bossen, landen en wateren bezielen. Het leven waaraan
ze uitdrukking geven, is voor ons grotendeels uitgewist, overreden door
de wielen van de vooruitgang.
Door boomnimfen, aardgeesten en waternimfen als bijgeloof te zien,
vergeten we dat we aan hen ons leven danken, en dat we, als
dierlijke en plantaardige wezens niet behoorlijk vertegenwoordigd zouden
zijn, niet zouden kunnen overleven en dat we zonder mineralen ons niet
staande zouden kunnen houden op onze planeet. De bewoners van deze lagere
rijken hebben recht op onze aandacht en onze zorg, iets dat we pas sinds
kort zijn gaan inzien.
Als we de werkelijkheid toegeven van gevoelens, van kennis, of van
gedachten, van magnetisme, of van vriendschap, of welke ‘dingen
in de hemel en op aarde’ ook, waarvan Horatio niet kon dromen;
en als we ons bewust zijn van schoonheid, droefheid, vreugde en leed,
moeten we weten, evenals onze verre voorouders deden, dat we in een
wereld leven waarin deze dingen bestaan. Aan menselijke eigenschappen,
zoals moed of lafheid, vriendelijkheid, dubbelhartigheid en eerlijkheid
werden in de legendarische traditionele kennis ook passende namen gegeven,
en in de loop van de tijd kregen ze een eigen leven en persoonlijkheid.
De namen die door de psychologen van lang geleden aan deze onzichtbare
dingen werden gegeven, werden in de loop van de tijd verpersoonlijkte
namen. We kennen ze bij deze namen, en in onze wereldwijze onwetendheid
zien we ze als ‘goden’ of ‘afgoden’, die werden
aanbeden door onze ‘onbeschaafde’ voorouders die niet beter
wisten. Zo zullen onze instincten, driften en stemmingen door toekomstige
geleerden misschien worden gezien, wanneer zij (wij) terugblikken op
de mensheid van de twintigste eeuw vanaf de top van ons (dan) verder
gevorderde stadium – als er tenminste iets meer dan plastic dozen
overblijft om opgegraven te worden. Andere functies die we zonder veel
bewuste beheersing uitoefenen: de spijsvertering, de groei van een foetus
– laten we graag aan de natuur over. We zijn voortdurend in nauwe
aanraking met mysteries in onze omgang met andere mensen, hun eigenaardigheden
en eigenschappen, en die van onszelf.
Als we ons eigendomsrecht op deze planeet niet drastisch beperken,
zullen er op den duur ingrijpender besluiten moeten worden genomen,
zullen we meer moeten weten en begrijpen en zal er meer onderscheidingsvermogen
nodig zijn om positieve, constructieve wegen naar vooruitgang te vinden.
‘Niemand is een eiland’ is een uitspraak die nooit zo waar
is geweest als vandaag, en morgen zijn we misschien nog afhankelijker
van elkaar naarmate onze wereld kleiner wordt en ons bewustzijn meer
omvattend.
Hoe moeten we ons voorbereiden op de komende uitdagingen? We hebben
geen extra geloofsvormen of sekten nodig om een mensheid die al in verwarring
verkeert nog meer in verlegenheid te brengen. Wat we nodig hebben is
wijsheid, begrip en het alomvattende mededogen van de ziel dat daaruit
voortkomt. De wetenschap is goed begonnen en wijst, althans op enkele
gebieden, op een betere relatie tussen de mens en de vergezellende natuurrijken.
Sommige disciplines geven al blijk van een affiniteit met de filosofie
en samen kunnen ze een religieuze eerbied wekken voor de heiligheid
van leven-verruimende inzichten. Het doel van het wetenschappelijk onderzoek
zou dan moeten zijn dat mensen als medescheppers één worden
met het grootsere wezen dat we samen met de natuur vormen, en als het
motief altruïstisch is, zal dit uiteindelijk tot succes leiden.
De natuurrijken onder ons zijn ons bekend, en een gevoel van verantwoordelijkheid
voor hun welzijn wint terrein op het genadeloze eigenbelang uit het
verleden; de hogere levensvormen zijn betrekkelijk onbekend, want we
hebben noch de ogen om ze te zien, noch het verstand om de planetaire,
laat staan de kosmische individuen te begrijpen die de tijd-ruimte met
ons delen, Het zal onze toekomstige taak zijn ons te concentreren op
de vooruitgang van de mensheid als een bewuste, intelligente levensvorm,
die vorderingen maakt zij aan zij met de lagere en hogere levensvormen
die ons volgen en die ons in hun verschillende stadia van evolutie voorafgaan.
We worden als liefhebbende wezens geboren. Wanneer de intelligentie
haar intrede doet gaan we analyseren en uiteenrafelen; we raken afgescheiden,
worden zelfbewust en onafhankelijk. Op den duur ontdekken we opnieuw,
maar nu met kennis en weloverwogen, dat we in een gemeenschappelijke
grond zijn geworteld; en als we deze gedachte iets verder doorvoeren,
herontdekken we onze eenheid met het ondeelbare geheel. Als we dit weten,
herkennen we de waarheid en waarde van de éénmakende boodschappen
die ons werden gebracht door hen die het menselijke stadium zijn gepasseerd
en terugkeerden om hun moeizaam verworven wijsheid met ons te delen.
Er kan maar één waarheid zijn, maar als die de onmetelijkheden
van het kosmisch zijn omvat, is het duidelijk dat niemand van ons er
aanspraak op kan maken meer dan een fragment ervan te bezitten. Een
ander kan dat evenmin. Zelfs het deel waarvan wij een glimp kunnen opvangen,
heeft veel facetten en iedereen beziet het vanuit een andere gezichtshoek.
Daarom zijn de aanspraken op de waarheid even talrijk als zij die ze
maken. In een bepaald stadium van onze groei naar volwassenheid doet
zich een crisis voor, waarin de mens die nadenkt wordt geconfronteerd
met fundamentele vragen over het bestaan. Waarom leef ik? Wat is de
bedoeling van dit alles? Is er werkelijk een god, en zo ja, wat voor
soort god? Heb ik als individu een plaats en een doel in het universele
organisme? Wat is het universele plan, als dit al bestaat?
Geen waarachtig menselijk wezen ontkomt aan zo’n moment waarin
hij twijfelt en beslissingen moet nemen. Het overkomt ieder denkend
mens, in geringe mate in ieder leven, krachtiger in een incarnatie waarin
de ziel rijpt. Iemand die genoeg heeft geleden om door de wolk van onwetendheid
heen te breken, verwerft zich een bevredigende filosofie die met hem
groeit tijdens zijn tegenwoordige leven en in de toekomst. Het is geen
geschenk en ook niet een geloof dat men van anderen ontvangt –
een dergelijk geloof zou niet meer zijn dan een tweedehands mening –
maar een verworvenheid van de evoluerende ziel na wie weet hoeveel intense,
innerlijke strijd. Ze is de grootste blijvende bron van inspiratie in
zijn leven, want hoewel ze geen definitieve antwoorden geeft, we er
geen lauweren mee oogsten waarop de ziel kan rusten, opent ze wel de
deur tot inzicht, schenkt het denken supervisie, ultrakennis. Kortom,
ze onthult zijn afkomst als één onder de goden –
die oneindige reeksen van machten die het evenwicht bewaren tussen kracht
en weerstand op ieder niveau van het heelal, in de uiterlijke ruimte
en in de innerlijke ruimten. In de ontvankelijke en verantwoordelijke
menselijke ziel is ze de intelligente kracht die het bestaan veredelt
en de geest kan weerspiegelen die ook in de geringsten onder de mensen
huist.