Toeval of Karma?
Ina Belderis

 

In filosofische zin is de wet van karma, die handeling en het gevolg ervan betekent, rechtstreeks verbonden met de vrije wil, toeval, goed en kwaad, reïncarnatie en evolutie.

Er is één gedachte die de achtergrond vormt van alle andere, met inbegrip van karma: dat wij allen deel uitmaken van de universele en eeuwige natuur waarin alles onderling verbonden is. Ieder van ons is in zijn innerlijke essentie identiek met de essentie van het geheel, en daarom is de fundamentele essentie van ons wezen dezelfde als die van het heelal. Zijn oorsprong is de onze, zijn lot is het onze en zijn wetten zijn de onze. Inderdaad is karma het grondkenmerk van de universele natuur; haar werkwijze is zó, dat een handeling onvermijdelijk wordt gevolgd door een resultaat, een reactie van de allesomvattende natuur waarin we leven.

Dit proces van karma werkt op alle niveaus van het leven. Iedere handeling is het begin van een keten van oorzaak en gevolg op elk gebied waartoe die keten zich uitstrekt. Het is de inherente aard of eigenschap van het Kosmische Wezen om te reageren tegen erop uitgeoefende actie en, omdat wij zelf deel zijn van de kosmische natuur, van het universele zijn, werkt karma in ons als een gewoonte of een eigenschap. Of anders gezegd: wij zijn ons eigen karma.

De leer van karma heeft twee aspecten, die belangrijk zijn om in gedachten te houden. Ten eerste is er het karma dat we nog moeten uitwerken: oorzaken uit het verleden die we niet kunnen veranderen, waarvan we de gevolgen nog moeten ondervinden. Ten tweede maken we nu voortdurend karma. En daaraan kunnen we wel iets doen, want we hebben nu invloed op onze daden en gedachten en kunnen hun richting bepalen.

Sommige mensen brengen karma in verband met fatalisme en determinisme; ze twijfelen aan onze vrije wil en wijzen daarom het hele idee van de hand. Fatalisme gaat vaak gepaard met een houding van ‘ik kan er niets aan doen, laat het maar gebeuren: Maar karma is beslist geen fatalisme en het houdt evenmin een gebrek aan vrije wil in. Waar het op aankomt is dat, als we nu het resultaat of het product zijn van onze daden of gedachten in vroegere tijden, het nu aan ons is te beslissen hoe we in de toekomst zullen zijn. Daarom is karma strikt rechtvaardig, Niemand wordt geconfronteerd met meer dan hij heeft veroorzaakt, en ieder aspect van het leven is een gelegenheid om te evolueren, om te leren hoe men in verbinding kan komen met de harmonie in de natuur. Aan de andere kant: als iemand een negatieve houding aanneemt, mist hij een gelegenheid om te proberen de harmonie die hij heeft verstoord weer in evenwicht te brengen.

Laten we ter wille van de redenering even veronderstellen dat karma niet bestaat, dat er geen wet van oorzaak en gevolg is. Dan staan we voor het feit dat de natuur ons overal en voortdurend oorzaken en gevolgen laat zien – rechtstreekse gevolgen die tijdens ons leven optreden en die we dus in verband kunnen brengen met hun oorzaken. In andere gevallen kunnen we niet zowel de oorzaak als het gevolg zien, maar als we ze niet kunnen zien, betekent dat dan dat ze er niet zijn? Of is het mogelijk dat slechts sommige oorzaken gevolgen hebben en andere niet? We zouden kunnen denken dat dit het geval zou zijn als er zoiets als toeval bestond.

De Random House Dictionary definieert toeval als: ‘de afwezigheid van enige aanwijsbare, begrijpelijke of beheersbare oorzaak van gebeurtenissen: Websters Dictionary omschrijft toeval als: ‘iets dat gebeurt als gevolg van onbekende of niet in aanmerking genomen krachten.’ Beide definities komen erop neer dat er iets onbekends in het spel is, want wanneer iets niet kan worden aangeduid, begrepen of beheerst, dan is het onbekend. De oorzaak is dus onbekend, maar het gevolg is er, anders zouden we niet de moeite nemen erover te denken. We zijn geneigd wat we niet kunnen zien, meten of beheersen, te ontkennen. We denken graag over onze zintuigen en over de kennis die we daaraan ontlenen als iets absoluuts. Door dat te doen, kan ons gemakkelijk iets ontgaan, want er is misschien een andere factor werkzaam.

Denk bijvoorbeeld aan een plat vlak waarin tweedimensionale wezens leven. Ze kennen alleen lengte en breedte, geen andere dimensies. Loodrecht op dat vlak staat een reusachtig wiel waarvan de buitenste rand verschillende kleuren heeft. Het wiel draait, en de tweedimensionale wezens zien alleen een dunne lijn die nu en dan van kleur verandert. Voor hen heeft de verandering van kleur plaats in de loop van een gegeven periode, eerst groen, dan rood, dan blauw. Ze zien het zo, maar ze weten niet waarom de kleuren veranderen; ze kennen de oorzaak niet. Een driedimensionaal wezen echter kan zowel het vlak als het hele wiel zien met al zijn kleuren. Hij kan begrijpen waarom de tweedimensionale wezens alleen gekleurde lijnen zien die elkaar in de tijd opvolgen. Zijn derde dimensie geeft hem een overzicht, zodat hij meer oorzaken en gevolgen kan zien.

Voor ons gebeuren bepaalde dingen in een tijdvolgorde, we nemen een gevolg waar, maar geen oorzaak. Misschien is een wezen met meer dimensies dan wij in staat te begrijpen waarom die gebeurtenis moest optreden, omdat zijn bewustzijn verder is ontwikkeld dan het onze. Waarom zouden we de werkelijkheid beperken tot onze zintuigen en ons niveau van bewustzijn, en alle andere mogelijkheden uitsluiten?

Orthodoxe religies schrijven vaak het schijnbare onrecht in de wereld toe aan een almachtige God die alle dingen regelt; ze nemen aan dat achter alles Zijn ondoorgrondelijke wijsheid staat: daarom zouden we niet moeten twijfelen aan de mysterieuze wegen van God. Dit komt mij hoogst onbevredigend voor: op zijn minst klinkt het als meten met twee maten. Waarom hebben de mensen dan zo’n sterke neiging om deze dingen te onderzoeken? Het kan toch niet alleen zijn omdat we willen doen wat niet is toegestaan. Dit brengt de relatie tussen de mens en het goddelijke terug tot het niveau van de kleuterschool – een belediging van zowel de goddelijke als de menselijke intelligentie.

Het lijkt veel aanvaardbaarder dat we deze vragen stellen omdat ze voortkomen uit het diepst van ons wezen, omdat we een vonk van het goddelijke bevatten dat tracht zichzelf te kennen. En dit gebeurt door het moeizame pad van het leven te volgen, door te vallen en weer op te staan, door te leren, door te streven naar het hogere of goddelijke in ons. De wet van oorzaak en gevolg is hier een natuurlijke reactie van het geheel op de bewustzijnscentra die daarin werken, en deze bewustzijnscentra kiezen voortdurend lichamen om zich tot uitdrukking te brengen.

Karma wordt ook wel beschreven als ‘straf en beloning’: alle slechte dingen die we hebben gedaan zullen bij ons terugkomen als reacties, en eveneens de goede dingen. Maar wat beloont en wat straft? Niets buiten onszelf. Wij zijn ons karma. Voor de goddelijke rechtbank van ons hogere zelf zullen we streng ter verantwoording worden geroepen. Sommigen vragen misschien: ‘Is dit niet vreselijk hardvochtig?’ Dat hangt er sterk van af hoe we het beschouwen. In feite geeft het ons waardigheid, omdat het ons verantwoordelijkheid geeft. Wij scheppen onszelf; er is geen almachtige Schepper achter wie we ons kunnen verbergen. Het geeft ons een gelegenheid om goed te maken wat we verkeerd hebben gedaan, om te leren van onze fouten, en om de harmonie te herstellen die we hadden verstoord. Ik vind niet dat dit hardvochtig is. Integendeel, het is heel rechtvaardig, de enige manier om gerechtigheid te hebben in het heelal.

Deze ideeën zeggen ons ook dat er geen goed en slecht karma is. Goed en slecht zijn relatieve termen en hebben te maken met wat we op een gegeven moment prettig of onaangenaam vinden. Als er iets onplezierigs gebeurt, zeggen we: ‘O, slecht karma.’ Toch is het misschien gunstig dat het gebeurde, want we kunnen dan een verstoring vereffenen en leren van de beproeving. Zogenaamd goed karma wordt al te vaak vanzelfsprekend gevonden, en gewoonlijk doen we er niet veel mee.

Indien goed en slecht karma relatief zijn, dan zijn goed en kwaad ook relatief. Er kan geen absoluut goed en absoluut kwaad zijn. Wat we goed noemen, heeft betrekking op wat we ervaren als harmonie, en wat we kwaad noemen, staat in verband met wat we voelen als disharmonie. Pijn en lijden zijn een gevolg van gebrek aan harmonie. Maar hoe ontstaat dit gebrek aan harmonie? Kwaad is eenvoudig de tegenstrijdigheid van de wil van onvolmaakte wezens.

Goed en kwaad staan dus altijd in verband met, en zijn niet gescheiden van, de soort en de aard van het bewustzijn dat hen waarneemt. Ze zijn beslist niet verpersoonlijkt in een God die alleen maar goed is en een duivel die alleen maar kwaad is.

Samenvattend: elke gedachte, elke daad en elk woord verstoort de harmonie van het kosmische geheel, en het geheel reageert daarop. Het kosmische geheel wordt gevormd door myriaden wezens, elk op zijn eigen plaats op de ladder van evolutie, Deze wezens zijn aan het leren, ze proberen zich te verbeteren en meer en meer volmaakt te worden. Hoe hoger ze zijn op het evolutionaire pad, des te volmaakter zijn ze en des te meer zullen hun daden en gedachten in harmonie zijn met het kosmische geheel. De lagere entiteiten op de ladder zijn minder volmaakt en minder harmonisch, en hun graad van volmaaktheid zal tot uitdrukking komen in hun mate van onzelfzuchtigheid. Hoe onzelfzuchtiger we zijn, des te meer leven we ten bate van allen, en des te meer zullen we daarom in harmonie zijn met het goddelijke kosmische geheel, en die goddelijkheid moeten we dienen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency