Zaden van belofte
Ingrid Van Mater

 

Op een lentedag, staande op een heuvel, overzagen we het landschap: weilanden, bedekt met rode klaver en vermengd met witte vergeet-mij-nietjes; oranje klaprozen en zeeblauwe lupine die zich bewogen in de wind; beneden werd het slingerend pad langs de rivier geflankeerd door wilgen in lentetooi; tegen de helling stonden huizen genesteld, omringd door bloeiende fruitbomen; merels, glanzend in het zonlicht. Hier was de vibrerende magie van het leven voelbaar, de vreugde en harmonie van het bestaan. In de stilte klonk de klagende roep van de veldleeuwerik, als om ons eraan te herinneren dat ware vreugde verweven is met droefheid en eenzaamheid die steeds de zoekende ziel vergezellen: altijd dat goddelijk verlangen, het reiken naar wat verder gaat; steeds de worsteling naar een grotere geboorte, naar het vernauwen van de kloof tussen het ideaal en wat werd verwezenlijkt.

Toen we de heuvel afdaalden, begonnen de wolken zich samen te pakken, de bergen te omhullen rond de vallei en dreigden ze de zon te bedekken. Ja, dit is lente, dit is leven; dit is het spectrum van ons ondoorgrondelijke zelf: duisternis en licht, wolken van twijfel die soms het zicht op de innerlijke zon verduisteren; regens van verdriet, die toch de ziel voeden en versterken.

Dit landschap zou spoedig door de hitte van de zomer verdorren; de overvloed van veldbloemen zou even plotseling verdwijnen als ze was verschenen. Maar een deel van de magie zou blijven – de eeuwige belofte van leven die in het zaad, in het hart besloten ligt. Iets in ons weet dit even zeker als de lente volgt op de winter, als onze goddelijke zon blijft schijnen in storm en strijd, en als begrip en wijsheid in ieder van ons in afwachting zijn – zoals de zaden van de veldbloemen in de grond – van de juiste omstandigheden om te ontwaken en hun volle bloei op te roepen . . . op een natuurlijke en onopvallende wijze.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1989

© 1989 Theosophical University Press Agency