Op een lentedag, staande op een heuvel, overzagen we het landschap:
weilanden, bedekt met rode klaver en vermengd met witte vergeet-mij-nietjes;
oranje klaprozen en zeeblauwe lupine die zich bewogen in de wind; beneden
werd het slingerend pad langs de rivier geflankeerd door wilgen in lentetooi;
tegen de helling stonden huizen genesteld, omringd door bloeiende fruitbomen;
merels, glanzend in het zonlicht. Hier was de vibrerende magie van het
leven voelbaar, de vreugde en harmonie van het bestaan. In de stilte
klonk de klagende roep van de veldleeuwerik, als om ons eraan te herinneren
dat ware vreugde verweven is met droefheid en eenzaamheid die steeds
de zoekende ziel vergezellen: altijd dat goddelijk verlangen, het reiken
naar wat verder gaat; steeds de worsteling naar een grotere geboorte,
naar het vernauwen van de kloof tussen het ideaal en wat werd verwezenlijkt.
Toen we de heuvel afdaalden, begonnen de wolken zich samen te pakken,
de bergen te omhullen rond de vallei en dreigden ze de zon te bedekken.
Ja, dit is lente, dit is leven; dit is het spectrum van ons ondoorgrondelijke
zelf: duisternis en licht, wolken van twijfel die soms het zicht op
de innerlijke zon verduisteren; regens van verdriet, die toch de ziel
voeden en versterken.
Dit landschap zou spoedig door de hitte van de zomer verdorren; de
overvloed van veldbloemen zou even plotseling verdwijnen als ze was
verschenen. Maar een deel van de magie zou blijven – de eeuwige
belofte van leven die in het zaad, in het hart besloten ligt. Iets in
ons weet dit even zeker als de lente volgt op de winter, als onze goddelijke
zon blijft schijnen in storm en strijd, en als begrip en wijsheid in
ieder van ons in afwachting zijn – zoals de zaden van de veldbloemen
in de grond – van de juiste omstandigheden om te ontwaken en hun
volle bloei op te roepen . . . op een natuurlijke en onopvallende wijze.