De wetenschapper en het sprookje
E.H. Krauss

 

Een Tolteeks sprookje vertelt het verhaal van een jong meisje, Papalotl, dat bescherming vond in het land van de Tepictotonen, het ‘Kleine Volk’ van de oude Mexicanen. Bij de eerste ontmoeting kreeg ze te horen dat de Tepictotonen bekwame vaklieden zijn. Papalotl ontdekte dat de Tepictotonen onder andere verantwoordelijk waren voor de kleuren in de natuur. Omdat zij ze nooit aan het werk zag, vroeg ze op zekere dag aan de koning hoe dat gebeurde. ‘Dat wordt natuurlijk in de Ouderwereld gedaan’, zei de koning. ‘Wat is de Ouderwereld?’ vroeg het meisje. ‘Tja! Waar komt een eik vandaan?’

‘Een eik? Uit een eikel’, antwoordde het meisje.

‘Wat!’ riep de koning, ‘geloof je werkelijk dat zo'n groot ding als een eik uit een eikel kan komen, die we onder onze troon kunnen rollen?’

‘Alles groeit uit een zaadje’, was het logische antwoord van Papalotl.

‘Bespottelijk! Alles groeit door middel van een zaadje en dat is heel wat anders. Het groeit vanuit de Ouderwereld waar wij ons werk doen en breidt zich uit net als water dat zich vanuit de nauwe geul van een rivier uitbreidt tot een meer’.1

Soortgelijke verhalen vinden we in de folklore, mythologieën en sprookjes van alle volken en rassen. Ze werden verzameld door antropologen en behandeld als interessante voorbeelden van de manier waarop ‘primitieve’ rassen het schijnbaar onverklaarbare probeerden te verklaren. De verbazingwekkende overeenkomsten tussen deze verhalen kon men niet verklaren totdat de aandacht viel op een andere hardnekkige overlevering dat er eens een Eeuw was waarin grote leraren, helden en halfgoden aan de ontluikende mensheid de geheimen en mysteriën van natuur en wetenschap onderwezen. Denk aan de mysterieuze ‘zonen Gods’ en de ‘geweldigen uit de voortijd, mannen van naam’ uit Genesis 6; de ‘hemelse leraren’ uit het Boek van Henoch; de ‘machtige mannen uit het water’ van de oude Mexicanen. Ieder ras, vanaf het meest primitieve tot het meest beschaafde, kent soortgelijke legenden.

De kennis die we nu hebben opgedaan door de ontcijfering van papyrusrollen en ons betrekkelijk recente contact met de oosterse wijsheid, brachten veel ernstige onderzoekers ertoe aan te nemen dat er in lang vervlogen eeuwen een universele wijsheidsreligie bestond, waarover onze tegenwoordige kennis van de geschiedenis zwijgt. Archeologische ontdekkingen hebben het bestaan aangetoond van beschavingen in Amerika, India en Azië, die een technologie bezaten die ons tegenwoordige begrip ver te boven gaat.

Maar de mens werd ‘zondig’. Wijsheid en kennis gingen ondergronds en werden de geheimen van de mysteriescholen. Toen die van Egypte en Griekenland tenslotte ontaardden, kwam het Westen in de greep van de duistere middeleeuwen; de Bibliotheek van Alexandrië werd verwoest en alle kennis en wijsheid van een gouden verleden verdween. Uit de as van geestelijke slavernij verrees de feniks van het wetenschappelijk onderzoek, de Eeuw van de Rede en daarmee, als een natuurlijke reactie, het wetenschappelijk en historisch materialisme. Maar ondanks dit alles bleven de mythen en sprookjes bestaan. Ze werden herontdekt door Humboldt, Schopenhauer, Grimm, Müller en vele anderen en men kreeg aandacht voor hun essentiële overeenkomsten. Toch was de studie van de mythologie lange tijd het speciale terrein van de taalkundige, totdat de biologen van de anti-Darwinistische revolutie er belangstelling voor kregen. We vergeten zo gemakkelijk dat de maximum ouderdom van de mens op deze planeet (als aapmens) pas in de vorige eeuw op 15.000 jaar werd gesteld!

Rond de eeuwwisseling werd in de wetenschappelijke wereld een sterke reactie op Darwin en Huxley voelbaar; een reactie, niet alleen tegen de theorie dat de mens afstamt van de aap, of de aap opklimt tot de mens, maar ook tegen de zogenaamde absolute waarde van de zuiver materialistische wetenschappelijke methodologie en de daaruit voortvloeiende Weltanschauung (levensfilosofie, wereldbeschouwing). De zuiver mechanistische wereld van de 19de eeuw kwam onder vuur. Jacob Uexkuell, een van de grondleggers van de moderne biologie, stelde onvoorwaardelijk vast dat het leven en de wetten die het leven beheersen niet zijn onderworpen aan de wetten van natuur- en scheikunde. Hoewel de uitspraak van Uexkuell axiomatisch was, werd ze veertig jaar later op briljante wijze bewezen door een van de grote natuurkundigen van de wereld, Erwin Schrödinger, in zijn beroemde colleges aan het Dublin Institute for Advanced Studies (1943-46).

Uexkuell, Dacqué en vele anderen bewezen dat de volledig ontwikkelde mens ouder moet zijn dan de mensaap. We houden ons hier niet bezig met de theorieën of wetten van de evolutie, maar met het feit van wat nog steeds een pijnlijke waarheid schijnt te zijn: dat de mens, zelfs in zijn huidige lichamelijke vorm, miljoenen jaren oud is; en dat de nog steeds populaire theorie dat de mens in een betrekkelijk laat geologisch tijdperk zich als het ware toevallig uit een aap-voorouder ontwikkelde, wetenschappelijk onhoudbaar is.

Edgar Dacqué, een vermaard paleontoloog en bioloog, was een van de wetenschappers die de aandacht vestigde op de overeenkomsten in folklore, mythen en sprookjes. Hij, Uexkuell en vele anderen vertegenwoordigen het felle verzet tegen de zuiver mechanistische opvatting van de wetenschap, die de mens degradeert tot een toevallige gebeurtenis in de natuur. Dit was een algemeen voorkomende reactie en bijzonder kenmerkend voor de filosofische scholen van het eerste kwart van de 20ste eeuw (de moderne Neoplatonisten en de scholen van het moderne filosofische en logische idealisme). Professor Ernst Cassirer publiceerde zijn beroemde Philosophy of Symbolic Forms (Filosofie van Symbolische Vormen) waarin veel ruimte werd gegeven aan het mythologische denken als een fundamentele uiting van de menselijke relatie tot de werkelijkheid. Tegelijkertijd publiceerde C.G. Jung de resultaten van zijn onderzoek van het archetypische karakter van mythen en folklore; hij ging er vanuit dat er een gebied van collectief onderbewustzijn bestaat, d.w.z. van raciale herinneringen die teruggaan tot de dageraad van de mensheid en die in folklore, sprookjes en mythologie vorm krijgen. De gelijkheid van de mythologische symbolen in de hele wereld, die alleen verschillen in hun uiterlijke vorm, wijst op een gemeenschappelijk ervaren van de natuur vanaf het begin van het herinneringsvermogen. Ontdek de betekenis achter de parabel en men ontdekt de waarheid. Een gemeenschappelijke herinnering aan de zondvloed vindt men zowel in de Zuidzee-verhalen als in de IJslandse Edda.

In zijn System of Metaphysics (Systeem van de Metafysica) (ongeveer 1830) zegt Schelling dat de grote scheppingen van de mythologie de moderne mens duidelijk maken dat hij te doen heeft met een verschijningsvorm van de werkelijkheid die in diepzinnigheid, duurzaamheid en universaliteit alleen vergelijkbaar is met de natuur zelf. De antropoloog Malinowsky zei (ongeveer 1925) dat de mythe in een primitieve samenleving – de mythe in haar oorspronkelijke levende vorm – niet slechts een verteld verhaal is, maar een doorleefde werkelijkheid. Ze is niet een soort bedenksel, maar een levende werkelijkheid, die zich in primordiale tijden zou hebben voltrokken en van die tijd af de wereld en het lot van de mens zou hebben beïnvloed . . . de bevestiging van een oorspronkelijke, grotere en belangrijkere werkelijkheid waardoor het huidige leven, het lot en het werk van de mensheid worden beheerst.

Malinowsky zegt nadrukkelijk dat, als gevolg van zijn onderzoekingen, een ‘verhaal’ niet de oorsprong ervan verklaart (zoals bijvoorbeeld in Metamorphoses [Gedaanteverwisselingen] van Ovidius), maar dat het op een oorspronkelijke en directe manier een nauwkeurige weergave is van de feiten – van iets dat werkelijk gebeurde in oude tijden. Een mythe, een folkloristisch verhaal is niet een verklaring: het is de herrijzenis van een oorspronkelijke werkelijkheid in de vorm van een verhaal.

Lang voordat de moderne wetenschap de hoge ouderdom van de mens, zij het schoorvoetend, ‘vaststelde’, gaven mythologieën, sprookjes en religieuze overleveringen de mensheid al een enorme ouderdom. Er bestaan legenden over dwergvolken (we doelen niet op het ‘Kleine Volk’). De wetenschap heeft het bestaan van dwergmensen in lang vervlogen tijden erkend. Er zijn de verhalen over draken en machtige zeeslangen. We weten nu dat deze 100 miljoen jaar geleden bestonden; we hebben ze in feite opgegraven! Hoe kon de oermens deze schepselen ‘bedenken’ tenzij hij ze werkelijk uit ervaring kende?

In Noordeuropese mythen worden verhalen verteld over poolgebieden waar een mild klimaat heerste, gebieden met grote bossen en tropische bloemen. Het klimaat in deze streken is al vele duizenden jaren koud. Er was alleen ijs en er is nog steeds niets dan ijs. Wensdromen? Helaas, we hebben onder de lagen uit de ijstijd fossielen gevonden van een weelderige plantengroei van een tropisch klimaat.

In dat Tolteekse sprookje is de Ouderwereld een onzichtbaar gebied in de natuur waar een scheppingsproces plaatsvindt door middel van iets heel kleins. Het proces openbaart zich in deze wereld in de vorm van natuurverschijnselen, de wereld van de stoffelijke werkelijkheid.

We zien dat het denkbeeld van andere werelden of bestaansgebieden op vele manieren in de mythologieën en verhalen van volken en rassen tot uitdrukking komt. Bestaansgebieden van waaruit krachten in onze wereld stromen: er is altijd een punt van binnenkomst, een deur, een poort, een brug of zelfs het oog van een naald. Jacob zag in zijn droom de hemelse krachten afdalen en opstijgen langs de kosmische ladder. In veel verhalen is het de magische edelsteen waardoorheen de Krachten de wereld van de mens binnenkomen. De oude Griekse filosofen Pythagoras en Plato spraken over een wereld van Vormen en Ideeën (als het ware de tekenkamer van de Architect van de Natuur), een wereld die bestaat buiten de waarneembare wereld van de stoffelijke dingen. De geheime of innerlijke leringen van alle grote godsdienstige en filosofische stelsels zien het heelal als een oneindig systeem van hierarchieën, bezield door een allesdoordringend kosmisch bewustzijn.

Deze denkbeelden hadden geen plaats in de wetenschappelijke methodologieën. De wetenschapper kon alleen stoffelijke verschijnselen waarnemen, proberen deze verschijnselen in een geordend stelsel onder te brengen en daaruit algemene wetten afleiden die deze verschijnselen beheersen; zo werden de wetten van de mechanica, thermodynamica en scheikunde vastgesteld en als algemeen geldend voor het hele universum beschouwd, totdat nieuwe verschijnselen werden waargenomen waarop deze algemeen geldende wetten niet konden worden toegepast.

De orthodoxe wetenschapper, die nog steeds vasthoudt aan de zuiver mechanistische kijk op de natuur en volhoudt dat er niet zo iets als een ziel bestaat en dat het leven ontstond uit ‘dode stof’, is een uitstervende soort. De moderne wetenschap heeft het bestaan van andere gebieden, werelden en dimensies ontdekt en zegt in feite dat hun bestaan noodzakelijk is om de waarneembare verschijnselen te kunnen verklaren. De huidige wetenschapper gebruikt woorden die sterk doen denken aan de taal van de mythologie en van de oude wijsheid.

De innerlijke wereld van de mens is het onderwerp van het wetenschappelijk onderzoek geworden. Volgens Jung en zijn aanhangers gaat bijvoorbeeld de totale menselijke psyche het beperkte gebied van het menselijk bewustzijn ver te boven. De hedendaagse natuurkundige spreekt over krachtvelden. Stofdeeltjes worden beschreven als brandpunten en draaikolken van activiteit. De opvatting dat er sprake is van een onafgebroken schepping die op een kosmisch gebied plaatsvindt, buiten ons stoffelijk heelal en door een of andere kosmische deur naar binnen ‘stroomt’, werd niet door een dromende metafysicus geformuleerd, maar door wetenschappers van de 20ste eeuw. Biochemici construeerden een spiraalmodel van de genen en noemden dit model de levensladder.

Prof. Arthur Eddington, een van de meest vooraanstaande astrofysici van onze eeuw, zei dat de wetenschap de werkelijkheid niet langer vereenzelvigt met het stoffelijk heelal, want het denken en het bewustzijn behoren tot de onzichtbare werelden; maar er zijn ook onzichtbare heelallen, die buiten het bereik van de menselijke ervaring liggen (Einstein, Jeans). De moderne wetenschappelijke denker zegt duidelijk dat de werkelijkheid van ons stoffelijk heelal slechts een betrekkelijke werkelijkheid is, betrekkelijk ten opzichte van onze ervaring. Zonder zich ervan bewust te zijn heeft de wetenschap langzamerhand het grondbeginsel van de oude wijsheid overgenomen: de fundamentele eenheid van het heelal en de onderlinge afhankelijkheid van de verschillende gebieden, werelden en dimensies. Het intuïtieve besef van deze eenheid, die tot uitdrukking komt in de oneindige verscheidenheid van openbaringen in de stoffelijke wereld, spoort de wetenschappelijke zoeker naar waarheid aan die ene fundamentele wet te ontdekken die het heelal leidt. De wetenschapper van onze tijd weet dat bepaalde wetten, die vroeger als onveranderlijk werden beschouwd, slechts met betrekking tot bepaalde systemen van kracht zijn. De ‘Wet van Newton’ is niet van toepassing op de verschijnselen van het uitdijende heelal van zich terugtrekkende sterrenstelsels. De Euklidische meetkunde bleek juist te zijn voor het opmeten van Groot- Brittannië, de Verenigde Staten en Australië, maar geldt niet voor het meten van de kosmische ruimte. ‘Achter het ene systeem bevindt zich een ander systeem, waarop de wetten van het eerste niet kunnen worden toegepast . . .’ Het driedimensionale heelal is een stelsel van menselijke ervaring, maar er zijn stoffelijke verschijnselen die niet in een driedimensionaal heelal passen; de werkelijkheid moet daarom multidimensionaal zijn.

We kunnen het heelal slechts zien door de indrukken van onze zintuigen die de dingen indirect weerspiegelen . . .

Stel u een wandluis voor die volkomen plat is en leeft op het oppervlak van een bol. Deze wandluis bezit misschien het vermogen om te analyseren, hij studeert wellicht natuurkunde, schrijft misschien zelfs een boek. Zijn heelal zal tweedimensionaal zijn. Misschien heeft hij wel een intellectueel of mathematisch begrip van een derde dimensie, maar hij kan zich die niet voorstellen. De mens verkeert in dezelfde positie als de onfortuinlijke wandluis, behalve dan dat hij driedimensionaal is. De mens kan zich mathematisch een vierde dimensie indenken, maar hij kan haar niet zien, hij kan er zich geen beeld van vormen, hij kan haar niet stoffelijk aanschouwelijk maken. Ze bestaat voor hem alleen mathematisch. Het denkvermogen heeft er geen greep op.2    – Albert Einstein

Op dit punt vergist de grootste denker van onze tijd zich! De man die de ene wet aantoonde die stof en energie beheerst, die een dualistisch heelal vernietigde, vergat . . . het sprookje! De intuïtieve kennis uit lang vergeten eeuwen vertelt ons over enkelvoudige punten, waar de scheppende kracht onafgebroken doorheen stroomt, over de grote hierarchieën van leidende intelligenties, die zich eindeloos op de levensladder uitstrekken (Eddingtons ‘gedachte-stof’); ze vertelt ons dat het leven niet is onderworpen aan de eerste en tweede wet van de thermodynamica (wat nu wordt toegegeven door de moderne bioloog). Einstein zei eens: ‘De menselijke geest is niet in staat een begrip van de vier dimensies te vormen. Hoe kan hij dan een begrip vormen van een god, voor wie duizend jaar en duizend dimensies als één zijn?’ Misschien kan het menselijk brein zulke denkbeelden niet bevatten, maar het hogere denken van de innerlijke mens, het Zelf van Jung’s dieptepsychologie heeft van zulke begrippen wel een idee. Intuïtie en inspiraties komen uit die andere werelden, buiten en binnen ons; intuïtieve kennis wordt in eeuwenoude symbolen uitgedrukt en gehuld in het gewaad van mythe en legende. Daar ontmoet de wetenschapper zijn sprookje.

 

Noten

  1. Uit Magic Casements, Langston Day.
  2. Cosmic Religion with other Opinions and Aphorisms, blz. 101, 102-3.
 
Andere artikelen over mythologie en symboliek
 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/jun 1991

© 1991 Theosophical University Press Agency