Alle levensrijken bewegen zich in stijgende lijn, bij sommige is dat
duidelijker dan bij andere, maar alle zijn in beweging krachtens
het goddelijke beginsel in hen. Deze opgaande impuls, die van geestelijke
aard is, is erop gericht alle leven te verheffen tot hogere niveaus
van expressie. Omdat iets in ons wezen universeel is, hebben we deel
aan het wel en wee waarmee het ‘uitwerken’ van het kosmisch
plan gepaard gaat. Zo’n samengaan vraagt om voortdurende veranderingen
en aanpassingen in onze opvattingen. Omdat deze ontwikkelingen niet
altijd op soepele wijze kunnen worden gevolgd, ontstaan er lichamelijke
en cellulaire afwijkingen. Veranderingen zijn noodzakelijk, want ze
vormen de basis tot vooruitgang en zijn onmisbaar voor de eenwording
van de menselijke constitutie op weg naar geestelijke eenheid.
In het rijk van de mens is het het geestelijke of hogere denkvermogen
dat de goddelijke impulsen ontvangt en op zijn beurt doorgeeft aan de
lagere of uiterlijke sferen. Omdat de scheppende impuls tot uitdrukking
komt op de gebieden van het stoffelijk brein en lichaam, roept dit reacties
op van verschillende aard die een verscheidenheid van emoties tot gevolg
hebben, afhankelijk van de ontvankelijkheid van het lagere denkvermogen.
Deze reacties kunnen zich zowel voordoen als samenhangend (in harmonie)
of als onsamenhangend (in disharmonie). Het onvermogen van het stoffelijk
brein om deze impuls naar zijn ware aard te verwerken, veroorzaakt disharmonie
en heeft lichamelijke en mentale ziekte tot gevolg.
Om menselijke problemen, waaronder ziekten, te kunnen begrijpen is
een breed en intuïtief inzicht nodig. Zoals men een boek niet kan
lezen door het oog van een naald, zo kan het Levensboek niet volledig
worden gelezen door het kijkgat van het hersenverstand of in het duister
van de persoonlijkheid. Men moet zoeken naar ruimere openingen van filosofische
of onpersoonlijke aard. Ziekte als een geestelijke ervaring ligt op
het terrein van het abstracte, maar er is niets onlogisch aan het ab-stracte;
het te begrijpen vereist echter eerder intuïtie dan intellect.
Elk onderzoek van het leven moet de abstracte, geestelijke zienswijze
omvatten en dat leidt tot het besef dat van de drie levensgebieden het
stoffelijke het gebied is van de gevolgen en reacties. De oorspronkelijke
oorzaak of handeling ligt daar niet.
In het levensdrama is het geestelijke denkvermogen de toneelschrijver,
het stoffelijke brein de acteur en het lichaam of het stoffelijke gebied
het toneel waarvan het decor voortdurend moet worden veranderd om tegemoet
te komen aan de eisen van het toneelstuk. Ziekte is een reactie op een
overheersende gemoedsgesteldheid. We moeten in gedachten houden dat
termen als stoffelijk brein of hersenverstand niet betekenen dat het
denkvermogen zich in de stoffelijke hersenen bevindt, want zowel de
hogere als de lagere aspecten van het denken bevinden zich voor een
groot deel op het gebied van de waarneming. De functie van de hersenen,
die uit niets anders bestaan dan een hoeveelheid zenuwweefsel, is het
teweegbrengen en instandhouden van fysiologische zenuwimpulsen. De perioden
na de dood van persoonlijk lijden, van bespiegelingen en geluk zijn
bewuste ervaringen die wijzen op het bestaan van een zekere mate van
analytisch bewustzijn los van de hersenen.
Alle normale evolutieprocessen bereiken eerst de individualiteit door
middel van het geestelijk denkvermogen, zodat alle fysieke reacties
in zekere zin voortkomen uit een geestelijke impuls. Ziekte is misschien
de meest voorkomende van al deze reacties die men ervaart. In het algemeen
worden ze door de betrokkenen niet bewust herkend als geestelijke ervaringen,
omdat ze op een hoger gebied van bewustzijn werken, buiten het bereik
van de stoffelijke zintuigen. In onze huidige staat van bewustzijn koesteren
we emoties aan beide zijden van het mentale vlak; we hebben tezelfdertijd
deel aan het geluk van de geestelijke natuur en de hartstocht van aardse
begeerten. Het lagere, bewuste denken is de sfeer waarin disharmonie
ontstaat. Het is dat aspect dat te maken heeft met fysieke betrekkingen
en kwalen en ondergaat als zodanig de reacties van het verontruste lichaam.
Zoals het stoffelijk gebied het toneel is waarop het levensdrama wordt
opgevoerd, zo is het stoffelijk lichaam het toneel waarop het drama
van ziekte zich voltrekt. Het lichaam, of wat zich daarin bevindt, is
niet de oorzaak van ziekte; als werkingsveld of ontvangstation van hogere
tegenstrijdige krachten, reageert het defensief op de binnenstromende
vibraties en emoties.
Wat algemeen wordt gezien als ziekte is in feite de inspanning van
het lichaam om zich tegen die invasie te beschermen. Alle reacties,
zoals pijn, koorts, verstoppingen, ontstekingen, verkoudheid, tumoren,
slijmvorming, oedeem, hoest, braken en diarree, zijn geen destructieve
maar eerder constructieve werkingen. Deze afwijkingen kunnen worden
vergeleken met het zich oprollen van een slang als er gevaar dreigt.
Het oprollen is niet het gevaar of de afwijking, maar een reactie op
gevaar of afwijking. Opgerold zijn is niet de normale houding van een
slang, maar in bepaalde omstandigheden is het volkomen normaal. Zo zijn
koorts, verkoudheid, tumoren, hartvergrotingen, enzovoort, niet de normale
toestand, maar in bepaalde omstandigheden zijn ze niet alleen normaal
maar noodzakelijk voor het leven van het lichaam.
Het wetenschappelijk onderzoek van deze tijd speurt intensief naar
de oorzaken van lichamelijke kwalen van de mens, maar het onderzoek
is voor het grootste deel beperkt tot het stoffelijk gebied dat op zijn
best alleen de gevolgen kan onthullen. Dat nieuwe ontdekkingen afwijken
van de oude afgedankte is niet zonder meer een aanwijzing dat men iets
oorzakelijks heeft gevonden. Veel onderzoek is als een draaimolen die
ronddraait maar nergens heengaat. De oorspronkelijke oorzaak van wat
ook, ziekten inbegrepen, kan niet in de materiële sfeer van het
leven worden gevonden, die uit zichzelf niet kan scheppen – het
ontbreekt haar eenvoudig aan de middelen daarvoor. Het is niet het gebied
van het ‘scheppende’ maar van het ‘geschapene’.
Ziekte en de oorzaak van ziekte bevinden zich op verschillende gebieden,
en het ene is de reactie op het andere. Het toekomstig onderzoek moet
de mens gaan zien als een product van het goddelijke, dat in zich de
eigenschappen bezit van zowel geest als stof, en moet tot het besef
leiden dat disharmonie slechts het gevolg kan zijn van het uitwerken
van het conflict tussen geest en stof. De christelijke symboliek zinspeelt
hierop in het martelaarschap van de kruisiging en de daaropvolgende
triomf van de opstanding: de innerlijke christus tegenover het uiterlijke
lichaam, het hogere tegenover het lagere.
Het grootste dilemma van deze tijd is het gevolg van het feit dat men
gevolgen ziet als oorzaken. Gevolgen kunnen gevolgen veroorzaken binnen
het stoffelijke gebied, maar de eerste oorzaak kan men nooit
op het stoffelijke gebied vinden. Daarom zijn alle fysieke processen,
waaronder ziekte, een reactie op niet-fysieke prikkels. Met deze ideeën
hangen twee conclusies samen:
(1) Lichamelijke ziekte heeft zelden een lichamelijke oorzaak;
(2) Elke stoffelijke invloed van buitenaf die het lichaam beroert,
kan geen eerste oorzaak zijn, hoever die ook van het lichaam is verwijderd.
Deze tweede conclusie lijkt misschien tegenstrijdig als de ziekte bijvoorbeeld
het gevolg is van een auto-ongeluk, maar ook hier is de wet van toepassing,
zij het in meer abstracte zin. Want wat is tenslotte de ware aard van
een ongeluk? Is het toeval of pech? Een dergelijke zuiver fysieke en
bijgelovige interpretatie kan nooit tot begrip leiden omdat het de metafysische
kant buiten beschouwing laat. Alle leven volgt een plan dat een doel
dient; daarom gebeurt er niets dat van enige betekenis is zonder oorzaak
of reden. Als voorts het ongeluk plaatsvond in een bepaalde straat en
we bedenken dat een aspect van het denkvermogen geestelijk (dus visionair)
is, waarom gaf dat ons dan niet de wenk ons elders te begeven? Of het
ongeluk was nodig voor de ervaring, of het lagere denkvermogen dat technisch
verantwoordelijk is was niet ontvankelijk voor de hogere aanwijzingen.
In beide gevallen is er bij het ongeluk sprake van geestelijke leiding
en van een zinvolle aanpassing. Deze houding lijkt misschien fatalistisch,
maar ze erkent eenvoudig dat er zowel in de onaangename momenten als
in de aangename geestelijke krachten werkzaam zijn. We kunnen aan beide
gevallen een heilzame werking niet ontzeggen, evenmin kunnen we de rechterhand
loven en de linker hekelen omdat we rechtshandig zijn. Beide zijn even
noodzakelijk in bepaalde gevallen en beide dienen op een bepaald moment
een innerlijke behoefte.
Het lichaam vertoont reacties of gevolgen (symptomen, kwaal of ziekte
genoemd) want dat is alles wat het tot uitdrukking kan brengen. Omdat
het deel uitmaakt van de stoffelijke wereld kan het de oorzaak van wat
ook niet vasthouden. Alles wat het kan doen is ontvangen en reageren
overeenkomstig zijn opnemingsvermogen. Ziekte vertegenwoordigt dus de
emotionele neerslag in het fysieke, als gevolg van de tijdelijke strijd
tussen het hogere denkvermogen (wat we zouden moeten doen) en het lagere
denken (wat we doen). In de toekomst zullen we dit soort strijd zijn
ontgroeid als de volledige eenwording van de lagere en hogere aspecten
van het denken heeft plaatsgevonden.
Ziekte duidt echter niet op een slecht of verkeerd geleid leven en
evenmin op een totale mislukking van ons streven naar een evenwichtig
bestaan. Het wijst op onvolmaaktheid, wat natuurlijk is in dit stadium
van geestelijke groei. Ziekte brengt ook iets anders voort dan pijn
en ellende – een diepere levensopvatting. Het lagere denken, gekortwiekt
door fysieke afwijkingen, staat meer open en is meer idealistisch, wat
de belangrijkste voorwaarden zijn voor een ruimere visie en een ruimer
begrip. Het lagere verstand wordt gematigd en meer tot nadenken gestemd
als gevolg van de lichamelijke verstoring. Zijn vertrouwen en gevoel
van zekerheid zijn zo geschokt dat het elders troost zoekt. Dat geldt
meer in het bijzonder voor chronische aandoeningen, maar alle vormen
van slechte gezondheid leiden tot een serieuzer en beschouwend denkpatroon.
Men zou zich kunnen afvragen of ziekte en andere vormen van mentaal
en fysiek lijden nodig zijn voor geestelijke groei. Om te beginnen is
er enige aansporing nodig om de mens vooruit te brengen, en wel door
middel van het doorbreken van verstarde levens- en denkwijzen. In de
meeste gevallen, maar niet altijd, neemt deze stimulans de vorm aan
van ziekte of andere moeilijkheden. Verder is het niet ons ware zelf
dat lijdt. Het ware zelf wordt geestelijk versterkt door de eenmakende
werking die het gevolg is van de tegenstrijdigheden van beide denkvermogens.
De neerslag van de strijd ligt alleen in de lagere structuren, in het
stoffelijk lichaam en het lagere denken.
Al eeuwenlang heeft het lagere denken zich bewust beziggehouden met
het gebied van het stoffelijke en nu, dankzij onze evolutionaire positie,
worden we ons langzaamaan bewust van ruimere perspectieven van geestelijk
begrip. Door onze levenservaringen breidt het lagere denken zich voortdurend
uit en neemt het de kenmerken van zijn hogere tegenhanger over, maar
in het begin is de grote kracht die voortkomt uit de hogere contacten
voor onze lagere elementen vreemd en onaantrekkelijk. Het samensmelten
van beide aspecten van onze natuur verloopt niet altijd even vriendelijk.
Een voortdurende heroriëntatie van het lagere denken en het lichaam
is nodig om deze hogere uitbreiding te verwezenlijken. Het heeft veel
weg van de reorganisatie van een automobielfabriek als een nieuw automodel
in produktie gaat. De mechanische elementen moeten worden gewijzigd
en dat vraagt om bijstelling. Aanpassing heeft problemen tot gevolg
en in sommige gevallen leiden problemen tot ziekte. Ook in de mens kunnen
de problemen van aanpassing om aan een hogere behoefte te voldoen leiden
tot ziekte of het slecht functioneren van verschillende lichamelijke
en mentale uitingen.
Voor het lichaam, of meer in het bijzonder voor de cel, zijn de reacties
als gevolg van ziekte zowel creatief als beschermend. Wat is een cel?
Het is meer dan protoplasma; het is een individueel leven dat bestaat
uit het goddelijke, uit ziel en vorm. Ze verschilt van de mens –
zoals dat met de leden van alle andere rijken het geval is – dankzij
het tussenliggende beginsel: de ziel. Al kan haar beperkte zielenbewustzijn
zich slechts in celvorm tot uitdrukking brengen, ze is wat oorzaak en
doel betreft fundamenteel gelijk aan alle andere levensvormen. Alle
levens zijn slechts specialisaties van het Ene, maar verbonden door
een gemeenschappelijke oorsprong en bestemming.
Door het ziekteproces en de daaruit voortvloeiende poging tot bescherming
ondergaat de cel veranderingen. Veranderingen als gevolg van ervaring
leiden tot vooruitgang en vooruitgang betekent dat men geestelijk vordert.
Ons lichaam is een samenstel van levens (cellen) dat het zijn bipolariteit
verleent – een vermenging van tegenstellingen omdat het enerzijds
een uitbreiding is van het goddelijke in de stof en anderzijds een voertuig
waardoor de lagere graden van bewustzijn van de cel deel kunnen hebben
aan de hogere organisatie die door de menselijke structuur wordt vertegenwoordigd.
Daarom dient ziekte, zelfs op het stoffelijk gebied, zowel een productief
als een nuttig doel.
Alle leven beweegt zich naar de vervulling van een geestelijk idee
en hoe sneller we dit beseffen, des te sneller krijgt ons leven een
innerlijke betekenis en richting. We moeten blijven vasthouden aan het
geloof, door krachtsinspanning en begrip, dat alle menselijke problemen
geestelijk getint zijn, ondanks hun stoffelijke vorm. Dit besef zal
niet noodzakelijkerwijs leiden tot een spontane immuniteit tegen ziekte,
maar zal er een zekere verdienste en betekenis aan toekennen die boven
de onaangename kant uitgaan. Ziekte moet worden gezien als een levenservaring
die even waardevol is voor de ziel als het tegendeel, want alle ervaringen
zullen tenslotte de individuele synthese van het geestelijke tot stand
brengen.
Filosofisch gezien kunnen we zegenrijke en pijnlijke ervaringen niet
scheiden, want beide dienen in verschillende mate hetzelfde doel; ze
dienen hun tijd uit en verdwijnen dan even natuurlijk als ze zijn gekomen.
Dat betekent niet dat we ziekten moeten zoeken als een geestelijke stimulans,
maar als we ermee te maken krijgen, moeten we de essentiële kant
ervan niet uit het oog verliezen. Dat we hulp zoeken bij dergelijke
ongemakken is begrijpelijk en soms nodig, maar dat moet gepaard gaan
met een dieper besef: dat de energieën die het middel verschaffen
waardoor we uitdrukking geven aan disharmonie doordat we niet tegemoetkomen
aan de wijsheid van het hogere denken, juist die energieën zijn
die ook het leven schenken en instandhouden.