De juichstemming van de voorlaatste winter, toen autoritaire regimes
in verschillende delen van de wereld door de volkswil werden weggevaagd,
heeft plaatsgemaakt voor bezorgdheid die haar oorzaak vindt in de moeilijke
keuzen waarvoor naties zich intern en naar buiten zien geplaatst. Opnieuw
worden we eraan herinnerd dat ondanks vooruitgang de menselijke natuur
niet in een jaar of zelfs niet in eeuwen verandert en dat oorzaken die
de mensheid in de afgelopen duizenden jaren heeft gelegd, gevolgen moeten
voortbrengen, hetzij van constructieve of destructieve aard.
Niettemin bestaat het leven uit talloze onbekende onbaatzuchtige daden
die voortvloeien uit de ingeboren spiritualiteit van ieder mens en uit
de intuïtieve erkenning dat we met anderen een geestelijke gemeenschappelijke
oorsprong hebben. De onschatbare innerlijke bijdragen van diegenen,
verspreid over de hele wereld, die menselijke waarden instandhouden,
terwijl velen van hen onder moeilijke omstandigheden leven, hebben een
reservoir opgebouwd van geestelijke kracht die de wereld ten goede beïnvloedt.
De tijd nadert dat overal met de georganiseerde zelfzucht en dweepzucht
wordt afgerekend: al wordt algemeen erkend dat totalitaire oplossingen
van menselijke problemen niet mogelijk zijn, ook die stelsels die op
verheerlijking van zelfzucht en wedijver zijn gebouwd moeten hun falen
onder ogen zien. De verbondenheid van de wereldgemeenschap – niet
alleen op politiek, economisch en technologisch, maar ook op psychologisch
gebied – brengt ons dichter bij het leven elders, zodat wat er
in andere landen en continenten plaatsvindt, ons even nabij is als plaatselijke
gebeurtenissen. Het is duidelijk dat andere volkeren, waar ze zich ook
bevinden, onze medemensen zijn en we beginnen hun ontberingen en rampen,
hun vreugden en successen daadwerkelijk te herkennen.
Toch blijven destructieve en zelfzuchtige krachten in het offensief:
vanaf de kinderjaren zijn we omringd door beelden van geweld, genotzucht
en dingen die de begeerten prikkelen – en in sommige gevallen
van haat en dweepzucht. Wie door godsdienst, ras of nationaliteit tot
een andere groep behoren, worden nog vaak gezien als een bedreiging
of vreemde elementen voor onszelf en voor hen van wie we houden. De
huidige overgangstijd in de wereld doet in veel opzichten denken aan
de eerste eeuwen van het christelijke tijdperk: de afbraak van een gevestigde
wereldorde, een vermenging van veel culturen die een veelheid van wereldse
en geestelijke mogelijkheden met zich bracht, een tijd van wijdverbreid
geweld en verwarring. Uit die vroegere gisting en onrust ontstond een
starre, hiërarchische, autoritaire structuur die om algemene aanvaarding
vroeg. Het fanatisme en dogmatisme van die tijd, vertegenwoordigd door
hen die een hoge positie gingen bekleden, onderdrukte algauw alle concurrerende
bewegingen of ruimere denkbeelden die niet in voldoende mate door het
volk werd gesteund. Door de geschiedenis van die vroegere eeuwen te
bestuderen, worden we ons bewust van de ongewenste aspecten en zijn
we misschien beter in staat daarvoor op onze hoede te zijn. Bovendien
toont het duidelijk hoe belangrijk het is dat ieder van ons probeert
te zijn wat we in de toekomst willen worden – sterk,
positief en vol begrip; onafhankelijke denkers, geworteld in het geestelijk
aspect van ons wezen. Wat onze wens voor de toekomst ook is, ernaar
streven haar in ons bewustzijn en onze daden tot een levende werkelijkheid
te maken is de zekerste weg om haar tot stand te brengen. Hoe universeler
en meedogender ons doel is, hoe meer steun we zullen geven aan, en hoe
meer we zullen ontvangen van de geestelijke krachten van de aarde.
Vroegere oorzaken blijven hun gevolgen voortbrengen en hoe we deze
gevolgen tegemoettreden bepaalt welke uitwerking een dergelijk karma
op ons heeft. In dit proces scheppen we nieuwe oorzaken die in de toekomst
op de mensheid zullen inwerken. Broederschap, waarachtig medegevoel
met alle mensen en alle levensvormen, verschaft de sleutel tot een positieve
oplossing van problemen op vele levensgebieden.
De mensheid is één organisme, een vereniging of een collectief
wezen. Wat elk deel denkt en doet heeft in meerdere of mindere mate
invloed op ieder ander deel. Hoe meer mensen op een bepaalde manier
handelen of denken, hoe sterker de neiging daartoe voor allen wordt;
hoe krachtiger en bewuster iets wordt gedaan, hoe groter de uitwerking
is op het geheel. In ons eigen bewustzijn, in onze relatie met anderen,
in nationale en internationale betrekkingen, is het van groot belang
dat we onszelf zien als een deel van het geheel, als mensen met zowel
verantwoordelijkheden als rechten, die zowel moeten geven als ontvangen.
Want aan bekrompen provincialisme moet een einde komen als we dat type
wereld willen krijgen waar we naar verlangen, niet een wereld die wordt
overheerst door een minderheid ten koste van de velen – hoe rationalistisch
of idealistisch ook beredeneerd – of wordt beheerst door conflicten
van elkaar bestrijdende groeperingen, maar een wereldgemeenschap waarin
gezamenlijk wordt gewerkt aan de oplossing van de grote problemen waarvoor
de mensheid zich ziet geplaatst en waarvan de meeste het gevolg zijn
van menselijke zelfzucht en onwetendheid. Groepen stijgen niet uit boven
het niveau van de individuen die ze samenstellen: hoe het juiste evenwicht
tussen individualisme en collectivisme moet worden bereikt, en welke
vorm het zal aannemen wordt bepaald door de motieven en prioriteiten
van ieder persoon, door wat we in ons leven centraal stellen. Wat ieder
van ons persoonlijk bijdraagt is van wezenlijke invloed op de toestand
van de mensheid.
We staan op een tweesprong in menselijke ervaring met een keuze uit
vele wegen, afhankelijk van de wijze waarop we het karma tegemoettreden
dat de mensheid over zichzelf heeft gebracht en zo vormgeven aan ons
eigen leven en bewustzijn. De betekenis van ieder mens die ernaar streeft
zijn hoogste verantwoordelijkheden, zoals hij die ziet, te vervullen
en het geestelijk licht in zichzelf en anderen te voeden, was nooit
zo doorslaggevend als in deze tijd, waarin het goede verloop van het
komende millennium op het spel staat. Wij werden in deze tijd en op
deze plaats door ons innerlijk zelf, door ons individuele en collectieve
karma, tot incarnatie geroepen en het is aan ons om met hoofd en hart
uit te maken wat van wezenlijke waarde voor ons is, om er daarna vorm
aan te geven ter wille van de mensheid.