Er is een gezegde ‘dwalen is menselijk, vergeven goddelijk’;
mens zijn betekent echter meer dan alleen fouten maken. We moeten weten
wie en wat we zijn, begrijpen wat we bedoelen als we onszelf mens noemen
en niet een plant, een dier of een steen. Om de sleutel tot ons mens-zijn
te vinden, moeten we naar binnen zien, in onze eigen natuur –
naar de structuur die aan de uiterlijke stoffelijke vormen ten grondslag
ligt. We zijn denkende dieren, samengestelde met veel stemmen begiftigde
wezens. Om deze vaak tegenstrijdige elementen van onszelf te onderscheiden,
moeten we zinvolle keuzen kunnen maken en wel zo dat we daar uiteindelijk
geen spijt van krijgen.
Zowel in alle levende als in de schijnbaar onbezielde dingen schuilt
een mysterie; door dat op te lossen zou men van het lijden worden verlost
en zou degene die deze kennis bezit het hoogste geluk ten deel vallen.
Mens Ken Uzelf is de al eeuwenlang door
wijzen gegeven raad – want in ons is het koninkrijk der hemelen.
Wat is het dan dat we van onszelf moeten weten, dat ons innerlijke vrede
kan schenken en ons in ons dagelijks leven tot richtsnoer kan dienen
om in de wereld een kracht ten goede te worden?
Laten we eerst nagaan wat we zijn. Ieder bewust leven heeft een voertuig
of lichaam nodig om te kunnen bestaan. Dat is het gebied waarmee we
het meest vertrouwd zijn omdat we de stoffelijke vormen om ons heen
kunnen zien, voelen en beïnvloeden. Om deze voertuigen te vormen
en instand te houden is het lichaam omgeven door een modellichaam –
dit is minder duidelijk maar wel logisch omdat de dingen hun vorm behouden
ondanks de voortdurende bewegingen en het sterven van cellen. De vitaliteit
of de levenskracht wekt de bewegingen op en maakt die mogelijk –
maar is iets dat nog niet vaak wordt gezien als een unieke en afzonderlijke
onderafdeling binnen de hele levensvorm. Hoe belangwekkend deze drie
aspecten ook zijn, ze zijn niet meer dan de noodzakelijke funderingen
voor het gebied waarop tijdens het leven de innerlijke groei zich voltrekt
en ervaringen worden opgedaan. Al is een entiteit toegerust met de noodzakelijke
lichamelijke werktuigen, ze is toch nog onvolledig; het werkelijk fascinerende
deel bevindt zich daar waar de innerlijke groei en activiteit plaatsvinden!
Om levende entiteiten te begrijpen als wezens die uit meerdere delen
bestaan, waarvan het aantal vaak wordt gesteld op zeven, zijn nog vier
aspecten nodig om ze te completeren. Het eerste dat volgt is de begeerte,
de kracht die ons aanzet tot handelen: op zichzelf kleurloos is zij
de vonk waaruit handelingen worden geboren. Als de begeerte ontwaakt
gaat het besluit haar al of niet te bevredigen aan de daad vooraf (zelfs
schijnbaar niet-handelen is handelen, omdat dan voorlopig wordt gekozen
voor de bestaande toestand). Dit brengt ons rechtstreeks naar het strijdperk
waarin het handelen plaatsvindt, de keuzen worden gedaan en de conflicten
worden opgelost .– namelijk het denkvermogen.
Daarmee denken we, nemen we beslissingen en daarin hebben de opdrachten
tot lichamelijke activiteit hun oorsprong, enz. Omdat kiezen betekent
dat we meer dan één weg kunnen volgen, houdt dat in dat
het denken op zijn minst in twee aspecten kan worden verdeeld –
een hoger en een lager verstand – en nog een derde dat verband
houdt met het feit dat er in het midden een beginsel is dat het voor
en tegen van de situatie afweegt om tot een beslissing te komen. Het
lagere denken is nauwer verbonden met het begeerte-beginsel, het hogere
met het tot nu toe niet onderzochte, universele of goddelijke deel van
onszelf, dat door christenen de geest wordt genoemd. Dit goddelijke
aspect kan ook worden onderverdeeld in tweeën: buddhi of de schakel
tussen het denken (manas) en atman of adem – dat deel dat alle
entiteiten verbindt met de goddelijke bron van alle. Zeven delen van
een prachtig geheel, namelijk:
atman – goddelijke ziel
buddhi – geestelijke ziel
manas – verstand, menselijke ziel
kama – hartstochten en begeerten
prana – levenskracht
lingasarira – astraal- of modellichaam
sthulasarira – stoffelijk lichaam
Als we nu vragen: ‘Wat betekent het waarlijk mens te zijn?’
wordt het duidelijk dat het antwoord kan worden gevonden in de keuzen
die we als afzonderlijke mensen doen. De richting van ons denken bepaalt
wat het uiteindelijke resultaat van een keuze zal zijn. Zodra we aan
dat beeld het begrip reïncarnatie toevoegen – het denkbeeld
dat alles, vanaf het kleinste subatomaire deeltje tot het grootste melkwegstelsel
en nog verder een evoluerende entiteit is, die groeit en ervaringen
opdoet via steeds nieuwe belichamingen, afgewisseld door perioden van
rust – krijgen de draagwijdte en de gevolgen van onze daden een
wijder perspectief. Het hopeloze gevoel te hebben gefaald verdwijnt;
morgen is er weer een dag; en de vreugde die ontstaat door juist te
handelen wordt een onuitputtelijke en warmere stimulerende kracht, omdat
we de hartslag voelen van een dynamisch heelal waarvan wij een innerlijk
deel uitmaken. Nog belangrijker is het dat tijd een bondgenoot wordt
omdat we beseffen dat we allen pelgrims zijn, samen op weg door de oneindigheid.
Reïncarnatie op zich zou zinloos zijn als er geen middelen waren
waardoor de harmonie weer kan worden hersteld na te zijn verstoord.
Karma is een naam die is gegeven aan de wet van oorzaak en gevolg. Het
is noch een wrekende engel, noch een toegeeflijke god; het is de onpersoonlijke
wet die zorgt voor een geleidelijke groei en die ons helpt de waarheid
in onszelf te vinden. Wij zijn onze eigen meesters die volledig verantwoordelijk
zijn voor al onze daden, die altijd leren en veranderen – beweging
of verandering is het enige dat blijvend is. Zoals een rivier haar eigen
weg vindt naar de oceaan, zo vinden ook wij, door onze pogingen in vele
levens, onze weg naar onze godheid; maar net als het water dat niet
bergopwaarts stroomt, vinden wij ons pad binnen de universele wet van
harmonie die we gaan begrijpen door de gevolgen te ondergaan van verkeerd
handelen (zoals het stoten van een teen ons leert de boekenkast te mijden).
Als mens verkeren we in een bijzondere evolutionaire positie –
door van de boom van kennis, van goed en kwaad te hebben gegeten, zijn
we in staat na te denken over wie en wat we zijn en door zelfbewuste
keuzen te doen. De betekenis daarvan staat duidelijk in de bijbel waarin
God zegt: ‘Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis
van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook
van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven:
. . . hij [God] stelde . . . een flikkerend zwaard, dat zich heen en
weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken’ (Genesis
3:22-24), en zo werd de wordende mens beschermd tegen het opdoen van
vroegtijdige kennis vóór hij het goddelijk niveau had
bereikt. We hebben inderdaad een heel grote sprong gemaakt om vanuit
de niet zelfbewuste toestand embryonale goden te worden. Als we eenmaal
het ‘flikkerend zwaard’ kunnen passeren door te leren ‘de
wegen van rechtvaardigheid’ te bewandelen, zullen we de boom des
levens hebben gevonden en van zijn vruchten hebben gegeten – waardoor
we onszelf ontdekken, begrijpen en kennen zoals we werkelijk zijn. Het
‘Mens ken uzelf’ houdt niet langer een mysterie in.
Welke richtlijnen kunnen we volgen om het zoeken naar de boom van het
leven voort te zetten? Wat moeten we doen om waarlijk mens te worden
en ons erfdeel in bezit te nemen? De weg is verrassend eenvoudig: uw
naaste liefhebben als uzelf! Dat doen is niet gemakkelijk, ‘Want
het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest
tegen het vlees – want deze staan tegenover elkander – zodat
gij niet doet wat gij maar wenst’ (Galaten 5:17). Iets
volbrengen vereist inspanning, oefening, ijver en toewijding en op de
best mogelijke manier leven vraagt om training en leiding.
Er zijn sleutels die we kunnen gebruiken om de geboorte van de god
in ons te bevorderen. Altruïsme is de eerste stap. Altruïstisch
zijn betekent dat we hen die dwalen nooit onze innerlijke steun onthouden:
wij allen zijn samen bezig te leren en in dit en toekomstige levens
is er altijd sprake van veranderingen; wij zijn allen verbonden in het
goddelijke en de wolken van onwetendheid zullen eens oplossen. Allereerst
moeten we het kwaad in ons eigen handelen uitroeien. Het lijden leert
ons ongetwijfeld wat de gevolgen zijn van daden en als we een ander
hetzelfde aandoen maakt dat ons dubbel schuldig, want we kunnen niet
langer onwetendheid voorwenden wat het gevolg van de daad betreft. Geduld,
vriendelijkheid en medeleven zijn alle positieve eigenschappen van altruïsme.
Zonder onpersoonlijk te zijn kan altruïsme geen plaats hebben
in ons leven. Zolang we het hartstochtelijke en egoïstische zelf
toestaan onbeperkt te heersen over ons leven, kunnen we het welzijn
van een ander niet boven het onze stellen. Reacties op gebeurtenissen
zijn dan altijd emotioneel, in plaats dat ze voortkomen uit het onbewogen,
maar niettemin liefdevolle en warme deel van onze hogere ziel. Om een
daad ongeëmotioneerd te toetsen moeten we afstand nemen van het
strijdtoneel om de oorzaak en consequenties van onze keuze te analyseren.
Er steekt waarheid in het [Engelse] gezegde: ‘act in haste and
repent at leisure’. (Handel snel, maar haast u niet met berouw).
Hoe kunnen we verstandig kiezen als onze blik wordt verduisterd door
emoties? Onpersoonlijk leren zijn, onze driften in toom houden, zijn
deugden die gemoedsrust brengen en ons weerhouden van het doen van onbroederlijke
daden.
Als we onpersoonlijk zijn, zijn we in staat zo goed mogelijk onze plicht
te doen. Zien we niet langer uit naar de wisselvalligheden van roem
en fortuin, of naar erkenning door anderen, dan kunnen we beginnen een
zo goed mogelijk leven te leiden. Als we niet zien naar de vruchten
van ons handelen, kunnen we ons verstand gebruiken als een machtig apparaat
om onze daden te toetsen, niet naar de waarde van een materiele wereld,
maar in het licht van een zich ontwikkelende god. Mettertijd zullen
onze keuzen aanvaardbaar worden voor de innerlijke god en vriendelijker
en meedogender voor onze medemensen. We kunnen geen twee heren dienen
en als we ons erin oefenen in alle situaties de tijd te nemen om de
aard van de keuzen die we op het punt staan te doen (of net gedaan hebben)
te herkennen, zal dat ons helpen de stem van ons hoger zelf te ontwikkelen,
zodat we die steeds duidelijker kunnen horen. Dat is het enige doel
van onze daden – onze eigen plicht; we kunnen niet weten hoe het
verleden was dat ons en anderen op het punt heeft gebracht waar we nu
zijn. Liefde en medegevoel kunnen we in overvloed schenken, maar de
plicht van anderen is voor hen even heilig als de onze is voor ons.
Hun plicht doen betekent de onze verwaarlozen. De paradox is hier dat
we altijd klaar moeten staan om een ander te helpen – dat is onze
plicht – maar alleen wanneer het hulp is en geen ongevraagde inmenging.
Door onze plicht te doen nemen we verantwoordelijkheid op ons voor
onszelf en ons leven. Dat is het gebied waarover we volledig zeggenschap
hebben: hoe we reageren, waarmee we ons denken vullen, hoe we onze tijd
besteden en de mensen om ons heen tegemoettreden, is helemaal onze zaak.
Binnen het raam en het vermogen van ons denken zijn we volkomen vrij
– niemand kan of mag het denken van een ander beheersen. Onder
de woeligste omstandigheden kunnen we ons daarin terugtrekken en die
onschendbare ruimte, dat heiligdom vinden, waar we in aanraking kunnen
komen met onze onsterfelijke geest en herboren worden. Dit goddelijke
deel, als heilige plaats in ieder levend wezen, is voor ieder toegankelijk
naar de mate van zijn bewustzijn. Het licht van het goddelijke schijnt
altijd en wordt alleen aan onze blik onttrokken door begeerten en onwetendheid:
het schenkt ons licht op elk moment dat we een andere weg inslaan. Als
potentiële goden staan we dichter dan ooit bij de kern waaromheen
we onze ‘rokken van vellen’ hebben geformeerd. Langzaamaan,
door evolutie en zelfbewust onze richting te kiezen, ontdoen we ons
weer van die omhulsels en hernieuwen we de kennismaking met onszelf
– maar ditmaal zullen we kunnen herkennen wat we tevoren slechts
aanvoelden. Zoals Job triomfantelijk uitriep: ‘Slechts van horen
zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd’
(42:5). Job is niet uniek, ieder van ons kan zijn innerlijke god ontsluieren
– waarlijk mens worden is al wat nodig is. Ons goddelijk erfdeel
moet, net als de verloren zoon, naar onze Vader in ons terugkeren en
onszelf weer vinden.