Ons menselijk erfdeel
Nhilde Davidson

 

Er is een gezegde ‘dwalen is menselijk, vergeven goddelijk’; mens zijn betekent echter meer dan alleen fouten maken. We moeten weten wie en wat we zijn, begrijpen wat we bedoelen als we onszelf mens noemen en niet een plant, een dier of een steen. Om de sleutel tot ons mens-zijn te vinden, moeten we naar binnen zien, in onze eigen natuur – naar de structuur die aan de uiterlijke stoffelijke vormen ten grondslag ligt. We zijn denkende dieren, samengestelde met veel stemmen begiftigde wezens. Om deze vaak tegenstrijdige elementen van onszelf te onderscheiden, moeten we zinvolle keuzen kunnen maken en wel zo dat we daar uiteindelijk geen spijt van krijgen.

Zowel in alle levende als in de schijnbaar onbezielde dingen schuilt een mysterie; door dat op te lossen zou men van het lijden worden verlost en zou degene die deze kennis bezit het hoogste geluk ten deel vallen. Mens Ken Uzelf is de al eeuwenlang door wijzen gegeven raad – want in ons is het koninkrijk der hemelen. Wat is het dan dat we van onszelf moeten weten, dat ons innerlijke vrede kan schenken en ons in ons dagelijks leven tot richtsnoer kan dienen om in de wereld een kracht ten goede te worden?

Laten we eerst nagaan wat we zijn. Ieder bewust leven heeft een voertuig of lichaam nodig om te kunnen bestaan. Dat is het gebied waarmee we het meest vertrouwd zijn omdat we de stoffelijke vormen om ons heen kunnen zien, voelen en beïnvloeden. Om deze voertuigen te vormen en instand te houden is het lichaam omgeven door een modellichaam – dit is minder duidelijk maar wel logisch omdat de dingen hun vorm behouden ondanks de voortdurende bewegingen en het sterven van cellen. De vitaliteit of de levenskracht wekt de bewegingen op en maakt die mogelijk – maar is iets dat nog niet vaak wordt gezien als een unieke en afzonderlijke onderafdeling binnen de hele levensvorm. Hoe belangwekkend deze drie aspecten ook zijn, ze zijn niet meer dan de noodzakelijke funderingen voor het gebied waarop tijdens het leven de innerlijke groei zich voltrekt en ervaringen worden opgedaan. Al is een entiteit toegerust met de noodzakelijke lichamelijke werktuigen, ze is toch nog onvolledig; het werkelijk fascinerende deel bevindt zich daar waar de innerlijke groei en activiteit plaatsvinden!

Om levende entiteiten te begrijpen als wezens die uit meerdere delen bestaan, waarvan het aantal vaak wordt gesteld op zeven, zijn nog vier aspecten nodig om ze te completeren. Het eerste dat volgt is de begeerte, de kracht die ons aanzet tot handelen: op zichzelf kleurloos is zij de vonk waaruit handelingen worden geboren. Als de begeerte ontwaakt gaat het besluit haar al of niet te bevredigen aan de daad vooraf (zelfs schijnbaar niet-handelen is handelen, omdat dan voorlopig wordt gekozen voor de bestaande toestand). Dit brengt ons rechtstreeks naar het strijdperk waarin het handelen plaatsvindt, de keuzen worden gedaan en de conflicten worden opgelost .– namelijk het denkvermogen. Daarmee denken we, nemen we beslissingen en daarin hebben de opdrachten tot lichamelijke activiteit hun oorsprong, enz. Omdat kiezen betekent dat we meer dan één weg kunnen volgen, houdt dat in dat het denken op zijn minst in twee aspecten kan worden verdeeld – een hoger en een lager verstand – en nog een derde dat verband houdt met het feit dat er in het midden een beginsel is dat het voor en tegen van de situatie afweegt om tot een beslissing te komen. Het lagere denken is nauwer verbonden met het begeerte-beginsel, het hogere met het tot nu toe niet onderzochte, universele of goddelijke deel van onszelf, dat door christenen de geest wordt genoemd. Dit goddelijke aspect kan ook worden onderverdeeld in tweeën: buddhi of de schakel tussen het denken (manas) en atman of adem – dat deel dat alle entiteiten verbindt met de goddelijke bron van alle. Zeven delen van een prachtig geheel, namelijk:

atman – goddelijke ziel
buddhi – geestelijke ziel
manas – verstand, menselijke ziel
kama – hartstochten en begeerten
prana – levenskracht
lingasarira – astraal- of modellichaam
sthulasarira – stoffelijk lichaam

Als we nu vragen: ‘Wat betekent het waarlijk mens te zijn?’ wordt het duidelijk dat het antwoord kan worden gevonden in de keuzen die we als afzonderlijke mensen doen. De richting van ons denken bepaalt wat het uiteindelijke resultaat van een keuze zal zijn. Zodra we aan dat beeld het begrip reïncarnatie toevoegen – het denkbeeld dat alles, vanaf het kleinste subatomaire deeltje tot het grootste melkwegstelsel en nog verder een evoluerende entiteit is, die groeit en ervaringen opdoet via steeds nieuwe belichamingen, afgewisseld door perioden van rust – krijgen de draagwijdte en de gevolgen van onze daden een wijder perspectief. Het hopeloze gevoel te hebben gefaald verdwijnt; morgen is er weer een dag; en de vreugde die ontstaat door juist te handelen wordt een onuitputtelijke en warmere stimulerende kracht, omdat we de hartslag voelen van een dynamisch heelal waarvan wij een innerlijk deel uitmaken. Nog belangrijker is het dat tijd een bondgenoot wordt omdat we beseffen dat we allen pelgrims zijn, samen op weg door de oneindigheid.

Reïncarnatie op zich zou zinloos zijn als er geen middelen waren waardoor de harmonie weer kan worden hersteld na te zijn verstoord. Karma is een naam die is gegeven aan de wet van oorzaak en gevolg. Het is noch een wrekende engel, noch een toegeeflijke god; het is de onpersoonlijke wet die zorgt voor een geleidelijke groei en die ons helpt de waarheid in onszelf te vinden. Wij zijn onze eigen meesters die volledig verantwoordelijk zijn voor al onze daden, die altijd leren en veranderen – beweging of verandering is het enige dat blijvend is. Zoals een rivier haar eigen weg vindt naar de oceaan, zo vinden ook wij, door onze pogingen in vele levens, onze weg naar onze godheid; maar net als het water dat niet bergopwaarts stroomt, vinden wij ons pad binnen de universele wet van harmonie die we gaan begrijpen door de gevolgen te ondergaan van verkeerd handelen (zoals het stoten van een teen ons leert de boekenkast te mijden).

Als mens verkeren we in een bijzondere evolutionaire positie – door van de boom van kennis, van goed en kwaad te hebben gegeten, zijn we in staat na te denken over wie en wat we zijn en door zelfbewuste keuzen te doen. De betekenis daarvan staat duidelijk in de bijbel waarin God zegt: ‘Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven: . . . hij [God] stelde . . . een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken’ (Genesis 3:22-24), en zo werd de wordende mens beschermd tegen het opdoen van vroegtijdige kennis vóór hij het goddelijk niveau had bereikt. We hebben inderdaad een heel grote sprong gemaakt om vanuit de niet zelfbewuste toestand embryonale goden te worden. Als we eenmaal het ‘flikkerend zwaard’ kunnen passeren door te leren ‘de wegen van rechtvaardigheid’ te bewandelen, zullen we de boom des levens hebben gevonden en van zijn vruchten hebben gegeten – waardoor we onszelf ontdekken, begrijpen en kennen zoals we werkelijk zijn. Het ‘Mens ken uzelf’ houdt niet langer een mysterie in.

Welke richtlijnen kunnen we volgen om het zoeken naar de boom van het leven voort te zetten? Wat moeten we doen om waarlijk mens te worden en ons erfdeel in bezit te nemen? De weg is verrassend eenvoudig: uw naaste liefhebben als uzelf! Dat doen is niet gemakkelijk, ‘Want het begeren van het vlees gaat in tegen de Geest en dat van de Geest tegen het vlees – want deze staan tegenover elkander – zodat gij niet doet wat gij maar wenst’ (Galaten 5:17). Iets volbrengen vereist inspanning, oefening, ijver en toewijding en op de best mogelijke manier leven vraagt om training en leiding.

Er zijn sleutels die we kunnen gebruiken om de geboorte van de god in ons te bevorderen. Altruïsme is de eerste stap. Altruïstisch zijn betekent dat we hen die dwalen nooit onze innerlijke steun onthouden: wij allen zijn samen bezig te leren en in dit en toekomstige levens is er altijd sprake van veranderingen; wij zijn allen verbonden in het goddelijke en de wolken van onwetendheid zullen eens oplossen. Allereerst moeten we het kwaad in ons eigen handelen uitroeien. Het lijden leert ons ongetwijfeld wat de gevolgen zijn van daden en als we een ander hetzelfde aandoen maakt dat ons dubbel schuldig, want we kunnen niet langer onwetendheid voorwenden wat het gevolg van de daad betreft. Geduld, vriendelijkheid en medeleven zijn alle positieve eigenschappen van altruïsme.

Zonder onpersoonlijk te zijn kan altruïsme geen plaats hebben in ons leven. Zolang we het hartstochtelijke en egoïstische zelf toestaan onbeperkt te heersen over ons leven, kunnen we het welzijn van een ander niet boven het onze stellen. Reacties op gebeurtenissen zijn dan altijd emotioneel, in plaats dat ze voortkomen uit het onbewogen, maar niettemin liefdevolle en warme deel van onze hogere ziel. Om een daad ongeëmotioneerd te toetsen moeten we afstand nemen van het strijdtoneel om de oorzaak en consequenties van onze keuze te analyseren. Er steekt waarheid in het [Engelse] gezegde: ‘act in haste and repent at leisure’. (Handel snel, maar haast u niet met berouw). Hoe kunnen we verstandig kiezen als onze blik wordt verduisterd door emoties? Onpersoonlijk leren zijn, onze driften in toom houden, zijn deugden die gemoedsrust brengen en ons weerhouden van het doen van onbroederlijke daden.

Als we onpersoonlijk zijn, zijn we in staat zo goed mogelijk onze plicht te doen. Zien we niet langer uit naar de wisselvalligheden van roem en fortuin, of naar erkenning door anderen, dan kunnen we beginnen een zo goed mogelijk leven te leiden. Als we niet zien naar de vruchten van ons handelen, kunnen we ons verstand gebruiken als een machtig apparaat om onze daden te toetsen, niet naar de waarde van een materiele wereld, maar in het licht van een zich ontwikkelende god. Mettertijd zullen onze keuzen aanvaardbaar worden voor de innerlijke god en vriendelijker en meedogender voor onze medemensen. We kunnen geen twee heren dienen en als we ons erin oefenen in alle situaties de tijd te nemen om de aard van de keuzen die we op het punt staan te doen (of net gedaan hebben) te herkennen, zal dat ons helpen de stem van ons hoger zelf te ontwikkelen, zodat we die steeds duidelijker kunnen horen. Dat is het enige doel van onze daden – onze eigen plicht; we kunnen niet weten hoe het verleden was dat ons en anderen op het punt heeft gebracht waar we nu zijn. Liefde en medegevoel kunnen we in overvloed schenken, maar de plicht van anderen is voor hen even heilig als de onze is voor ons. Hun plicht doen betekent de onze verwaarlozen. De paradox is hier dat we altijd klaar moeten staan om een ander te helpen – dat is onze plicht – maar alleen wanneer het hulp is en geen ongevraagde inmenging.

Door onze plicht te doen nemen we verantwoordelijkheid op ons voor onszelf en ons leven. Dat is het gebied waarover we volledig zeggenschap hebben: hoe we reageren, waarmee we ons denken vullen, hoe we onze tijd besteden en de mensen om ons heen tegemoettreden, is helemaal onze zaak. Binnen het raam en het vermogen van ons denken zijn we volkomen vrij – niemand kan of mag het denken van een ander beheersen. Onder de woeligste omstandigheden kunnen we ons daarin terugtrekken en die onschendbare ruimte, dat heiligdom vinden, waar we in aanraking kunnen komen met onze onsterfelijke geest en herboren worden. Dit goddelijke deel, als heilige plaats in ieder levend wezen, is voor ieder toegankelijk naar de mate van zijn bewustzijn. Het licht van het goddelijke schijnt altijd en wordt alleen aan onze blik onttrokken door begeerten en onwetendheid: het schenkt ons licht op elk moment dat we een andere weg inslaan. Als potentiële goden staan we dichter dan ooit bij de kern waaromheen we onze ‘rokken van vellen’ hebben geformeerd. Langzaamaan, door evolutie en zelfbewust onze richting te kiezen, ontdoen we ons weer van die omhulsels en hernieuwen we de kennismaking met onszelf – maar ditmaal zullen we kunnen herkennen wat we tevoren slechts aanvoelden. Zoals Job triomfantelijk uitriep: ‘Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen, maar nu heeft mijn oog U aanschouwd’ (42:5). Job is niet uniek, ieder van ons kan zijn innerlijke god ontsluieren – waarlijk mens worden is al wat nodig is. Ons goddelijk erfdeel moet, net als de verloren zoon, naar onze Vader in ons terugkeren en onszelf weer vinden.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency