Handelen in niet handelen
A.E. Urquhart

 

Toen ik onlangs met de trein reisde zat er tegenover me een medepassagier, aan het ene einde van een bijna lege coupé. Hij droeg de duidelijke kenmerken van een typische zakenman: een paar kranten, een aktentas die hij nu en dan raadpleegde, maar tenslotte neerlegde en toen begon hij een gesprek met me. Zijn verhaal ging helemaal over hemzelf, zijn bekwaamheid en het daaruit voortvloeiende succes als vertegenwoordiger van een alom bekend bedrijf. Ik glimlachte nu en dan, knikte en mompelde aanmoedigend. Inwendig nam mijn persoonlijk zelf zich voor bij het eerstvolgende station naar een ander treingedeelte te vluchten. Daarna ontwaakte er iets anders in me, een gevoel van mededogen met deze man en de leegte van zijn ziel. Ik moest blijven en zien wat er zou gebeuren.

Na het volgende station te zijn gepasseerd, werd ik me plotseling bewust van een verandering in hem. Zijn woordenvloed eindigde abrupt. Hij leunde achterover op de bank en verborg het gezicht in zijn handen. ‘Ik heb het gevoel dat u dwars door me heenkijkt’, zei hij langzaam. ‘Ik heb net geprobeerd indruk op u te maken, zoals ik dat bij mijn klanten doe, bij mijn vrienden thuis en zelfs bij mijn vrouw, God sta me bij. Het begon ongeveer een jaar geleden – de dokter schreef me deze pillen voor maar het gaat slechter in plaats van beter.’

‘Kijk maar eens’, zei hij, greep in zijn binnenzak en haalde er een plat doosje uit – ‘kalmerende middelen’, voegde hij eraan toe. ‘Als ik op het punt sta een klant te bezoeken voel ik mijn hart bonzen, omdat ik onzeker van mezelf ben, dan slik ik een paar van deze tabletten om de vuurproef te doorstaan.’ Hij stopte even en vervolgde: ‘Ik weet niet waarom ik u dit allemaal vertel, maar het spijt me niet echt dat ik het heb gedaan. U bent een volslagen vreemde en we zullen elkaar waarschijnlijk nooit meer ontmoeten. Dit is me pas in de laatste paar jaar overkomen. Ik ben altijd zenuwachtig geweest en bang toe te geven dat ik oud word en mijn houvast kwijtraak.’

Nog steeds met zichzelf bezig. Wat zou zijn blik kunnen verruimen, dacht ik: ‘U zegt dat u uzelf wantrouwt. Is er iemand die u wel vertrouwt?’

Hij keek verrast op. ‘Dat is mijn vrouw natuurlijk. Zij is heel praktisch – maar denkt ook eerder aan mij dan aan zichzelf. Ze zou er waarschijnlijk op aandringen dat ik om te beginnen mijn baan opgeef – iets waar ik nog geen ogenblik aan heb gedacht.’ Hij keek opnieuw verrast en het duurde even voor hij weer begon te praten.

‘Weet u’, zei hij, en keek als iemand die uit een droom ontwaakt, ‘ik geloof echt dat ik eruit ben; en eigenlijk was het altijd al duidelijk. Ik hoef alleen maar de zaak uit te praten met onze directeur en hem te vragen mij een andere baan te geven op het hoofdkantoor, en ik ben er bijna zeker van dat hij dat doet. Hij is geen ongeschikte man en ik heb de zaak bijna dertig jaar goed gediend.’ Hij wreef zich tevreden in de handen en stak me een hand toe. ‘Bedankt dat u voor mij het antwoord hebt gevonden. Bent u toevallig soms een van die psychologen?’

‘Nee’, antwoordde ik, ‘ik ben alleen iemand die het heel interessant vindt naar een ander te luisteren.’

De trein verminderde vaart voor mijn station. We gaven elkaar een hand en namen afscheid.

 

Uit het tijdschrift Sunrise jan/feb 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency