Karma, een Sanskrietwoord dat letterlijk ‘handeling’ betekent,
wordt beschouwd als een wet van absolute universele rechtvaardigheid,
waarin gevolg is verbonden met oorzaak. In feite valt elke oorzakelijkheid
in het heelal eronder, maar de nadruk ligt op ethische oorzakelijkheid
of verantwoordelijkheid. Volgens de oosterse leringen is geen levend
wezen uitgezonderd van karma, zelfs een god niet, hoewel natuurlijk
het karma van een god op een ander niveau ligt dan dat van een mens,
die vaak door persoonlijke verlangens en zelfzuchtige motivaties wordt
geleid.
De Oglala Indianen uit Zuid-Dakota (VS) behoren tot het volk dat zichzelf
vóór de komst van de blanke kolonisten de Oceti Sakowin,
ofwel Zeven Vuurhaarden, noemde en tegenwoordig algemeen bekend- staat
onder de naam Sioux Indianen. Men kan heel wat wijsheid vinden onder
de oppervlakte van hun mythen. Als we hun visie op het ontstaan van
het heelal kort samenvatten, ligt de nadruk op het begrip Skan, een
goddelijk wezen dat van groot belang is in relatie tot hun ideeën
over ethische oorzakelijkheid. Skan betekent letterlijk ‘doen,
handelen, steeds in beweging zijn’: het handelend en bewegend
beginsel.
In het begin was er Inyan, de rots, die geen begin had, alomtegenwoordig
en almachtig was en zacht en vormloos. Zijn geest was Wakan Tanka, de
Grote Geest, of het Grote Onbegrijpelijke. Inyan nam een deel van zichzelf,
en dat werd Maka, de aarde, die in haar geest een deel bleef van hem.
Inyans bloed werd de rivieren, zijn vermogens werden de lucht –
niet de materiële lucht, maar de geest van Skan, de bron van alle
energie. Skan was in ontstaansvolgorde de derde van de goden, maar is
toch de hoogste, omdat Inyan en Maka materieel van aard zijn en de wereld
van de materie inert is tenzij Skan er energie aan heeft gegeven. Maka,
de aarde, eiste allerlei dingen voor zichzelf, zoals licht en schaduw,
warmte en versieringen. Skan hoorde haar klachten aan en sprak zijn
eerste besluit uit: ‘Maka moet blijven zoals ze is geschapen,
als een deel van de wereld met Inyan verbonden, maar ze zal wel zichzelf
kunnen zien en controle kunnen uitoefenen over het water.’ Aldus
nam Skan de plaats in van de uiteindelijke rechter over alle dingen.
Na nieuwe klachten van Maka schiep Skan Wi, de zon, en daarvoor gebruikte
hij delen van Inyan, van de aarde, van het water en van zichzelf. Toen
Maka tegen de zon klaagde dat hij te warm was en dat ze schaduw wilde,
antwoordde hij dat hij alleen de bevelen van Skan kon opvolgen. Op een
dag riep Skan alle goden bijeen en zei tegen hen: ‘Ik, Skan en
jullie, Inyan, Maka en Wi, zijn weliswaar vier wezens, maar in werkelijkheid
zijn we één – en die ene is Wakan Tanka –
de Grote Geest, die alle begrip te boven gaat. Ieder van ons is een
deel van de Grote Geest, die het Grote Onbegrijpelijke is. Ik, Skan,
ben de bron van alle vermogens en ik zal aan ieder van jullie je juiste
plaats toekennen.’ Hij gaf de zon de hoogste plaats in de rangorde
en zichzelf de tweede plaats. Later verklaarde de zon dat Skan de eerste
plaats in de hiërarchie behoorde in te nemen, als de bron van alle
krachten en wijsheid, en alle goden waren het daarmee eens.
Toen gaf Skan aan iedereen het vermogen om voor zichzelf een metgezel
te scheppen. Wi, de zon, schiep Hanwi, de maan; Maka, de aarde, schiep
een wezen van magische schoonheid, genaamd Unk, begeerte, met een deels
kwaadwillige natuur. Skan zelf schiep Tate, de wind, als metgezel en
toegewijd dienaar en boodschapper. Inyan, de rots, schiep Wakinyan,
de donderbui, die een ei legde waaruit Ksa, wijsheid, werd geboren.
Ksa had een vreemde vorm, maar iedereen mocht hem graag behalve Unk,
de begeerte. Ksa vond de taal uit en de verhaalkunst, en namen en spelen.
Toen schiep Skan zich een schone dochter, Woope, de geest van vriendschap
en mededogen. Uit de begeerte werd Iya, de kwade geest, geboren en hij
verwekte een kind bij zijn moeder, een charmante zoon, Gnaski, de demon.
Toen schiep Skan de voorouders van de mensheid, het volk Pte. Hij gaf
hen een geest en gaf zijn metgezel de wind opdracht in ieder individu
een levensadem in te blazen. Ksa, de wijsheid, schonk hen intelligentie,
de maan schonk hen genegenheid voor elkaar en Woope gaf hen het verlangen
naar liefde en nakomelingschap.
Deze eerste voorouders van de mensheid, Vader en Moeder, gehoorzaamden
de instructies van Ksa, wijsheid. De demon Gnaski zag dit alles gebeuren
en nam zich voor moeilijkheden te veroorzaken waar dat maar in zijn
vermogen lag. Maar Skan kende zijn kwade bedoelingen. Niettemin verhinderde
Skan de activiteiten van de demon niet, net zomin als hij dat gedaan
had bij de wensen en eisen van Maka en anderen (hoewel hij soms wel
wijst op de gevolgen die dat kan opleveren). Zo wordt Gnaski toegestaan
om bepaalde dingen te doen. Een paar voorbeelden: Gnaski spuugde op
bepaalde planten, waardoor ze doornen kregen of giftig werden, en hij
brengt zijn moeder ertoe ziekte- en pijnverwekkende microben in het
water te creëren en later zorgt hij voor het ontstaan van stekende
insekten, etc.
Dan volgt de verbanning van Unk, de begeerte, uit de kring van goden.
Skan zei tegen Unk: ‘Als je nog meer voor jezelf wilt, schep je
voor iedereen problemen. Laat Unhcegie – dat is een monsterlijk
reptiel dat ondergeschikt is aan Unk – voortaan adviseren door
Ksa, wijsheid, en hij zal het goed doen.’ ‘Mijn metgezel
zal niet geadviseerd worden door de zoon van mijn vijand’, zei
Unk. ‘Ik en mijn zonen moeten hard lachen om de idiote vorm van
Wijsheid.’ ‘Dan hoef je geen gunsten meer te verwachten
van de eerste goden en hun kring’, zei Skan. ‘Ik hoef geen
gunsten. Ik neem gewoon waar ik recht op heb’, zei Unk. ‘Dan
zullen anderen van jou afnemen wat ze maar willen’, zei Skan.
‘Ik zal me met al mijn kracht verdedigen’, schreeuwde Unk;
‘ik daag de goden uit!’ ‘Je scheidt jezelf van ons
af’, zei Skan; ‘verlaat onze kring en kom niet meer terug.’
Unk besluit om met de listigheid van de demon Gnaski de wijsheid te
slim af te zijn. ‘De enige die wij hebben te vrezen is Skan, want
hij is boven onze macht verheven.’ Maar Gnaski is niet bang van
Skan, want zoals hij zegt: ‘Skan heeft mij toegestaan als zoon
van Unk geboren te worden’. Gnaski slaagt er inderdaad in om Ksa
als pure wijsheid te verslaan door middel van het zaaien van verwarring.
Vermomd als Ksapela, ‘Kleine Wijsheid’, lijkt hij zoveel
op de echte wijsheid, dat de mensen de een niet van de ander kunnen
onderscheiden. De dingen die hij zegt zijn grappig en aantrekkelijk,
maar in werkelijkheid is het allemaal dwaasheid. Hij slaagt er tenslotte
in om Ksa volledig in zijn greep te krijgen en daardoor verandert Ksa,
overeenkomstig het oordeel van Skan, in een spin, de bedrieger Iktomi.
Een van de misleidende ideeën die door Gnaski onder de mensen wordt
verspreid is het begrip wraak. ‘Wat is dat, wraak’, vroegen
de mensen. ‘Ksa heeft ons daar niets over geleerd.’ ‘Het
is de rechtvaardigheid van het betalen voor aangedane schade of belediging’,
zei Gnaski in zijn vermomming als Kleine Wijsheid.
De vader en moeder van de mensheid sterven nu, waarmee de dood voor
het eerst optreedt en wordt geïnstitutionaliseerd. Een deel van
degene die sterft gaat in het vervolg naar waar het vandaan kwam, een
ander deel, de nagi, zal verschijnen voor de Grote Geest en vertellen
hoe de mens zichzelf gedurende het leven heeft gedragen; en Skan is
de rechter. De plaats van de vader en de moeder wordt nu ingenomen door
de Oude Man en de Oude Vrouw (Wakanka, die het vermogen had om in de
toekomst te kijken). Ze kregen een dochter genaamd Ite, wat gezicht
betekent. Tate, de metgezel en boodschapper van Skan, wenste onder de
mensen te gaan leven en Skan gaf hem zijn toestemming. Tate werd verliefd
op Ite. Maar ook Gnaski, de knappe demon, was in zijn vorm van Kleine
Wijsheid aanwezig en had een oogje op haar. Ite vroeg haar moeder om
in de toekomst te kijken en haar iets te zeggen over de charmante Kleine
Wijsheid. ‘Hij is meer dan een mens’, zei de Oude Vrouw.
‘Maar hij maakt de mensen alleen gelukkig vanuit zelfzuchtige
motieven.’ ‘Wie van de twee zal ik kiezen, Kleine Wijsheid
of Tate?’ vroeg Ite. ‘Een van beiden zal de plaats van eer
innemen in je tent, maar ik kan niet voorzien welke van de twee het
zal zijn. Probeer degene te kiezen die je het meest helpt.’ Na
langdurige strijd met de twijfel kiest ze Tate, maar verbreekt toch
niet helemaal haar connectie met Kleine Wijsheid.
Door op subtiele wijze ware wijsheid te verwarren met aantrekkelijke
wijsheid, ofwel dwaasheid, voedt hij het latente menselijke verlangen
naar meer macht en persoonlijke schoonheid in Ite, wat haar er tenslotte
toe brengt de zetel van de maan, de echtgenote van de zon, in te nemen.
Voor deze overtreding – het verlaten van haar eigen man en het
te schande maken van de maan – moet Skan zijn groot gerechtelijk
oordeel uitspreken. Ite, wat gezicht betekent, zal voortaan Anog-Ite,
ofwel Dubbelgezicht heten – het ene mooi, het andere zo lelijk
dat iedereen van haar weg zal vluchten wanneer ze het toont. Het zal
haar niet langer zijn toegestaan haar man te zien totdat de ‘vierde
tijd’ is aangebroken; haar man zelf echter mag haar zo vaak zien
als hij wenst, maar zal voor haar onzichtbaar blijven.
In deze mythe vertegenwoordigt Inyan, de vormloze, zachte rots, zonder
begin en alomtegenwoordig, de oerstaat waarin het heelal verkeerde:
ongedifferentieerde subtiele materie waaraan geest inherent is. In de
eerst stadia van kosmische manifestatie vindt er een scheiding plaats
tussen grove materie (aarde), water (later beheerst door Unk, begeerte)
en de lucht, of Skan, de spirituele, intelligente goddelijke energie,
bron van alle energievormen, vermogens en de oorzaak van alle beweging.
Als zodanig is Skan de eerste oorzaak in het gemanifesteerde heelal,
en als bron van alle energie en beweging is hij de oorzaak van alle
handeling. Hij is echter niet verantwoordelijk voor de handelingen die
worden verricht door de wezens die de wereld zullen bevolken en die
een vrije wil hebben om hun krachten en vermogens te gebruiken. Door
alle andere goden wordt hij erkend als de hoogste onder hen in het gemanifesteerde
heelal. Hij vertegenwoordigt het hoogste spirituele aspect dat in ieder
individueel mens aanwezig is en is de uiteindelijke rechter van alle
dingen, zowel kosmisch als individueel. Overeenkomstig zijn oordelen
ontrolt de bestemming van het heelal zich, terwijl zijn oordeel over
de individuele ziel na de dood haar voortgang op de individuele geestelijke
pelgrimstocht bepaalt. Met zijn goddelijke intelligentie en inzicht
kan hij ware ethiek in de diepste zin begrijpen, maar de ethiek zelf
is niet zijn schepping: de ethische wetten van noodzakelijkheid staan
buiten het bereik van zijn macht en zijn oordelen zijn gebaseerd op
die kennis.
Een opmerkelijke eigenschap van Skan, de goddelijke macht-intelligentie-rechtvaardigheid,
is dat hij nooit iets verbiedt. Al de eigenzinnige verzoeken van Maka,
de aarde, worden ingewilligd, evenals de wensen van andere wezens. Hij
grijpt niet in als Unk, de begeerte, willens en wetens ervoor kiest
zijn bevelen in de wind te slaan. Hij vertelt haar soms wel wat de gevolgen
zullen zijn, die strikt logisch zijn vanuit een moreel gezichtspunt
en geen enkel aspect van wraakzucht of minachting bevatten. Waarom staat
Skan toe dat individuele wezens schadelijke oorzaken leggen voor zichzelf
en voor de wereld als geheel, en dus voor zichzelf en de wereld oorzaak
zijn van lijden? Wat is het dat zelfs groter is dan Skan, boven zijn
macht en recht om tussenbeide te komen?
Een zinspeling kan wellicht gevonden worden in de hiërarchie van
de goden, waarin Wi, de zon, die geschapen is door Skan, door Skan zelf
op de hoogste plaats gesteld wordt. De zon is de heerser over alle cyclussen:
dag en nacht, de maand (via zijn zelfgeschapen metgezellin de maan)
en het jaar. Van een esoterisch gezichtspunt zijn de bewegingen van
de kosmische manifestatie – de schepping en de evolutie –
onderworpen aan de wet van de cyclussen, dat is de noodzakelijkheid
voor alle leven zich in vormen te manifesteren, ervaring op te doen,
te leren, zelfbewust te worden en de hogere manifestaties van bewustzijn
de gelegenheid te geven de lagere te helpen in hun weg omhoog. Binnen
de cyclussen echter die hun onfeilbare en onontkoombare koers lopen,
wordt alles bepaald door de wet van de oorzakelijkheid, waarvoor Skan
als rechter optreedt. Het is moeilijk te zeggen of de Oglala Indianen
dit allemaal bedoeld hebben toen ze dachten aan de zon en Skan en hun
plaats in de hiërarchie, maar niettemin heeft de mythe de kracht
om deze gedachten op te roepen.
Uit Skan komen Tate, zijn metgezel en boodschapper en Woope, zijn dochter
en latere boodschapster voort, die twee aspecten van de hogere natuur
van de mens vertegenwoordigen, respectievelijk het hoger zelf en mededogen.
Uit materie, de aarde, die één is met Skan in de Grote
Geest, ontspringen begeerte en het kwaad, die de mensheid en de individuele
mens wegleiden van het pad van de geest. Tate, geschapen uit Skan en
door Skan, wenst te incarneren temidden van de vroege mensheid, of,
wat we ook kunnen zeggen, in ieder individueel menselijk wezen. Maar
begeerte is ook een aspect van de mensheid. Het is de taak van de menselijke
ziel, vertegenwoordigd door Ite, of Gezicht, de dochter van de Oude
Man en de Oude Vrouw, die moet leren keuzen te maken en daarvan de consequenties
te ondergaan. Zij moet ‘degene die haar het meest helpt’
kiezen: het hoger zelf, stil en op de achtergrond, of de aantrekkelijke
maar dwaze Kleine Wijsheid, die een vermomming is van de demon die geboren
is uit Begeerte. Ze trouwt Tate, maar niet zonder haar oor nog eenmaal
aan de demon te lenen, met het gevolg dat ze bijna door hem wordt gekidnapt.
Ofschoon Gnaski deze keer verliest, geeft hij het niet op. Door zich
meer en meer met de ware wijsheid te vermengen, brengt hij de mensen
in verwarring en ondermijnt hij aldus op subtiele wijze hun onderscheidingsvermogen.
Niettemin is dit de uitdaging die de mens als zelfverantwoordelijk en
evoluerend wezen moet ondergaan. Zelfs hoewel misleid, is hij verantwoordelijk
en kan hij niet ontkomen aan het oordeel van Skan. Deze veroordelingen
duren echter niet eeuwig, zodat de consequenties van verkeerd handelen
voortduren tot ze zijn uitgewerkt, niet langer, niet korter.
Het is niet mogelijk aan de gevolgen van gelegde oorzaken te ontkomen.
Zelfs goede daden kunnen de fouten uit het verleden niet compenseren.
Dit wordt geïllustreerd in een gesprek tussen Tate en de Oude Vrouw,
Wakanka, die overeenkomstig Skans veroordeling tot de ‘vierde
tijd’ een heks zal moeten zijn, omdat ze haar profetische gave
op onverantwoordelijke wijze gebruikte. Wakanka zei tegen Tate: ‘Sinds
ik uit de wereld werd verbannen (overeenkomstig Skans veroordeling),
heb ik mijn vermogens alleen ten goede gebruikt om jongeren te helpen
en om het kwaad te bestraffen. . . Jij bent de metgezel van Skan, wiens
oordeel door niemand ontkend kan worden; ik smeek je hem te laten zien
dat ik vastbesloten ben om voor mijn fouten te betalen met goede daden.
. . ’
Tate antwoordt: ‘Doe goed vanwege het goede, en zonder enig zelfbelang,
en Skan zal het weten’. Maar de kwade oorzaken uit het verleden
kunnen niet teniet gedaan worden met Skans veroordeling. Het recht moet
volledig zijn loop hebben. Het geeft aan dat verkeerde daden niet afbetaald
of gecompenseerd kunnen worden met goede daden. Natuurlijk heeft iedere
handeling, goed of slecht, een scala van gevolgen en is het resultaat
van een handeling alleen beëindigd als ze hun volledige uitwerking
hebben gehad. Op een keer geeft Tate daar uitdrukking aan tegen een
van zijn zonen van Ite, als hij zegt dat hij ‘de fouten uit het
verleden vergeeft, want zij hebben hun bestraffing teweeggebracht en
dat is voor altijd zo’.
De enige manier is ermee op te houden te denken en handelen voor het
eigen voordeel, zelfs zonder de subtiele bijgedachte om onder de veroordeling
van Skan uit te komen. Dit is ook precies de betekenis van het begrip
karma in de Bhagavad-Gita: handeling, zowel goed als kwaad, bindt de
mens aan de rondgang door de cyclus van illusionair bestaan. De weg
die leidt tot bevrijding uit die cyclus is te handelen zonder gehechtheid
aan het resultaat, vrij van elk persoonlijk verlangen, want het is het
gebied van de begeerte waar gehechtheid ontstaat alsmede de eerste gedachte
die aanleiding geeft tot een keten van oorzaken en gevolgen.
Bij de Oglala Indianen is oorzakelijkheid een universeel beginsel,
een wet van noodzakelijkheid, die door zelfs het hoogste goddelijke
wezen gerespecteerd dient te worden. Omdat elk vermogen tot handelen,
bewegen en veranderen van hem afkomstig is, vinden alle oorzaken hun
oorsprong in dit hoogste goddelijke wezen, een gemanifesteerd aspect
van de Grote Geest of het Grote Onkenbare op alle kosmische niveaus.
Alle oorzaken vinden dus hun oorsprong in bewustzijn en ‘blinde’
oorzakelijkheid heeft hierin geen plaats. Ieder wezen heeft een zekere
vrije wil gekregen en draagt dus verantwoordelijkheid, met als noodzakelijk
gevolg het bestaan van onvolmaaktheid, wat weer aanleiding geeft tot
verwarring en verbastering. Het woord ‘handeling’ is de
letterlijke betekenis van de term ‘karma’ zowel als van
de naam Skan.
Oorzakelijkheid is ook één met universele rechtvaardigheid,
verpersoonlijkt in een goddelijke rechter die daar inzicht in heeft.
Daar alle energie en kracht afkomstig is van het goddelijke wezen die
ook de rechter is die toeziet op het juiste gebruik ervan, en omdat
het goddelijke de essentie is van ieder wezen en er niets kan gebeuren
buiten de universele en natuurlijke morele wetten om, kan geen enkele
handeling ooit plaatsvinden zonder dat het goddelijke wezen daarin betrokken
is. Oorzaken brengen noodzakelijkerwijs de daarmee verbonden gevolgen
teweeg en kunnen niet worden geneutraliseerd. De resultaten zijn de
verantwoordelijkheid van de dader, in overeenstemming met de logica
van universele rechtvaardigheid. Alle wezens erkennen de absoluutheid
van de goddelijke rechtvaardigheid, die duidelijk afsteekt tegen de
‘menselijke rechtvaardigheid’ van wraak die leidt tot tweedracht
en verdere verwijdering van spiritueel inzicht.
Het goddelijke is betrokken in elk aspect van de kosmische evolutie,
maar tegelijkertijd is het niet juist om te zeggen dat het ‘afdaalt’
om in de wereld te leven. Het goddelijke zendt zijn vertegenwoordigers,
die uit hemzelf zijn voortgekomen, om in de mens te leven als diens
hogere ziel en als mededogen. Aldus is het goddelijke wezen dat handelt
en tevens rechter is zowel gescheiden van als betrokken in de voortgebrachte
kosmische manifestatie. Hij is eveneens de rechter na de dood van iedere
individuele mens, die de menselijke ziel aan een interview onderwerpt
en beslist of deze waardig is om verder te gaan op zijn spirituele reis.
Blijkbaar is er een moment na de dood waarop men van aangezicht tot
aangezicht komt te staan met het hoogste in zichzelf en wordt ‘beoordeeld’
naar de daden en gedachten van het afgelopen leven. Daar dit in iedere
stervende man of vrouw plaatsvindt, zijn er tenminste evenveel Skans
als er afzonderlijke menselijke individuen zijn. Toch is er maar één
Skan als kosmisch beginsel.
In het denken van de Indianen staan de fundamentele eenheid van de
essentie van alle levende wezens en de onderlinge verbondenheid centraal
in hun visie op het universum. Daarom heeft elke oorzaak die gelegd
wordt een gevolg voor het betreffende individu zowel als voor het geheel
en gebeurtenissen staan nooit op zichzelf. Te leven en handelen in harmonie
met de Grote Geest is de basis van alle ethiek. Het beschermt tegen
schade aan anderen en zichzelf, hetgeen op de duur zal leiden tot terugkeer
naar de Grote Geest, waaruit we allen zijn voortgekomen, en het leidt
tot eenheid in plaats van eenzaamheid en afgescheidenheid.
Omdat alle oorzakelijke handelingen in gang worden gezet door bewuste
wezens aan wie bepaalde vermogens gegeven zijn, is er altijd sprake
van morele goedheid of slechtheid. Geen enkele gebeurtenis is zonder
morele waarde. Maar het denkpatroon van de Oglala's is geen dualistisch
ethisch systeem, zoals God en Duivel bij de christenen. De wortel van
het kwaad is Unk, begeerte, die voortkwam uit Maka, aarde, die op haar
beurt voortkwam uit Inyan, dat is de oorspronkelijke geest-materie,
uit wie ook Skan voortkwam. De vier oorspronkelijke goden, Skan, Inyan,
Maka en Wi, de zon, zijn in werkelijkheid één, zij zijn
de Grote Geest.
Literatuur
- Dooling, D.M. (red.):The Sons of the Wind: the
Sacred Stories of the Lakota. Parabola Books, New York, 1987;
136 blz.
- Powers, William K.: Oglala Religion. University
of Nebraska Press, Lincoln/London, 1977; 233 blz.