Bewerking van een lezing gehouden tijdens de Algemene
Bijeenkomst van het Theosofisch Genootschap (Pasadena) in Apeldoorn,
Nederland, op 29 september 1990.
Theosofie is die oceaan van kennis van de evolutie
van bewuste wezens, die zich van kust tot kust uitstrekt. Onpeilbaar
in zijn diepste diepten, geeft hij de grootste denkers alle ruimte
en is toch langs zijn kusten ondiep genoeg om het begrip van een kind
niet te boven te gaan. – W.Q. Judge
Voor ik deze regels ooit zelf las, had ik ze al vele malen horen aanhalen,
waarbij ik mezelf altijd zag als een van de pootjebadende kinderen.
Ik zou de vergelijking verder willen doortrekken; er komt een tijd dat
het kind het verlangen voelt dieper de zee in te gaan, gelokt door het
avontuur of omdat het zijn bal kwijtraakt die afdrijft of eenvoudig
omdat het iets moois ziet in de zee. Sommigen gaan direct alleen, anderen
de eerste keer liever aan de hand; de één gaat al snel,
de ander heeft wat meer tijd nodig.
De prikkel om me zelfstandig meer te verdiepen in de studie kwam voor
mij door een opmerking van iemand waarin verontwaardiging klonk –
hoe kunnen ze nu zeggen ‘alles in deze wereld is maya’ als
je de vogels hoort zingen, de bloemen ruikt, een sappige vrucht proeft,
als iemand je aanraakt! Dat is toch allemaal heel reëel voor ons.
Omdat er geen equivalent voor het woord maya bestaat, zou een van de
manieren om het te definiëren kunnen zijn dat de wereld in wezen
niet is zoals we denken dat ze is. Wij ervaren de materiële
wereld als reëel omdat onze zintuigen zijn afgestemd op stoffelijke
zaken zodat we hier kunnen functioneren gedurende dit stadium van evolutie
waarin we leren door vallen en opstaan. Wij scheppen onze eigen wereld
door de signalen die onze zintuigen naar onze hersenen zenden te vertalen
overeenkomstig de denkbeelden die we al eerder hebben gevormd. Wij passen
ons denkbeeld alleen aan als een onaangename ervaring ons ertoe dwingt.
Daarom is deze wereld die wijzelf hebben geschapen uiteindelijk illusoir,
denkbeeldig. Een wereld die aanvoelt als reëel en illusoir, is
een paradox. Zo’n filosofisch raadseltje prikkelt onze stramme,
luie en aan gewoonte gewende hersenen en is een van de methoden om ons
op een andere manier te leren denken. H.P. Blavatsky moedigt haar studenten
aan open te blijven staan voor zulke nieuwe inzichten.
Maar waarom zouden we eigenlijk over maya spreken als de wereld ons
zo reëel toeschijnt? De oorsprong van illusie ligt in het feit
dat we geloven dat we afgescheiden zijn, want in wezen zijn we dat niet.
Er is een fundamentele eenheid van alle bestaan. In Een Introductie
tot de Geheime Leer geeft Robert Bowen vier grondgedachten die
H.P. Blavatsky studenten aanraadde in het denken vast te houden en deze
eenheid is de eerste. In eerste instantie is eenheid absoluut en ondeelbaar,
de enige realiteit in iedere bestaansvorm. Het geopenbaarde bestaan
kent aan de andere kant, twee aspecten: geest of bewustzijn en stof
of substantie, het subject van bewustzijn. Haar tweede punt was dat
er geen dode stof bestaat: ieder stoffelijk atoom is in wezen absoluut
Zijn, en daarom levend; alle punten in de onmetelijke ruimte hebben
de potentie van het Al. Ten derde is de mens een microkosmos en bevat
in zich alle hiërarchieën van de macrokosmos, zodat wij allen
dus de mogelijkheden van het Al in ons hebben. Ten vierde, de gedachte
van de analogie, uitgedrukt in het hermetische axioma: zo boven, zo
beneden – zo innerlijk, zo uiterlijk; zo het grote is, zo is het
kleine. Er is slechts één leven, één zijn.
. . niets is groot of klein, innerlijk of uiterlijk, hoog of laag in
de goddelijke economie. Deze onderscheidingen zijn alleen reëel
voor een beperkt bewustzijn.
Hier was de oplossing voor mijn probleem: maya ontstaat uit onwetendheid.
Als we ons beperkte bewustzijn konden verheffen tot het Al, dan bestond
er geen maya omdat we dan alwetend zouden zijn. Alles zou dan bewust
innerlijk verwerkelijkt zijn en we zouden weloverwogen onze veranderende
tijdelijke verschijningsvormen uit onszelf laten ontstaan. Kennis verandert
ons denkbeeld van de wereld, en wordt bevestigd door de overeenstemming
tussen onze ervaringen en onze denkbeelden. Al passen we ons denkbeeld
van de wereld aan als opmerkelijke gebeurtenissen ons ertoe dwingen
fouten in te zien, we zouden onszelf een heleboel ellende kunnen besparen
door vrijwillig onwetendheid te overwinnen.
De scheikunde biedt een ander aspect van maya. Toen de wetenschap er
meer van begon te begrijpen, bleek het atoom veel weg te hebben van
een heelal in het klein. Als de afstotende werking tussen de elektronen
werd opgeheven, zodat de ‘lege’ ruimte tussen de kern en
de elektronen wegviel, zou een kamer vol mensen in een lucifersdoosje
passen. In het groot gedacht zou het zijn alsof de zon en alle planeten
hun banen verlieten en tegen elkaar konden liggen: alleen de onmetelijke
‘lege’ ruimte van het zonnestelsel zou overblijven. Zo is
het ook met mij: als mijn elektronen en kernen tegen elkaar zouden gaan
liggen, zou ik voor uw ogen ineenschrompelen tot een speldenknop.
Terwijl wij er op aarde een jaar over doen om rond de zon te reizen,
doet een elektron er een fractie van een seconde over in ons
tijdsbegrip om rond de kern te cirkelen. Maar voor een wezen op het
elektron, reizend rond de kern, zou de tijd die nodig is om rond onze
zon te cirkelen een onvoorstelbare eeuwigheid duren. Evenzo is onze
omwenteling om de zon misschien een fractie van een seconde voor dat
grote wezen waarvan het lichaam is opgebouwd uit heelallen. Tijdsduur
is dus relatief en ontstaat wanneer het Al zich manifesteert in veranderende
vormen. In het absolute Zijn bestaat slechts het nu.
Wat maakt het uit te weten dat we aan materie niet meer ruimte innemen
dan een speldenknop? Het zou bijvoorbeeld een gevoel van relativiteit
in deze materiële wereld kunnen geven. En het feit dat we ondanks
die speldenknop-substantie heel volledig aanwezig zijn, sterkt de overtuiging
dat ons meest belangrijke aspect bewustzijn is en dat ons sterfelijke
zelf daarvan een uitvloeisel is. Dat op zijn beurt benadrukt de mogelijkheid
om bewust een betere wereld te bouwen door de fundamentele eenheid van
bestaan voor ogen te houden, want als we die uit het oog verliezen dan
doet de afgescheidenheid al onze pogingen teniet. Het doordrongen zijn
van de eenheid van alle bestaan betekent praktisch gezien dat we onszelf
in een ander verplaatsen. Wat we een ander aandoen, doen we ook onszelf
aan!
De wereld die we scheppen met onze denkbeelden is in wezen mayavisch
omdat we nog geen allesomvattende kennis hebben verkregen. We herkennen
intuïtief het wezen of de werkelijke aard van de schoonheid in
de natuur, het spirituele in kunst en muziek en de liefde van onze medemensen
omdat diep in ons nog de kosmische blauwdruk aanwezig is, die op ons
afgedrukt werd vóór we onze eigen denkbeelden schiepen.
Als we onze kennis verdiepen door studie en door te proberen een meer
intuïtieve manier van denken te benaderen, waarbij we deze kennis
met zoveel mogelijk anderen delen, dan zullen in de loop van de tijd
de denkbeelden van de wereld veranderen en zullen we allen met elkaar
een wereld scheppen waarin minder pijn en verdriet nodig zijn om ons
vollediger bewust te maken.