De zorgzame monnik
Lillian Burke

 

Een sprookje, gebaseerd op een ware gebeurtenis.


 

Er was eens, langgeleden, een jonge monnik aan wie werd gevraagd zijn klooster in de stad te verlaten en in een klein dorp te gaan wonen. Hem werd gezegd te doen wat hij het allernoodzakelijkst vond om de mensen te helpen. Verheugd over het in hem gestelde vertrouwen, zocht hij de weinige dingen die hij nodig had bijeen en maakte zich klaar voor de reis.

Tijdens de lange reis naar het dorp dacht de monnik ernstig na over zijn taak en kwam tenslotte tot de conclusie dat hij de mensen zou kunnen helpen door enkele dingen op te schrijven die ze konden lezen en die hen zouden kunnen helpen bij hun geestelijke groei. Hij zou de tekst met de hand moeten kopiëren, maar omdat hij een geduldig, kalm en kunstzinnig mens was, verheugde hij zich over die taak.

Laat in de avond arriveerde de monnik in zijn nieuwe woonplaats en omdat hij zo in beslag werd genomen door zijn blijde gedachten had hij niets van het dorp gezien. Door een oude vrouw, die blind was, werd hij zijn nieuwe woonplaats binnengeleid. Sinds haar jonge jaren had ze vele anderen gediend en ze kende de omgeving op haar duimpje. Ondanks haar leeftijd was ze mooi en het leek wel of diep in haar niet-ziende ogen het licht van wijsheid scheen. Ze bracht de monnik naar zijn warme met kaarsen verlichte kamer, vertelde hem wanneer ze zijn ochtendmaal zou brengen en wenste hem een nacht vol zoete dromen toe. En zo viel de gelukkige maar vermoeide monnik, terugdenkend aan de gebeurtenissen van de dag, gauw in slaap.

De zomerzon scheen de volgende morgen al vroeg en de monnik was al bij het eerste schijnsel wakker geworden, zo verlangend was hij zijn werk te beginnen. Hij wilde de dorpsbewoners voorlichten over liefde, mededogen en de betekenis van broederschap. O, wat was hij van die gedachten vervuld – tot in het diepst van zijn wezen. Hij geloofde dat als zij konden voelen zoals hij, hun leven net zo volledig zou zijn als het zijne. Deze boodschap zou de mensen helpen met elkaar in vrede en harmonie te leven.

De oude blinde vrouw bracht hem die ochtend, en verder iedere ochtend, zijn ontbijt. Soms ruimde ze de kamer op of deed ze andere nuttige karweitjes. Al werden er tussen hen weinig woorden gewisseld, een wederzijds gevoel van zorgzaamheid vulde de kleine kamer. En zo ging het door: de dagen gingen voorbij en de nachten kwamen; de weken werden maanden. Toen buiten de groene bladeren aan de bomen begonnen te kleuren, ging het warme zomerlicht, dat door het raam van de monnik had geschenen, langzaam over in een zachter, koeler schijnsel. De monnik zag daar niets van, zo druk was hij met zijn werk bezig. Nu en dan ging hij 's avonds laat naar buiten en voelde de eenheid met de sterren boven hem. Het verkwikte hem, het gaf hem kracht en een verheven gevoel, zodat hij de volgende morgen weer van geestdrift was vervuld voor zijn taak. Tenslotte brak de koude sombere winter aan en was zijn werk klaar. Het was prachtig! Op bladzij na bladzij stonden gloedvolle beschrijvingen van de natuur, er waren passages over het wonder dat de mens is en gevoelige weergaven van smartelijke ervaringen, veroorzaakt door hebzucht en zelfzucht. Met gevoel voor humor en op zachtmoedige wijze wees de monnik erop dat liefde en mededogen in praktijk moesten worden gebracht om de menselijke problemen te kunnen verlichten. Zijn voorbeelden waren vol gratie.

Maar nu was het zover: hij zou zich onder de mensen begeven, hen groeten zonder zich met hun leven te bemoeien en hun zijn boodschap brengen. Hij ging naar buiten op een koude, stormachtige dag, zijn papieren stevig omklemmend zodat ze niet konden wegwaaien. Het had de vorige avond gesneeuwd en de uitgesleten wegen waren modderig en met smeltende sneeuw bedekt. Hij zag de bouwvallige huizen, die nodig hersteld moesten worden. Het was bitter koud, maar omdat er geen rook uit de schoorstenen kwam, nam hij aan dat de mensen naar hun werk waren, maar waar werkten ze? Hij besloot verder te lopen om hun werkplaatsen te vinden. Langzamerhand kwamen er mensen tevoorschijn. Het was duidelijk dat ze arm waren; ze droegen wat brandhout en kleine zakjes graan en drongen dicht opeen. Een paar oude mensen kwamen in zijn richting, hand in hand, verdiept in hun gesprek en zonder zijn vriendelijke, uitnodigende glimlach op te merken. Toen kwamen enkele jongeren naar hem toe. Daardoor aangemoedigd keek hij hen in het gezicht, zocht hun ogen om contact te maken. Ze zagen hem niet!

Plotseling besefte hij dat al deze mensen blind waren! Het begon hem te duizelen, tegenstrijdige beelden drongen zich aan hem op: arme blinde mensen die warmte en andere echte hulp nodig hadden – zijn eigen warme gezellige kamer; mensen die kennelijk honger hadden – zijn eigen eenvoudige, maar voldoende maaltijden. Hij was gekomen om hen te helpen in harmonie te leven – zij wandelden samen, zorgzaam elkaar vasthoudend met een glimlach op het gezicht. En dan was er dat licht, dat hij altijd in de niet-ziende ogen van de oude vrouw zag. Waar was hij al deze jaren mee bezig geweest? Het grootste deel van zijn leven had hij een beschermd bestaan gehad, had geen honger en armoede gezien. Plotseling drong het tot hem door dat hij de blinde was en dat, al behoorde de prachtige boodschap die hij in zich droeg tot zijn eigen erfdeel, de herinnering daaraan in zijn tegenwoordige kluizenaarsbestaan niet volledig was ontwikkeld. Een plotselinge windvlaag bracht hem tot de werkelijkheid terug. Hij zag dat iemand op hem afkwam. Opnieuw een windvlaag en toen hij de armen uitstrekte om een struikelend kind op te vangen, liet hij al zijn papieren los, die wegvlogen en zich, ronddwarrelend, over de grond verspreidden.

 
Kunst, muziek, (kinder)verhalen en literatuur
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/apr 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency