Een sprookje, gebaseerd op een ware gebeurtenis.
Er was eens, langgeleden, een jonge monnik aan wie werd gevraagd zijn
klooster in de stad te verlaten en in een klein dorp te gaan wonen.
Hem werd gezegd te doen wat hij het allernoodzakelijkst vond om de mensen
te helpen. Verheugd over het in hem gestelde vertrouwen, zocht hij de
weinige dingen die hij nodig had bijeen en maakte zich klaar voor de
reis.
Tijdens de lange reis naar het dorp dacht de monnik ernstig na over
zijn taak en kwam tenslotte tot de conclusie dat hij de mensen zou kunnen
helpen door enkele dingen op te schrijven die ze konden lezen en die
hen zouden kunnen helpen bij hun geestelijke groei. Hij zou de tekst
met de hand moeten kopiëren, maar omdat hij een geduldig, kalm
en kunstzinnig mens was, verheugde hij zich over die taak.
Laat in de avond arriveerde de monnik in zijn nieuwe woonplaats en
omdat hij zo in beslag werd genomen door zijn blijde gedachten had hij
niets van het dorp gezien. Door een oude vrouw, die blind was, werd
hij zijn nieuwe woonplaats binnengeleid. Sinds haar jonge jaren had
ze vele anderen gediend en ze kende de omgeving op haar duimpje. Ondanks
haar leeftijd was ze mooi en het leek wel of diep in haar niet-ziende
ogen het licht van wijsheid scheen. Ze bracht de monnik naar zijn warme
met kaarsen verlichte kamer, vertelde hem wanneer ze zijn ochtendmaal
zou brengen en wenste hem een nacht vol zoete dromen toe. En zo viel
de gelukkige maar vermoeide monnik, terugdenkend aan de gebeurtenissen
van de dag, gauw in slaap.
De zomerzon scheen de volgende morgen al vroeg en de monnik was al
bij het eerste schijnsel wakker geworden, zo verlangend was hij zijn
werk te beginnen. Hij wilde de dorpsbewoners voorlichten over liefde,
mededogen en de betekenis van broederschap. O, wat was hij van die gedachten
vervuld – tot in het diepst van zijn wezen. Hij geloofde dat als
zij konden voelen zoals hij, hun leven net zo volledig zou
zijn als het zijne. Deze boodschap zou de mensen helpen met elkaar in
vrede en harmonie te leven.
De oude blinde vrouw bracht hem die ochtend, en verder iedere ochtend,
zijn ontbijt. Soms ruimde ze de kamer op of deed ze andere nuttige karweitjes.
Al werden er tussen hen weinig woorden gewisseld, een wederzijds gevoel
van zorgzaamheid vulde de kleine kamer. En zo ging het door: de dagen
gingen voorbij en de nachten kwamen; de weken werden maanden. Toen buiten
de groene bladeren aan de bomen begonnen te kleuren, ging het warme
zomerlicht, dat door het raam van de monnik had geschenen, langzaam
over in een zachter, koeler schijnsel. De monnik zag daar niets van,
zo druk was hij met zijn werk bezig. Nu en dan ging hij 's avonds laat
naar buiten en voelde de eenheid met de sterren boven hem. Het verkwikte
hem, het gaf hem kracht en een verheven gevoel, zodat hij de volgende
morgen weer van geestdrift was vervuld voor zijn taak. Tenslotte brak
de koude sombere winter aan en was zijn werk klaar. Het was prachtig!
Op bladzij na bladzij stonden gloedvolle beschrijvingen van de natuur,
er waren passages over het wonder dat de mens is en gevoelige weergaven
van smartelijke ervaringen, veroorzaakt door hebzucht en zelfzucht.
Met gevoel voor humor en op zachtmoedige wijze wees de monnik erop dat
liefde en mededogen in praktijk moesten worden gebracht om de menselijke
problemen te kunnen verlichten. Zijn voorbeelden waren vol gratie.
Maar nu was het zover: hij zou zich onder de mensen begeven, hen groeten
zonder zich met hun leven te bemoeien en hun zijn boodschap brengen.
Hij ging naar buiten op een koude, stormachtige dag, zijn papieren stevig
omklemmend zodat ze niet konden wegwaaien. Het had de vorige avond gesneeuwd
en de uitgesleten wegen waren modderig en met smeltende sneeuw bedekt.
Hij zag de bouwvallige huizen, die nodig hersteld moesten worden. Het
was bitter koud, maar omdat er geen rook uit de schoorstenen kwam, nam
hij aan dat de mensen naar hun werk waren, maar waar werkten ze? Hij
besloot verder te lopen om hun werkplaatsen te vinden. Langzamerhand
kwamen er mensen tevoorschijn. Het was duidelijk dat ze arm waren; ze
droegen wat brandhout en kleine zakjes graan en drongen dicht opeen.
Een paar oude mensen kwamen in zijn richting, hand in hand, verdiept
in hun gesprek en zonder zijn vriendelijke, uitnodigende glimlach op
te merken. Toen kwamen enkele jongeren naar hem toe. Daardoor aangemoedigd
keek hij hen in het gezicht, zocht hun ogen om contact te maken. Ze
zagen hem niet!
Plotseling besefte hij dat al deze mensen blind waren! Het begon hem
te duizelen, tegenstrijdige beelden drongen zich aan hem op: arme blinde
mensen die warmte en andere echte hulp nodig hadden – zijn eigen
warme gezellige kamer; mensen die kennelijk honger hadden – zijn
eigen eenvoudige, maar voldoende maaltijden. Hij was gekomen om hen
te helpen in harmonie te leven – zij wandelden samen, zorgzaam
elkaar vasthoudend met een glimlach op het gezicht. En dan was er dat
licht, dat hij altijd in de niet-ziende ogen van de oude vrouw zag.
Waar was hij al deze jaren mee bezig geweest? Het grootste deel van
zijn leven had hij een beschermd bestaan gehad, had geen honger en armoede
gezien. Plotseling drong het tot hem door dat hij de blinde was en dat,
al behoorde de prachtige boodschap die hij in zich droeg tot zijn eigen
erfdeel, de herinnering daaraan in zijn tegenwoordige kluizenaarsbestaan
niet volledig was ontwikkeld. Een plotselinge windvlaag bracht hem tot
de werkelijkheid terug. Hij zag dat iemand op hem afkwam. Opnieuw een
windvlaag en toen hij de armen uitstrekte om een struikelend kind op
te vangen, liet hij al zijn papieren los, die wegvlogen en zich, ronddwarrelend,
over de grond verspreidden.