Muziek en de oude Grieken
Thelma J. Holmes

 

Muziek is een van de hoekstenen voor een ware opvoeding. De wereld beseft nog niet de waarde ervan als een factor tot veredeling en zuivering van het karakter, vooral in de eerste en de meer ontvankelijke levensjaren.      – Katherine Tingley, Theosofie: Het Pad van de Mysticus

Muziek, zoals de oude Grieken het woord gebruikten, was de essentie van hun opvoeding; daarom was muziek van groot belang in alle aspecten van het leven, de inrichting van de Staat inbegrepen. ‘Het invoeren van een nieuwe soort muziek moet worden vermeden, omdat het de hele Staat in gevaar brengt; aangezien muziekstijlen nooit veranderd kunnen worden zonder de belangrijkste politieke instellingen te beïnvloeden’, schreef Plato in Boek 4 van De Staat1 (§424c), terwijl hij in Boek 3 (§401e) zijn gedachten formuleerde over de soort dichtkunst die in zijn ideaalstaat kon worden toegestaan:

Het is dus, Glaucon, om die reden dat we een muzikale opvoeding van het hoogste belang achten, omdat ritme en harmonie het diepst doordringen in de schuilhoeken van de ziel en haar het meest aangrijpen; ze brengen waardigheid met zich en maken een mens fatsoenlijk, als hij goed is opgevoed, zo niet, het omgekeerde?2

Op dezelfde manier omschrijft hij in de Wetten het karakter van melodieën en dansen omdat ze volgens hem de belangrijkste factoren waren voor het vaststellen en instandhouden van de Griekse manier van leven.

In deze moderne tijd vindt men het heel moeilijk de gedachte te accepteren dat de ethica verband zou houden met muziek en dans en dat deze zo belangrijk zouden zijn voor het leven en zo’n enorme invloed zouden hebben op de inrichting van de Staat. Maar deze intense levenswijze lag de oude Grieken zeer na aan het hart. Muziek was voor hen ‘de vrije uiting van een schone en harmonische ziel’.3 Ze geloofden vast dat muziek de ziel op verscheidene manieren beïnvloedde omdat verschillende soorten muziek verschillende ethische eigenschappen bezaten. Hun instrumenten waren natuurlijk veel eenvoudiger dan de moderne, maar de Grieken waren beter in staat een ‘zuiverder en nauwkeuriger analyse te maken van haar relatie met gevoelstoestanden’,4 en konden enthousiasme, melancholie, enz., aanmoedigen waardoor ze het vermogen hadden het karakter te vormen.

Verder was ‘Wat zij ‘muziek’ noemden . . . een innige verbondenheid van melodie, poëzie en dans, waardoor de speciale gevoelswaarde van het toegepaste ritme en de melodie door de gebruikte woorden en gebaren volkomen helder tot uitdrukking kwam.’5 In Plato’s tijd was scheiding tussen melodie en gedicht een teken van gebrek aan artistieke smaak; hij meende dat het scheiden van deze twee het voor de mensen moeilijk zou maken precies te begrijpen welke stemming door melodie en ritme werd vertegenwoordigd. ‘De dans maar ook de melodie kregen daardoor een bepaalde ethische betekenis; ‘het is een nabootsing’, zegt Aristoteles, ‘van karakter, gevoel en handeling’.’6

Plutarchus spreekt over de muziek die in Sparta werd gespeeld. Het was een openbare en door de staat geregelde activiteit en zo ingericht dat de militaire moed werd aangewakkerd. ‘Als we de moeite willen nemen hun composities nader te bekijken en de melodieën op de fluit waarop ze marcheerden als ze ten strijde trokken, zullen we inderdaad zien dat Terpander [die de kithara, een soort lier, bespeelde] en Pindarus reden hadden om te zeggen dat muziek en moed aan elkaar verwant zijn.’7

Er is nog bewijsmateriaal voorhanden dat muziek in het leven van de oude Grieken een belangrijke plaats innam. In Eleusis hebben archeologen de bron gevonden waar ‘Demeter door de jonge maagden van Eleusis werd verwelkomd en waar ze voor de eerste keer in koor zongen ter ere van de Godin.’8 Nog een voorbeeld van het Griekse muziekleven is de Oogst-Vaas, die in Ayia Triadha is gevonden en waarop ‘een luidruchtige groep boeren al zingende van de olijvenoogst huiswaarts keren.’9 Muziek en dans op het schild van Achilles zijn door Homerus beschreven: ‘Een grote menigte stond in een kring en genoot van de dans, terwijl een minstreel op verrukkelijke wijze bij de lier zong’ (Ilias, Boek 18).10

De Grieken zijn wat muziek en dans betreft veel aan het Minoïsche Kreta verschuldigd. Veel van hun eigen belangrijke muziekstijlen waren van Kreta afkomstig, waaronder de Hymne aan Apollo die door één zanger werd gezongen en op de lier begeleid door één musicus. Toen voor de eerste keer in Delphi de Hymne aan Apollo, begeleid door de lier, zou worden gezongen, kwam de musicus uit Kreta. In het Nestors Paleis vertoont een muurschildering de afbeelding van een harpist, waarschijnlijk Apollo, gezeten op een steen; men gelooft dat de hovelingen met veel genoegen luisterden naar de bard die over hun heldenmoed en avonturen zong en ook over het leven van hun vroegere en tegenwoordige helden.11

Robert Graves schrijft in zijn inleiding (blz. 8) tot Greece, Gods, and Art van Alexander Liberman dat iedere oude staat zijn mythische oorsprong met grote geestdrift bewaarde en dat ‘deze religieuze mythen jaarlijks in balletvoorstellingen werden uitgebeeld, waarvan een lange lijst door de historicus Lucianus is bewaard gebleven.’ Graves voegt eraan toe dat ‘alle toneelschrijvers, musici en acteurs ook ingewijden zullen zijn geweest.’ Dionysus, de tweemaal geborene, is ook bekend als Dithyrambos en ter ere van hem werden vele muziekfeesten met dans en zang gehouden. Ofschoon ze nu en dan in orgieën ontaardden, kwam er toch iets goeds uit voort – de dithyrambe,12 een Grieks lyrisch gedicht of koorzang, dat geïmproviseerde bewegingen van de dansers beschrijft. Deze ontwikkelden zich later in de verhalen van de mythen van Griekenland, waaruit het Griekse treurspel ontstond.

Het is heel verbazingwekkend wat de oude Grieken van muziek leerden. Pythagoras bijvoorbeeld ‘vond een fundamentele relatie tussen muzikale harmonie en wiskunde’:

wat hij ontdekte was juist. Een enkele gespannen snaar die in haar geheel trilt, brengt een grondtoon voort. De tonen die hiermee harmonisch samenklinken ontstaan door de snaar in een aantal gelijke delen te verdelen: in twee gelijke delen, in drie gelijke delen, in vier gelijke delen enzovoort. Als het rustpunt op de snaar, de knoop, niet precies op een van deze punten komt, is de klank disharmonisch.

Als we de knoop over de snaar verplaatsen, herkennen we de tonen die harmonisch zijn wanneer we de voorgeschreven punten bereiken. Begin met de hele snaar: dat is de grondtoon. Beweeg de knoop naar het midden: dat is het octaaf erboven. Beweeg de knoop naar een punt dat op eenderde van de snaar ligt: dat is de vijfde toon boven de grondtoon [kwint]. Beweeg hem verder tot het punt dat op eenvierde ligt: dat is de kwart, nog een octaaf hoger. En als men de knoop beweegt naar een punt op eenvijfde van de snaar dan ontstaat de grote terts boven de grondtoon (waar Pythagoras niet aan toekwam).

Pythagoras ontdekte dat de akkoorden die voor het oor – het westerse oor – aangenaam klonken, correspondeerden met nauwkeurige verdelingen van de snaar in hele getallen. Voor de Pythagoreeërs had deze ontdekking een mystieke kracht. De overeenkomst tussen natuur en getal was zo sterk, dat het hen overtuigde dat niet alleen de geluiden van de natuur maar ook al haar karakteristieke afmetingen eenvoudig getallen moesten zijn die harmonieën uitdrukten. Pythagoras of zijn volgelingen geloofden bijvoorbeeld dat we de banen van de hemellichamen (waarvan de Grieken zich voorstelden dat ze zich rondom de aarde bewogen langs kristallijnen sferen) kunnen berekenen door ze in verband te brengen met intervallen in de muziek. Zij waren van mening dat alle regelmatigheden in de natuur met muziek hadden te maken; voor hen vormden de bewegingen van de hemellichamen de muziek der sferen.

Deze ideeën gaven Pythagoras het aanzien van een ziener in de filosofie, bijna een religieus leider, . . .13

Voor de Grieken was muziek eenvoudig van vorm, duidelijk en gemakkelijk te begrijpen door de luisteraar, die altijd na een uitvoering was ‘uitgerust’ en gereed om naar zijn dagelijks leven terug te keren. Ofschoon muziek voor hen een ethische waarde had, betekent dat niet dat ze ethiek boven schoonheid stelden; ze waren synoniem: muziek was zieleharmonie. Wat een prachtige ervaring moeten deze mensen uit de oude wereld hebben gehad!

Ik zou nu nog in enkele woorden willen zeggen wat muziek voor mij betekent. Muziek is leven – ze laat ons droefenis en pijn beleven, opperste vreugde, moed en hoop voor de toekomst; ze toont het leven in al zijn aspecten en zij die in deze tijd prachtige muziek vertolken geven de wereld het grootste geschenk dat iemand aan de mensheid kan geven. De liefde voor muziek die eens begonnen is kan nooit eindigen: ze wordt een deel van de mens met iedere ademtocht door het hele leven. Katherine Tingley zegt het als volgt:

Er bestaat een zeer grote samenhang tussen muziek aan de ene kant, en gedachten en aspiraties aan de andere, en alleen die muziek verdient die naam, waarin de edelste en zuiverste aspiraties hun weerklank vinden. . . . Want als de ziel door muziek wordt bewogen, als we ons binnen het bereik van de hogere idealen van het leven voelen, dan ontdekken we het Licht.14


Noten

  1. John Llewellyn Davies en David James Vaughan, vert.; vgl. G. Lowes Dickinson, The Greek View of Life, blz. 220.
  2. Davies & Vaughan, vert., De Staat.
  3. Dickinson, The Greek View of Life, blz. 221.
  4. Ibid., blz. 222.
  5. Ibid., blz. 223.
  6. Ibid., blz. 224.
  7. Lycurgus, hfst. 21 (Clough’s ed.); vgl. Dickinson, blz. 226.
  8. Georges Méautis, The Mysteries of Eleusis, blz. 39.
  9. Gerald Cadogan, Palaces of Minoan Crete, blz. 45.
  10. Vgl. Jacquetta Hawkes, Dawn of the Gods, blz. 75-6.
  11. Vgl. Wm. A. McDonald, The Discovery of Homeric Greece, blz. 341, 389.
  12. Alexander Liberman, Greece, Gods, and Art, blz. 45.
  13. J. Bronowski, The Ascent of Man, blz. 156-7.
  14. Katherine Tingley, Theosofie: Het Pad van de Mysticus, blz. 165-6.
 
Kunst, muziek, kinderverhalen en literatuur
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency