Zomerse overpeinzingen
Václav Havel

 

[In een vorig jaar in Praag gepubliceerd boekje geeft de voormalige Tsjechoslovaakse President, Václav Havel, uiting aan enkele gedachten die bij hem opkwamen sinds hij in 1989 zijn ambt aanvaardde. Daarna verschenen lange uittreksels, in het Frans vertaald door Suzette Hejda en Alena Lhotova, in Le Nouveau Quotidien de Lausanne, in Zwitserland. Het doet ons genoegen onze lezers het grootste deel van hun publikatie, vertaald in het Nederlands, aan te bieden. – Red.]


 

Een ding is zeker: hoewel sommige mensen het misschien dwaas of wereldvreemd vinden, het is mijn plicht om de nadruk te blijven leggen op de morele basis van alle ware politiek, en op de betekenis van de morele waarden op alle gebieden van het openbare leven, met inbegrip van het economische. Het is ook mijn plicht uit te leggen dat, tenzij we allen in onszelf proberen te ontdekken, te herontdekken en te cultiveren wat ik de hogere verantwoordelijkheid zou willen noemen, het met ons land slecht zal aflopen. Het terugkeren van de vrijheid in een wereld die moreel totaal in verval is geraakt, heeft teweeggebracht wat waarschijnlijk tevoorschijn moest komen en wat dus was te voorzien, maar dat onvergelijkelijk veel ernstiger is dan men kon vermoeden: de vernielende explosie van de ergste menselijke gebreken. Het is alsof de meest problematische kanten van de mens of op zijn minst de meest twijfelachtige – die jarenlang in deze maatschappij werden gecultiveerd zonder dat we dat beseften en die ook zonder dat we dat beseften in het dagelijks functioneren van het totalitaire systeem werden geïntroduceerd – zich hadden bevrijd uit deze omklemming en tenslotte de volle gelegenheid kregen zich te ontplooien. Een bepaalde regeling – als men het zo mag noemen – die het totalitaire regime hun had opgelegd (en waardoor zij werden ‘gelegaliseerd’) is zodoende tenietgedaan, maar een nieuw regelsysteem dat, in plaats van deze kwalijke kanten te gebruiken, ze zou beheersen – met andere woorden een stelsel met vrijwillig aanvaarde verantwoordelijkheid door en voor de gemeenschap – is nog niet ingesteld en dat zou ook niet kunnen, want zulke dingen hebben tijd nodig.

We zijn dus nu getuige van een eigenaardige stand van zaken: de maatschappij heeft weliswaar haar vrijheid hervonden, maar in bepaalde opzichten gedraagt ze zich nog slechter dan toen ze niet vrij was. We zien allerlei soorten van misdaad snel toenemen en zich op de media werpen. Ik doel hoofdzakelijk op de boulevardpers, het riool voor wat in tijden van historische omwentelingen altijd opborrelt uit de verborgen hoeken van de geest.

Er doen zich nog andere, ernstiger en zelfs gevaarlijker verschijnselen voor: wrok en nationalistische verdachtmaking, racisme en zelfs tekenen van verdeeldheid, ongebreidelde demagogie, een neiging tot gekonkel en bewust liegen, politieke carrièremakerij, teugelloze strijd voor louter persoonlijke belangen, machtshonger en onverhulde eerzucht, allerlei soorten fanatisme, allerlei vormen van diefstal, verbreiding van de maffia, een algemeen gebrek aan verdraagzaamheid, aan begrip voor de ander, gebrek aan goede smaak, aan maathouden en aan bezinning. En tenslotte een nieuwe ideologie, alsof het verdwenen marxisme een neurotische leegte had achtergelaten, die tot elke prijs moet worden opgevuld.

.      .      .

Toch zeg ik tegen mezelf dat, als ik met een handjevol vrienden lange tijd met het hoofd tegen de muur heb kunnen lopen door de waarheid te vertellen over het communistische totalitarisme, in een zee van onverschilligheid, dan is er geen enkele reden om niet door te gaan met het hoofd tegen de muur te stoten omdat ik, neerbuigende glimlachjes ten spijt, onvermoeibaar zal doorgaan met te spreken over verantwoordelijkheid en moraliteit, gezien het huidige verval van onze maatschappij; en ik zie geen enkele reden om te denken dat de strijd bij voorbaat verloren is. Eén gevecht zal zeker verloren zijn: dat, waarin we het opgeven . . . Ik krijg steeds weer nieuwe bewijzen dat er een groot potentieel aan goede wil in ons sluimert. Het is alleen verbrokkeld, bang gemaakt, verstrikt, verlamd en ontredderd, alsof het niet weet waarop het kan steunen, hoe te beginnen, of hoe zich te verwezenlijken.

Bij deze stand van zaken is het de plicht van politici om dit bescheiden, sluimerend potentieel weer tot leven te wekken, er een weg voor aan te geven, een doorgang vrij te maken, het opnieuw zekerheid te verschaffen, de mogelijkheid zich te verwezenlijken – kortom, hoop te geven. Er wordt gezegd dat een volk de politici krijgt die het verdient. Dat is tot op zekere hoogte waar: politici zijn inderdaad de spiegel van de maatschappij en een soort belichaming van haar potentieel. De paradox is dat het tegengestelde ook waar is: de maatschappij weerspiegelt haar politici, want het zijn voor een groot deel de politici die bepalen welke krachten losgelaten, en welke teruggedrongen zullen worden, uit te kiezen waarop ze zullen steunen, op het beste of op het slechtste in elke burger. Het vorige regime heeft stelselmatig het slechtste in ons losgemaakt: egoïsme, haat, afgunst; het was voor een groot deel een afspiegeling van wat we verdienden; het was ook verantwoordelijk voor wat we waren. In mijn ogen draagt ieder die zich in de politiek begeeft een grotere verantwoordelijkheid voor de morele toestand van de maatschappij en het is zijn plicht daarin het beste op te sporen, dat te ontwikkelen en te voeden.

.      .      .

Het schijnt dat ik een naïeve dromer ben die het onverzoenlijke wil verzoenen, dat wil zeggen, politiek en moraliteit. Dat liedje ken ik maar al te goed, ik hoor het al zingen zover als mijn herinnering teruggaat . . . Het is maar al te bekend dat geweld geweld oproept; daardoor ontaarden de meeste revoluties in dictaturen, die hun eigen kinderen verslinden en nieuwe revolutionairen voortbrengen, die bereid zijn tot nieuwe gewelddaden, zonder te beseffen dat ze hun eigen graf graven en dat ze de maatschappij insluiten in een vicieuze cirkel van revoluties en contrarevoluties. Het communisme is overwonnen door het leven, door het denken, door rechtschapenheid. Toch zijn er zelfs nu nog mensen die beweren dat politiek bedrijven vooral betekent het manipuleren van macht, van de openbare mening, en dat er daarom voor moraliteit geen plaats in is. Beunhazerij in de politiek is geen politiek . . . .

Ware politiek, een politiek die de mens waardig is – overigens de enige die ik in praktijk wil brengen – is de politiek in dienst van de naaste. Dienst aan de gemeenschap; dienst aan hen die na ons komen. Haar oorsprong is een morele omdat het niets anders is dan verwezenlijkte verantwoordelijkheid jegens allen en door allen. Het is die verantwoordelijkheid die in zich een hogere verantwoordelijkheid vertegenwoordigt door het feit dat ze verankerd is in de metafysica; ze wordt gevoed door de zekerheid, bewust of onbewust, dat bij de dood niets eindigt, dat alles voor eeuwig wordt vastgelegd, dat alles elders wordt geëvalueerd, ergens ‘boven ons’ in wat ik het geheugen van het zijn heb genoemd, in dat deel dat niet te scheiden is van de mysterieuze ordening van de kosmos, van de natuur en van het leven, wat gelovigen God noemen, en aan wiens oordeel alles is onderworpen.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sep/okt 1992

© 1992 Theosophical University Press Agency