Er wordt in deze tijd meer waarde gehecht aan een humaan gedrag dan
vroeger. Onze houding tegenover de zwakken en kwetsbaren is vriendelijker
en getuigt van meer begrip: we ranselen paarden niet langer tot ze erbij
neervallen om ze te dwingen zich tot het uiterste in te spannen; de
dochter die een misstap doet wordt niet meer op straat gezet omdat ze
‘schande brengt over haar familie’. Eigenlijk is het zo
dat kwetsbaarheid en zwakte openlijk worden geëxploiteerd in de
reclame en de handel voor winstdoeleinden van ondernemingen, die zich
beijveren om aan de gulzige smaak van het publiek te voldoen. Wat vroeger
een luxe was is nu een noodzaak – zodat men om steeds meer plezier
en gemak vraagt, wat vaak tot gevolg heeft dat wat niet deugt zich voordoet
onder het mom van deugd. Misschien gaan we met die houding wel te ver.
In alles, vanaf de kookkunst tot de geneeskunde en het farmaceutisch
onderzoek, werkt de industriële gemeenschap mee aan het bevorderen
van een hedonistische levensstijl, waarvan we in onze kortzichtigheid
menen de gevolgen te kunnen ontlopen. De medische wetenschap heeft in
de laatste decennia een opmerkelijke vooruitgang geboekt. Sommige van
die vorderingen zijn het instinctieve menselijke gevoel van goed en
kwaad ver voorbijgestreefd. Er steekt vanzelfsprekend in het in bescheiden
mate genieten van natuurlijke genoegens niets kwaads. Gezonde inspanningen
en voedsel zijn natuurlijk en daarvan moet men genieten; dat geldt voor
vele andere natuurlijke verlangens. De sleutel is matigheid, een eigenschap
die jammerlijk wordt genegeerd in een samenleving waar alle genoegens
tot het uiterste worden nagejaagd, zodat buitensporigheid tot norm wordt
verheven.
Er is grotere individuele vrijheid dan we ooit in de geschiedenis hebben
gekend. Het is juist dat iedereen recht heeft op zijn eigen leven zonder
druk van buitenaf, maar we zijn opgegroeid in de verwachting dat ‘alles
kan’. De hang naar het leven is zo groot geworden dat het ten
koste van alles moet worden verlengd, alsof we werkelijk geloven dat
we eeuwig in ons huidige lichaam kunnen leven. Tegelijkertijd neemt
zelfdoding toe, vooral bij de jongeren, die een zekere doelloosheid
in hun leven voelen; ze worden vervolgd door de vrees voor een kernramp,
voor AIDS, en voelen zich hulpeloos en niet in staat het hoofd te bieden
aan de opdoemende situaties, die vaak hun oorsprong vinden in internationale
wrijvingen waarover ze geen zeggenschap hebben. Ze zijn zich scherp
bewust van het gebrek aan leiding die oudere generaties traditioneel
zouden moeten kunnen geven. Sommigen praten zich zelfs aan dat ons bestaan
afhankelijk is van onze eigen wil: als het ons schikt om te leven dan
leven we, als het te zwaar wordt om de moeilijkheden die zich opstapelen
het hoofd te bieden, zien we uit naar een gemakkelijke manier om te
sterven. De menselijke ziel, weerspannig en ongedisciplineerd, die slechts
de buitenkant ziet van de onpeilbare diepten van het leven, wil vaak
alleen genieten van wat aangenaam is en meent misschien zelfs het recht
te hebben er uit te stappen als het moeilijk gaat worden.
Dit veronachtzamen van de heiligheid van het leven en de mogelijke
gevolgen van ontwijding zijn grotendeels toe te schrijven aan de opvatting
dat de mens niet meer is dan een lichaam. De bewoner van het lichaam
wordt meestal over het hoofd gezien of als onbelangrijk genegeerd. We
moeten leren inzien dat bewustzijn niet een toevallig gebeuren is, voortkomend
uit een schakeling van hersencellen, maar een sterk vermogen dat door
de eeuwen heen aan kracht heeft gewonnen. We zouden er goed aan doen
ons af te vragen waar al die energie naartoe gaat als wij die niet langer
beheren. Misschien krijgen we dan oog voor de gevolgen daarvan op anderen
en op onze eigen toekomst. Toch zijn we ons ervan bewust dat ons hele
leven totstandkomt door ons bewustzijn – zonder dat zouden we
onbewust zijn en het enige essentiële dat het menselijk leven draagt,
missen – het besef van ons eigen bestaan.
We weten dat we leven tijdens onze slaap en dat het bewustzijn actief
is, zelfs wanneer het zich buiten het lichaam bevindt en we kunnen dus
redelijkerwijs verwachten dat het ook werkt in die diepe slaap die op
de dood volgt. Als het lichaam wordt afgelegd, gaan zijn samenstellende
levens hun eigen weg. Waar gaan de krachten naartoe die de vorm bezielden,
de heftige hartstochten, de interessen die ons in beslag namen, de gedachten,
van verheven en lage aard, die ons tijdens het leven bezighielden? Hoe
kunnen die sterke krachten die de motor waren achter al onze daden in
het leven ophouden te bestaan als we weten dat energie onvernietigbaar
is? Wat voor dromen volgen er als de krachten van de ziel zich uit de
vorm bevrijden waarin ze gekluisterd waren? Hier alleen al zouden we
bij stil moeten staan en over moeten nadenken. Shakespeare brengt het
onder woorden in de alleenspraak van Hamlet: ‘Slapen: misschien
ook dromen: ah, dat is het probleem;/ Want welke dromen kunnen komen
in die slaap van de dood,/ Als we van de aardse beslommeringen zijn
bevrijd,/ Dwingt ons tot nadenken.’
Er is een strijd gaande over de vraag of het raadzaam is euthanasie
te legaliseren wanneer een lichaam zo ziek is dat de pijn ondraaglijk
wordt. Afgezien van het erkende feit dat aanvaarding van euthanasie
de deur zou openen voor een mogelijk, zelfs waarschijnlijk misbruik,
zijn er andere overwegingen die grondig moeten worden onderzocht. Al
is het hartverscheurend het lijden van een ouder of vriend te moeten
aanzien die wordt gefolterd door een terminale ziekte en zijn de argumenten
voor het beëindigen van zo'n leven overtuigend, als we de oorzaken
uit een ver en onbekend verleden konden zien die deze ziektetoestand
hebben teweeggebracht, zouden we misschien nog meer lijden in de wetenschap
dat het denkbaar is dat als deze foltering kunstmatig wordt beëindigd,
ze zich opnieuw zal voordoen en dat, als men de ziel zijn Gethsemane
onthoudt, dit kan betekenen dat de lijder tot meer van deze ervaringen
wordt veroordeeld totdat de zuivering is voltooid. We moeten ook niet
de mogelijkheid over het hoofd zien dat een dappere ziel schijnbaar
ondraaglijk lijden verkiest te ondergaan met het bewuste doel een bepaalde
verborgen zwakheid te overwinnen of om oprecht medegevoel te ontwikkelen
met anderen die in dezelfde ellende verkeren en hun lijden uit de eerste
hand te leren kennen. Omdat we de achterliggende oorzaken die zo'n toestand
teweegbrengen niet kennen, kunnen we alleen delen in de pijn en die
zoveel mogelijk verlichten.
Niemand heeft het recht het leven te beëindigen, van zichzelf
of van een ander. Dit instinctieve gevoel heeft zich uitgestrekt tot
onze jongere broeders, de dieren, zodat velen het vegetarisme hebben
omarmd. De vele wijsheidstradities in de wereld beschouwen het leven
eensgezind als een heilig recht dat moet worden gekoesterd en geëerbiedigd.
De arts die wordt geconfronteerd met beslissingen over leven en dood,
waarvan hij instinctief voelt dat hij niet het recht heeft die te nemen,
staat voor een acuut probleem. In het ene geval voelt hij zich verplicht
een leven te verlengen dat, voorzover hij het kan beoordelen geen zin
meer heeft als de patiënt hersendood is; in een ander geval vindt
hij oprecht dat een lijdende patiënt beter dood zou kunnen zijn.
Hoe moet hij zijn twijfels oplossen? Hoe kan hij weten wat zijn patiënt
ondergaat als de laatste adem is uitgeblazen?
Er bestaat geen eenvoudig antwoord, maar als hij meer aan de innerlijke
mens denkt dan aan het lichaam, kan hij een doordacht besluit nemen.
De natuur is een vindingrijke gids. Als het leven een natuurlijke grens
heeft bereikt, dient kunstmatige verlenging door ‘heldhaftige
maatregelen’ geen enkel nuttig doel; wanneer het een last wordt
voor de patiënt en zijn familie moet al het mogelijke worden gedaan
om de pijn te verzachten en de ziel de gelegenheid te bieden haar leven
tot een natuurlijk einde te brengen, wat de zekerheid geeft dat de oorzaak
van het lijden is uitgewerkt en dat dit lijden zich waarschijnlijk niet
zal herhalen.
Als we afschuwelijke misdrijven zien die worden begaan en toegelaten
of daarvan horen, verwachten we in alle redelijkheid dat de daders nog
hun les moeten leren en ellende kunnen verwachten in overeenstemming
met hun karakter en hun daden; aan de andere kant zien we tragische
omstandigheden waarin veel medemensen komen te verkeren en we moeten
aannemen dat die hun oorzaak vinden in lessen die nog moeten worden
geleerd. Het is juist dat een moordenaar wordt berecht, zijn les krijgt
en de gelegenheid om zijn misdrijf goed te maken – niet door executie
door een wraakzuchtige samenleving, die de middelen tot rehabilitatie
en opvoeding mist, maar door hem bewust te maken van het leed dat hij
heeft veroorzaakt en van de schade aan zijn eigen wezen die daaruit
voortvloeit. Niemand van ons is vrij van disharmonie, afkomstig uit
een ver verleden, zoals ook niemand verstoken blijft van schijnbaar
onverdiende vreugden, die naar we mogen veronderstellen het gevolg zijn
van onbekende verdiensten.
De dood is een deel van het leven. We leven in vele werelden en ons
verblijf op deze kleine planeet is als een halte aan een klein stationnetje,
een van de vele op onze eindeloze reis. Weldra moeten we verder naar
andere werelden van ervaring om eens weer terug te keren naar een andere
klas in deze aardse school. De levens die we in andere bewustzijnsstadia
doorbrengen zijn noodzakelijkerwijs getint door de kleuren die we daaraan
hebben gegeven door vroegere keuzen. Met iedere ervaring verwerven we
een klein beetje meer wijsheid, wat de menselijke versie is van de taak
van de goden om de stoffelijke gebieden geleidelijk te verheffen tot
een geestelijke staat.
We ondergaan onze scholing in vele woningen van het heelal. Geen enkele
ervaring gaat verloren of kunnen we overslaan. De reïncarnerende
ego ondergaat gebeurtenissen van allerlei aard; sommige vinden we aangenaam,
andere niet, maar beide soorten zijn onvermijdelijk voor het groeiende
bewustzijn. Velen die zeer hebben geleden bevestigen dat er meer begrip
ontstaat in de donkere nachten van verdriet dan in de paleizen van vreugde.
Vaak hebben ze het moeilijke pad gekozen en weten dat hun winst
onmetelijk is. Karma verschaft automatisch de juiste condities die het
opbloeien van zielewijsheid vergroten; en of we de gebeurtenissen aangenaam
vinden of ervoor terugdeinzen, het ontwaken van begrip zal hoe dan ook
plaatsvinden, welke middelen ons karma ook voorschrijft. We kunnen de
pijn die meestal met groei samengaat niet vermijden of tenietdoen. Evenmin
kunnen we onberoerd blijven door de narigheid die onderweg op ons of
op onze metgezellen afkomt. ‘Het nalaten van een daad van barmhartigheid
wordt een handeling in doodzonde’ is een waarheid die niet genegeerd
kan worden. Wat bepaalt wat een barmhartige daad is verschilt van geval
tot geval. Ieder moet kiezen tussen het juiste gevoel en sentimentaliteit
en kiest daarbij tussen winst op lange termijn of rampen.
Wat we het meest nodig hebben is visie: de visie van de innerlijke
god, wiens doel ver uitgaat boven persoonlijke voorkeur. We kunnen worden
geholpen als we denken aan dat grote voorbeeld, toen de avatara van
de westerse wereld de beslissing overliet aan zijn goddelijke Vader:
‘als het niet mogelijk is dat deze beker aan mij voorbijgaat zonder
dat ik eruit drink, laat het dan gebeuren zoals u het wilt’ (Matt.
26:42). Geen smart ontsierde deze keus, geen aarzeling, want de ingewijde
kende zijn innerlijke overwinning en eenheid met de goddelijke ziel
in allen.