Verkorte weergave van een toespraak, gehouden
op 20 juli 1991 op de Vriendschapsbijeenkomst die plaatsvond onder auspiciën
van de Theosophical Society (Pasadena) in de Volksabdij, Ossendrecht,
Nederland, van 18 tot 23 juli.
Kunst die haar eigen tijd overleeft weerspiegelt niet alleen het zoeken
naar waarheid van de kunstenaar, maar is ook een bron van inspiratie
voor hen die ermee in aanraking komen. Zulke kunst is vaak buitengewoon
ingewikkeld en haar diepzinnige betekenis moeilijk waar te nemen. Richard
Wagner is een van de meest omstreden en totaal onbegrepen kunstenaars
van de afgelopen 200 jaar en zijn opera Parsifal een van de
meest ingewikkelde kunstwerken.
De eerste impuls om Parsifal te schrijven kreeg Wagner toen
hij 31 jaar oud was. Hij werkte in Mariënbad aan de opera Lohengrin
toen hij Wolfram von Eschenbachs Parzival las. In dit epos
brengt de schrijver verschillende mythische overleveringen bijeen; Wagner
voegde daar later elementen uit andere legenden aan toe. Drie jaar later,
in 1848, werden de voornaamste gegevens uit Parsifal overgenomen
in het concept van een drama getiteld ‘Jezus van Nazareth’,
waarin Maria Magdalena de plaats inneemt van Kundry. In mei 1856 schreef
Wagner het concept voor een boeddhistisch drama met als werktitel ‘Der
Sieger’ [‘De Overwinnaar’], waarin de kenmerken van
wat later Parsifal werd al duidelijk herkenbaar zijn. Op Goede
Vrijdag 1858 verbleef Wagner in zijn toevluchtsoord Zürich waar
hij een visioen had en de hoofdmotieven voor de opera vastlegde.
In de daaropvolgende jaren kregen enkele figuren steeds meer vorm.
Tegelijk ervoer Wagner echter de geweldige moeilijkheden die met de
vormgeving van de stof samenhingen. Hij stelde het schrijven steeds
weer uit – hij werd zo door twijfel gekweld dat hij het hele plan
wilde opgeven. Pas in augustus 1865 schreef hij een uitvoerig concept
op aandrang van Koning Lodewijk II. Er gingen echter nog twaalf jaar
voorbij vóór het werk in april 1877 werd voltooid en het
in boekvorm verscheen. Het componeren van de muziek duurde nog eens
vijf jaar en pas op 26 juli 1882 vond in Bayreuth de première
plaats in ‘Haus Wahnfried’. Er waren dus vanaf het eerste
idee tot het eindresultaat zevenendertig jaar voorbijgegaan.
Wat Wagners kennis van het occultisme betreft, weten we dat hij bekend
was met de Vrijmetselaars, met wie hij heftige discussies voerde, en
ook met de Rozenkruisers. Zijn bibliotheek, nu gevestigd in Bayreuth
en toegankelijk voor het publiek, bevat vertalingen van de Upanishads
en het Mahabharata, die in zijn tijd net waren uitgegeven.
Ik vermoed dat Richard Wagner buitengewone intuïtieve vermogens
bezat en in staat was vele uiterst subtiele gebieden en verbanden rechtstreeks
waar te nemen en dat hij er ernstig onder leed al te vaak geen woorden
te kunnen vinden voor wat zo helder voor zijn geestesoog plaatsvond.
Het is daarom begrijpelijk dat hij zich met de figuur Amfortas vereenzelvigde:
Wagner geloofde dat het leven ten volle moest worden geleefd; hij zag
ook dingen maar kon ze niet begrijpen. De geestelijke grondtoon die
door de hele opera klinkt is mededogen of buddhi. Reïncarnatie
en karma worden op verschillende plaatsen duidelijk beschreven –
zonder deze begrippen zou het hele drama onbegrijpelijk zijn.
Een aantal symbolen en mythische elementen zijn voor een algemeen begrip
van het werk van belang. Ten eerste, het symbool van de Graal dat elementen
uit Perzië en Klein-Azië combineert met die uit de Keltische
mythologie. De Graal, de beker die Jezus Christus gebruikte bij het
Laatste Avondmaal, was vervaardigd uit de steen die uit de kroon van
Lucifer viel toen hij ter aarde stortte. Lucifer (de Lichtbrenger) bracht
het denkend beginsel naar de zich ontwikkelende mensheid. De steen uit
de kroon van Lucifer kan daarom worden gezien als het ik-bewustzijn
of ‘ik ben ik’: zonder het ontwakende verstand zou de mensheid
geen kennis kunnen verwerven en de eerste stap langs dit pad is ‘ik
ben ik’. Dat deze steen tot de kelk of schaal werd gevormd die
werd gebruikt om het bloed van Christus op te vangen verdiept de betekenis
ervan, omdat het dan het goddelijk zelf, atma-buddhi vertegenwoordigt.
Zoals Wagner opmerkte wordt het ‘Graal-bewustzijn’ –
gezuiverd, bevrijd ‘ik ben’. De Graal wordt aan Titurel
toevertrouwd. Hij verzamelt een groep ridders om zich heen, de Graalridders
geheten, die zich door nobele daden te verrichten wijden aan het dienen
van dit Graalbewustzijn.
Een tweede belangrijk symbool is de speer, ontleend aan de speer van
Longinus die, naar men zegt, Christus’ zijde ermee doorstak tijdens
de kruisiging en het bloed van de Heiland liet vloeien. Ze vertegenwoordigt
het hogere denken, dat deel van ons dat moet beslissen of het denken
zich naar de geest richt of bezwijkt voor stoffelijke begeerten.
Een derde centraal symbool is de zwaan, die het noorden aanduidt. Wagner
gebruikt de zwaan als symbool voor die wezens die, hoewel nog zonder
individueel bewustzijn, zich in de goddelijke gebieden bevinden, maar
nog hun hele ontwikkeling vóór zich hebben; dit symbool
is identiek aan dat van de engel. In de laatste scène verschijnt
een duif, volgens Wagner een symbool van de ‘goddelijke geest
die zinnebeeldig neerdaalt in de menselijke ziel’. Het is de Heilige
Geest – atma-buddhi.
De eerste akte van de opera, die zich afspeelt in het gebied van de
Graal, begint met trombones die de reveille blazen. Gurnemanz, leraar
en bewaker van de heilige wijsheid van de Graal, wekt twee onder een
boom slapende schildknapen met de woorden: ‘Horen jullie de oproep?
Dank God dat jullie geroepen bent het te horen!’ Dat de reveille
klinkt vanuit het gebied van de Graal geeft aan dat het een geestelijke
aansporing is. Buddhi dringt door in het bewustzijn van de ontwakende
mens en Gurnemanz ervaart dit als een zegen. Hij doet een beroep op
zijn leerlingen om dank te betuigen want hij weet dat het slechts weinigen
is vergund deze roep van buddhi te horen.
Amfortas, Koning van de Graal, is ziek en gewond, welke wond een uiterlijk
symbool voor innerlijke gebeurtenissen is. In zijn streven naar het
hogere, verloor Amfortas in de strijd in de gebieden van het lagere
denken, waar de zwarte magiër Klingsor regeert, de speer (het denken).
Klingsor verwondde hem in zijn zijde met de speer, een wond die niet
zal genezen. Deze wond staat centraal in het hele verdere verloop. Het
is de breuk tussen het hoger zelf en het persoonlijk zelf, veroorzaakt
door het feit dat het denkend beginsel was gericht op het aardse gebied,
waar het nu wordt beheerst door Klingsor, ofwel verbonden was met begeerte.
Gurnemanz en de schildknapen, aangespoord door buddhi, proberen nu de
pijn die de Koning van de Graal lijdt, te verzachten. Zij willen de
wond wassen, hoewel Gurnemanz in zijn wijsheid weet dat dit niet zal
baten. De wond van de Koning, een innerlijke wond, kan niet door wassing
of zalving worden gesloten. In gedachten verdiept, zingt hij: ‘Er
is slechts één ding dat hem kan helpen, slechts één
man’. Als een ridder de naam van de man vraagt, geeft hij geen
antwoord.
Dan verschijnt Kundry ten tonele, het ene ogenblik wild, het andere
levenloos. Zij dringt Gurnemanz een klein kristallen glas op dat balsem
bevat waarmee Amfortas zou kunnen worden genezen. Kundry vertegenwoordigt
de begeerte-natuur, en is zowel boodschapster als verleidster. Aan de
ene kant bindt de begeerte ons aan aardse dingen, terwijl ze aan de
andere kant de eerste impulsen geeft om het verborgene te begrijpen.
Zo dient Kundry zowel de Graal en ook, als verleidster, Klingsor, die
probeert door de macht van de zinnen de mensen af te houden van het
zoeken naar het goddelijke. Wagner merkt op dat de zwarte magiër
‘het goddelijke onderscheidingsvermogen van de mens vertroebelt
door de zintuiglijke indrukken van de stoffelijke wereld, en hem daardoor
in een wereld van misleiding voert.’
Er ontstaat een meningsverschil tussen de Graalridders en Gurnemanz
over Kundry (begeerte). De schildknapen wantrouwen haar, maar Gurnemanz
zegt:
Ja, ze leeft misschien onder een vloek. Ze leeft
nu hier – misschien gereïncarneerd om te boeten voor een
zonde uit een eerder leven die daar nog niet is vergeven. Nu doet
ze boete door zulke daden die ons ridderschap tot zegen zijn; ze heeft
goed gedaan, zonder enige twijfel, door ons te dienen en daardoor
zichzelf te helpen.
Natuurlijk was Kundry erbij betrokken toen Klingsor de speer van het
verstand van Amfortas wegnam.
In zijn smart richt Amfortas zich tot de Graal en vraagt om een teken
van hulp. In een visioen beschrijft hij hoe iemand zal komen om hem
te helpen: ‘Verlicht door mededogen, de onschuldige dwaas; wacht
op hem, de uitverkorene’. Deze aankondiging van de dwaze onschuldige,
(‘Fal parsi’, vandaar Parsifal) heeft betrekking
op het reïncarnerende ego, dat zich van leven naar leven spoedt.
Als het reïncarnerende ego in zijn persoonlijk leven zijn goddelijke
individualiteit volledig tot uitdrukking brengt, zal de innerlijke breuk
– de wond – zich weer sluiten, omdat het op de stof gerichte
denken zich weer naar het goddelijke keert.
Vóór het goddelijke kan worden bereikt, moet echter de
evolutie als mens worden ervaren. In het begin is de mensheid volkomen
zonder zelfbewustzijn en leeft in een toestand van goddelijke onschuld,
onberoerd door aardse dingen en zonder een onafhankelijk verstand, een
toestand gesymboliseerd door de zwaan. Ze moet deze toestand verlaten,
afdalen naar het stoffelijk gebied en alle conflicten ervaren die de
evolutie met zich brengt. Door het lijden waarmee dat gepaard gaat en
de ontwikkeling van het denkend beginsel, leren mensen uit eigen ervaring
mededogen te voelen met andere wezens.
Deze ontwikkelingen vinden een analogie in het verlaten van hun ouderlijk
huis, het moederlijke gebied, door jonge mensen. Dat heengaan is vaak
heel moeilijk en kan gepaard gaan met veel pijn en veel verwijten; maar
deze breuk is absoluut noodzakelijk willen jongeren hun eigen ervaringen
hebben en het vermogen ontwikkelen zelfstandig te denken, al brengt
dat tegelijk veel verdriet mee voor het moederlijk beginsel. Het resultaat
is vaak veroordeling door medemensen.
Deze ‘neerdaling’ of het onafhankelijk worden van de monade
wordt door Wagner weergegeven in het doden van de zwaan door Parsifal.
Gurnemanz maakt Parsifal, ernstige verwijten omdat hij de zwaan met
een pijl doodt. Parsifal is eerst vervuld van kinderlijke trots op zijn
trefzekerheid maar raakt geleidelijk aan steeds meer in verwarring bij
de aanblik van de dode vogel en voelt voor het eerst medelijden. Gurnemanz
vraagt naar de naam en afkomst van Parsifal, maar deze kan zich dat
niet herinneren en zegt: ‘Ik had er vele, maar weet er nu niet
één meer’. De enige naam die hij zich herinnert
is die van zijn moeder: Herzeleide (Hartepijn). Kundry kan meer inlichtingen
verschaffen over zijn afkomst: zijn vader werd in de strijd gedood en
zijn moeder ‘voedde hem in de woestijn op tot dwaas, onbekend
met wapens’. Parsifal herinnert zich niettemin dat hij eens de
Graalridders langs de rand van het bos zag rijden: ‘Ik liep achter
hen aan maar kon ze niet inhalen; ik zwierf door woestijnen, heuvel
op en omlaag in het dal’.
De monade verlangt naar meer dan een vredig leven in afzondering. Kundry
bevestigt dit en vertelt hem over de dood van zijn moeder. Parsifal
wordt woedend en stort zich op haar, maar Gurnemanz houdt hem tegen.
Al is dus de monade begiftigd met een besef van goed en kwaad, het denken
is nog niet volledig ontwikkeld. Vandaar dat het, samen met begeerte,
vervalt tot boosheid en woede. Gurnemanz, de ingewijde, houdt hem tegen.
De rest van de opera beschrijft wat er plaatsvindt tijdens deze afdaling
van de menselijke monade. Gurnemanz heeft al ingezien dat Parsifal iemand
is die de goddelijke harmonie kan herstellen. Hij biedt aan hem naar
het feest van de Graal te brengen. Beiden trekken hun innerlijke, geestelijke
gebieden binnen, vertegenwoordigd door de tempel van de Graal. Dit gebied
ligt buiten de differentiatie van ruimte en tijd. Vandaar dat Parsifal
opmerkt: ‘Ik loop nauwelijks, maar schijn toch ver te zijn gekomen’.
Gurnemanz antwoordt: ‘Je ziet, mijn zoon, de tijd wordt hier
ruimte’ Dat komt omdat de stoffelijke mens innerlijke visie ervaart
als ruimte. Gurnemanz waarschuwt Parsifal goed te letten op alles wat
hij tegenkomt en later mee terug te nemen naar het gebied van zijn persoonlijk
bewustzijn. Vóór beiden opent zich het beeld van een zaal
met zuilen, waar de Graalridders Amfortas binnenbrengen. De omhulde
Graal wordt vóór hen uitgedragen. Op de achtergrond kan
de stem van Titurel worden gehoord, de vroegere bewaker van de Graal,
die de kelk ontving uit handen van de engel en door innerlijke visie
de occulte mysteriën leerde kennen, Hij zegt, ‘Amfortas,
mijn zoon, ben je op je plaats? Zal ik vandaag opnieuw de Graal zien
en leven?’ Daarmee wordt aangeduid dat de levenskrachten van de
geestelijke tradities steeds zwakker worden als ze niet door intuïtieve,
scheppende persoonlijkheden worden vernieuwd. Steeds weer worden er
pogingen ondernomen om een geestelijke, meedogende broederschap te stichten.
Als de vernieuwers echter falen, komt de poging tot stilstand; de leringen
verstarren en wat eens de inhoud was wordt een sluier, tot er van de
oorspronkelijke impuls niets over is. Titurel moet daarom sterven.
Daarom vraagt Titurel aan Amfortas de Graal te bekijken. Maar Amfortas
is daartoe niet in staat – hij heeft het denkend beginsel aan
Klingsor, het lagere denken, verloren. Titurel vraagt nu om het onthullen
van de Graal, het openbaren van occulte wijsheid. Wanneer dit, op zijn
aandrang, gebeurt, wordt Amfortas door pijn gekweld: voor hen die gevangen
zitten in het lagere denken is de aanblik van goddelijke wijsheid ondraaglijk.
De tragiek van zo’n situatie is duidelijk. Enerzijds worden zulke
mensen door het goddelijke, door buddhische impulsen aangedreven, anderzijds
zijn ze geheel verstrikt in de wereld van misleiding en zinnelijkheid.
Als de volledige, idealistische aard van de Graal tot Amfortas doordringt,
wordt zijn wanhoop zo groot dat hij smeekt te sterven. Maar het Koor
zingt weer: ‘Verlicht door mededogen, de onschuldige dwaas: wacht
op hem, de uitverkorene’.
Gurnemanz die Parsifal tot deze innerlijke visie leidde, staat tijdens
de hele scène naast Parsifal. Tenslotte vraagt hij Parsifal:
‘Weet je wat je hebt gezien?’ Maar Parsifal kan niet antwoorden
omdat hij is overweldigd door het lijden dat hij heeft gezien. Gurnemanz
zendt hem boos weg. Parsifal is nog niet in staat om te helpen, omdat
daarvoor meer nodig is dan alleen het zien van occulte dingen. Hij moet
eerst op stoffelijk gebied occulte kennis opdoen. Alleen dat zal hem
in staat stellen innerlijk te verwerken wat hij heeft gezien en het
tot een deel van zijn bewustzijn te maken. Alleen op die manier kan
het goddelijke naar alle gebieden worden overgebracht.
Wagners Parsifal –
2
Overwinning en verlossing
Het tweede bedrijf van Parsifal vindt plaats in het toverslot
(maya) van de zwarte magiër Klingsor. Hier beproeft Satan,
in de persoon van de magiër, de wilskracht van Parsifal. Wagner
ziet in Klingsor ‘de tegenkracht van de naar het goddelijke strevende
drang, die het onderscheidingsvermogen [het denkende beginsel, manas]
vertroebelt door twee bronnen van illusie: de macht van de zintuiglijke
indrukken en het hartstochtelijk begeren [maya en kama].’
Hoe vertroebelt maya onze kennis? Als we alleen op onze zintuigen vertrouwden,
dan zouden we tot de conclusie komen dat de zon in het oosten opkomt
en in het westen ondergaat en dat de zon dus om de aarde draait. Maken
we echter gebruik van manas dat ons kennis verschaft over de draaiing
van de aarde en de beweging van de planeten en sterren, dan komen we
tot een andere conclusie die de waarheid beter benadert. Er bestaan
subtielere illusies zoals uiterlijke schoonheid die ons een schijnbaar
hogere, idealere wereld voortovert; zij vlijt ons met verschillende
verlokkingen en werpt een aantrekkelijke sluier over de wereld van schijn.
Houdt men deze aantrekkelijke sluier voor de werkelijkheid. dan bezwijken
we opnieuw voor misleiding. De stuwende kracht achter deze misleiding
is begeerte.
Klingsor roept deze krachten van de begeerte op die ons dwingen tot
een schijnbaar eindeloze kringloop van wedergeboorte. rust en vervulling,
steeds op zoek naar bevrijding. Door zelfcastratie heeft Klingsor zich
met geweld onontvankelijk gemaakt voor begeerte. Hij heeft magische
kracht verworven over Kundry (begeerte, kama verbonden met de lagere
manas) en is in het bezit gekomen van de heilige speer (het denken,
de hogere manas). Nu is hij van plan met haar hulp in het bezit van
de Graal te komen: Kundry, die hier kama of het begeerte-denken vertegenwoordigt,
moet Parsifal verleiden, wals ze daarvoor met Amfortas deed. Kundry
lijdt door zichzelf: zij verlangt naar bevrediging en het tot rust komen
van haar eeuwige aandriften. Maar een ridder moet de duistere krachten
van de begeerte kunnen weerstaan, beheersen en veredelen – het
is tenslotte begeerte die ons ertoe brengt naar hogere dingen te streven.
Kundry weerstaat de verlokkingen van de magiër, maar als Parsifal
het gebied van Klingsor binnentrekt, bezwijkt zij voor de macht van
de tovenaar – het lagere denken voelt zich natuurlijk aangetrokken
tot zijn goddelijke oorsprong. De heftige liefde die zij echter voelt,
is het gevolg van begeerte. De tragedie is dus al voorbeschikt.
Als Parsifal het toverslot binnenkomt, verbergt Klingsor zich en verandert
het hele gebied in een tropische tuin waarin jonge meisjes dansen, gehuld
in zachtgetinte sluiers. Als Parsifal nadert, omhelzen ze hem en begint
het spel met de bloemenmeisjes. Het hoger zelf kan alleen met schoonheid
spelen; zodra iemand erdoor wordt gevangen, worden zijn krachten aan
het stoffelijk gebied gebonden. Maar de meisjes willen meer dan alleen
spel en dringen om hem heen. Terwijl hij hen met kracht terugdrijft,
roept Parsifal: ‘Laat dat! Mij vangen jullie niet!’
De eerste verleidingspoging door de kracht van misleidende schoonheid
is afgeslagen. Als Kundry echter binnenkomt en zijn naam roept –
Parsifal – schrikt hij omdat zijn moeder hem eens in een droom
op precies dezelfde wijze had toegesproken. De bloemenmeisjes verdwijnen
en Parsifal herkent de misleidende aard van de stoffelijke wereld. Nu
wordt hem de macht van de begeerte-wereld onthuld: Kundry wordt zichtbaar.
Zij vertelt Parsifal over zijn afkomst: Parsifal (de monade) verliet
de wereld van illusie en ging zijn weg, de geestelijke wetten volgend.
In de wereld van schijn is het onmogelijk zulke beslissingen te begrijpen.
Het leed van zijn moeder (zijn biologische afkomst) op zijn beslissing
is zo groot dat ze tenslotte sterft. Als Kundry vertelt over het verdriet
van zijn moeder toen hij wegliep op zoek naar hogere dingen, wekt zij
het mededogen van het hoger zelf voor het persoonlijk zelf. Parsifal
zinkt neer aan de voeten van Kundry en kwelt zich met hevige zelfverwijten.
Parsifal ondergaat hier misschien wel de grootste verleiding die een
strevend mens kan ondergaan. Overmand worden door medelijden bij het
zien van leed is velen, die terwille van het lenigen van leed hun goddelijke
idealen ontrouw werden, noodlottig geworden. In zijn toestand van zwakte
vertelt Kundry Parsifal over de grote liefde tussen zijn ouders; hij
geeft echter niet toe aan de fantasieën van Kundry maar ziet Amfortas
voor zich. Deze keer ziet hij niet alleen het lijden in het gebied van
de Graal, zoals in het eerste bedrijf. maar ondergaat hij het rechtstreeks.
Parsifal springt plotseling op met een gebaar van grote schrik en een
houding die wijst op een angstaanjagende verandering; hij drukt zijn
handen stevig op zijn hart alsof hij een folterende pijn te boven wil
komen. Hij roept: ‘Amfortas! De wond! De wond! Ze brandt in mijn
hart!’
Parsifal herinnert zich wat hij in de tempel van de Graal zag en ‘raakt
in een volledige trance’. Opnieuw ontwaakt in hem het inzicht
met het goddelijke verbonden te zijn. Hij is vervuld van diep mededogen
dat niet langer betrekking heeft op het persoonlijk zelf en ook niet
op het lijden van het geestelijk zelf (Amfortas), maar op het meest
innerlijke goddelijke hart van de schepping dat ons oproept tot bevrijding.
Het is mededogen met zijn eigen essentiële goddelijke natuur (atma-buddhi,
het hogere tweetal) die is geketend met de boeien van begeerte. Dit
mededogen met het goddelijke activeert de liefde van het goddelijke
en zet de wil in beweging om het proces van het bereiken van goddelijkheid
te voltooien.
Kundry probeert dit mededogen van Parsifal te verhinderen, maar hij
doorziet de demonische aard van haar poging. Kundry probeert Parsifal
te kussen, maar hij weert haar poging vastberaden af. Dit is het keerpunt
in het hele drama. Het bedrieglijk manoeuvreren van de zwarte magiër,
dat de val van Amfortas en de ridders van de Graal teweegbracht, wordt
door Parsifal doorgrond, wat hem in staat stelt een helder inzicht te
verwerven. Hij doorziet de verbijsterende aanvallen van zijn tegenstander
en hoort de roep van de goddelijke wil tot verlossing ‘door zijn
daadwerkelijk medeleven te tonen met het leed van de mensheid’.
(Citaat van Wieland Wagner).
Nu pas begint Klingsor zijn krachtigste aanval op de initiant. Door
middel van Kundry probeert hij de universele liefde te binden aan het
persoonlijke. Kundry onthult Parsifal de tragedie van haar bestaan en
haar eigen lijden en zegt:
Hij naar wie ik smachtte in dodelijk verlangen, die
ik herkende hoewel veracht en afgewezen, laat mij wenen aan zijn borst,
slechts voor één uur met u verenigd en, hoewel God en
de wereld mij verstoten, in u van zonden worden gezuiverd en verlost!
Parsifal herkent hier Klingsors verleidingsaanval op zijn wil tot verlossing.
Hij doorziet de wijze waarop de menselijke begeerte-natuur herhaaldelijk
hervorming veinst en ons aan de dingen van de stof bindt. Hij weerstaat
Kundry opnieuw en zegt: ‘Eeuwig zou je met mij verdoemd zijn als
ik, mijn zending vergetend, mij één uur overgaf aan je
omhelzing’.
De verleidingskunsten worden meer en meer geestelijk (geistig).
Kundry smeekt om medelijden en belooft Parsifal dat hij het goddelijke
zal bereiken. Maar de initiant begrijpt dat hij zich in geen geval door
de begeerte-natuur moet laten lijden; alleen als de begeerte wordt gebruikt
om het strevende menselijke ego te bevrijden zal het verlost worden.
Hij zegt tot Kundry: ‘Liefde en verlossing zal je deel worden
als je mij de weg naar Amfortas wijst’.
Kundry probeert opnieuw Parsifals verlossingsdaad voor zichzelf aan
te wenden: ze probeert hem te omarmen en smeekt hem medelijden te hebben.
Het is echter te laat: Parsifal bevindt zich al in een hogere staat
van bewustzijn. Hij stoot haar krachtig van zich af. De initiant heeft
de beproeving doorstaan. Kundry ontsteekt in razernij en vervloekt ‘de
dwaas’ in haar egoïstische zucht naar bevrijding. Ze probeert
hem te beletten de Graal te bereiken. Klingsor verschijnt persoonlijk
en werpt de speer naar Parsifal, maar Parsifal grijpt de speer en houdt
hem boven zijn hoofd: het lagere zinnelijke denken is omgezet in het
hoger gerichte denken. Parsifal zegt: ‘Met dit teken overwin ik
je betovering. Zoals de speer de wond sluit die je hem daarmee toebracht,
zo moge zij je misleidende schoonheid vernietigen in treurnis en verderf!’
In het licht van het hogere denken verkwijnt de demonische illusie;
Klingsors toverrijk verzinkt als door een aardbeving.
Het derde bedrijf. over de verlossing, vindt plaats in het gebied van
de Graal op de ochtend van Goede Vrijdag: overal in het rond bloeien
bloemen en begeerte beweegt zich door de hele natuur die ze tot nieuw
leven wekt.
Gurnemanz treedt op vanuit een eenvoudige kluizenaarshut als hij Kundry’s
geklaag hoort. Hij merkt bij haar een verandering op: het wilde in haar
is geweken. Ze laat zich door Gurnemanz wekken uit haar verstarring.
Haar enige verlangen schijnt te zijn de ridders van de Graal te dienen,
maar Gurnemanz vertelt haar over een verandering in het ridderschap:
de bron van goddelijke wijsheid is opgedroogd. Ieder zorgt nu voor zichzelf.
Intussen betreedt Parsifal het toneel in een zwarte wapenrusting, die
Wagner beschouwde als een symbool van wilskracht, de gevechtskracht
van het persoonlijk zelf. Hij zag de overwinning van de krachten van
de illusie als een daad van persoonlijke inspanning en strijd –
de invloed van de hogere wil temidden van het persoonlijke, aardse leven:
een sterk besef van [het lijden] kan het intellect
van de hogere natuur verheffen tot kennis van de betekenis van de
wereld. Zij in wie dit verheven proces plaatsvindt, wat ons door middel
van een passende daad bekend wordt, worden helden genoemd.
– Collected Writings of R.
Wagner, deel 10
Gurnemanz daagt de ‘vreemde’ uit zijn wapens op deze heilige
plaats neer te leggen. Dan steekt ‘Parsifal de speer voor zich
in de grond, legt schild en zwaard daaronder, opent zijn helm, neemt
die van het hoofd en legt hem naast de andere wapens, waarna hij in
stil gebed voor de speer neerknielt. . . Parsifal verheft de blik vroom
naar de punt van de speer.’
In het gebied van de Graal of buddhi, worden de wapens van
het persoonlijk bewustzijn geofferd aan de kracht van de intuïtie:
de helm van intelligentie, het schild van moed en het zwaard van de
actieve wil, terwijl de punt van de speer (het denken) het moment van
de hoogste concentratie vertegenwoordigt dat leidt tot intuïtief
begrip van de wereld. Nu herkent Gurnemanz de speer en ook de man die
eens de zwaan doodde. De speer is terug in het gebied van de Graal:
de kracht van de intuïtie schittert weer. Op de vraag waar hij
vandaan komt, antwoordt Parsifal: ‘Door dwaling en het pad van
lijden kwam ik; . . . Een boze vervloeking voerde mij langs ongebaande
wegen en nooit vond ik het pad naar genezing; talrijke gevaren, gevechten
en twisten dwongen mij van het pad, zelfs als ik dacht het te kennen.’
Gurnemanz vertelt dat sinds Titurels dood de toestand van de Orde slechter
is geworden: de intuïtie is volkomen verloren gegaan en de Graal
zelf blijft in het heiligdom opgesloten. De ridders voeden zich nu nog
slechts met dogma’s. Parsifal springt op in hevige pijn –
hij voelt zich verantwoordelijk voor het lijden van de ridders omdat
hij, de uitverkoren ‘Verlosser’, is bezweken voor maya (illusie).
Amfortas moet op de dag dat zijn vader wordt begraven het heiligdom
openen waarin de Graal is verborgen. Gurnemanz wil Parsifal naar hem
toe brengen. Maar eerst vindt een van de meest betekenisvolle scènes
van de opera plaats: terwijl Kundry de voeten van Parsifal wast, ontwaakt
in hem het volle besef van zijn opdracht. Als eenmaal de reiniging en
zuivering van het persoonlijk zelf (de voeten) heeft plaatsgevonden,
gaat Gurnemanz ertoe over zijn hoofd te zalven – zijn geestelijk
vermogen tot oordelen binnen het persoonlijk zelf moet eveneens zuiver
en vlekkeloos oplichten – wat het persoonlijk zelf in staat stelt
uit vrije wil verenigd te worden met het goddelijk zelf.
Parsifal is daarmee Koning van de Graal geworden. Zijn eerste taak
is Kundry te dopen: de begeerte-natuur wordt in de gemeenschap opgenomen
als een voor de ontwikkeling noodzakelijk element en wordt de stuwende
kracht van zuivere goddelijke liefde. Dat de begeerte niet langer het
lagere dient, maar het hoger zelf, brengt een ommekeer teweeg in de
hele natuur. Gurnemanz zegt het als volgt: ‘Zo brengt de hele
schepping dank, al wat hier bloeit en snel verwelkt, nu de natuur, bevrijd
van zonde, vandaag haar dag van onschuld verwerft’. Parsifal kust
Kundry dan teder op het voorhoofd.
In de verte hoort men klokgelui. Bij het naderen van de tempel van
de Graal, wordt tijd opnieuw ruimte en wordt het binnenste van de tempel
zichtbaar. Het is hetzelfde toneel als aan het einde van het eerste
bedrijf, alleen donkerder. Twee rijen ridders betreden het toneel, de
ene draagt de doodskist van Titurel, de andere Amfortas op zijn doodsbed.
De ridders zijn zich ervan bewust dat ze zonder de scheppende kracht
van de intuïtie van de Graal gedoemd zijn te sterven. Ze zijn niet
sterk genoeg het heiligdom zelf te openen en dringen er voortdurend
bij Amfortas op aan dat te doen, maar hij is door zijn ondraaglijke
pijn niet meer in staat het heiligdom te openen. Hij vraagt de ridders
hem te doden omdat niemand in staat is de wond te dichten.
Op dat ogenblik breekt de goddelijke liefde van het hoger zelf door:
Parsifal betreedt de zaal, begeleid door Gurnemanz en Kundry en terwijl
hij de wond aanraakt met het einde van de speer zegt hij: ‘Slechts
één wapen deugt: alleen de speer die u trof kan uw wond
helen’. Het persoonlijke denken dat neigt naar de dingen van de
aarde, veroorzaakte de kloof in de menselijke natuur; het intuïtieve
denken sluit de spleet tussen de geestelijke en de op de aarde gerichte
polen. Parsifal vervolgt: ‘Wees genezen, vergeven en ontdaan van
zonden! Want ik zal nu uw taak vervullen. Gezegend zij uw lijden, dat
de bange dwaas de kracht van mededogen en de macht van zuiver weten
schonk!’
Parsifal loopt naar het midden van het toneel, houdt de speer hoog
boven zich en zegt: ‘Ik breng u de heilige speer terug!’
Allen kijken eerbiedig naar de geheven speer; Parsifal richt de blik
op de punt daarvan en zegt:
O verheven vreugde van dit wonder! Deze, die uw wond
kan genezen, daaruit zie ik heilig bloed stromen, verlangend naar
die verwante bron die stroomt en bruist binnen de Graal. Niet langer
zal die verborgen blijven: onthul de Graal, open het heiligdom!
[Parsifal bestijgt de altaartreden, neemt de
Graal uit het nu door de schildknapen geopende heiligdom en knielt
daarvoor in stil gebed en overpeinzing. De Graal begint te stralen
met een zacht licht, waardoor de duisternis eronder toeneemt en het
licht daarboven wordt versterkt.
Een lichtstraal: de Graal straalt op zijn sterkst.
Uit de koepel daalt een witte duif omlaag en blijft zweven boven het
hoofd van Parsifal. Kundry zinkt langzaam levenloos op de grond voor
Parsifal, de blik op hem gericht. Amfortas en Gurnemanz knielen als
eerbetoon aan Parsifal, die de Graal zegenend beweegt boven de in
eerbied verzonken broederschap van ridders.]
Met deze toneelaanwijzingen voor de slotscène vat Wagner de
uiteindelijke triomf van de heldenziel samen. Door de daad van Parsifal
richt het aan de aarde gebonden denken van de mens zich weer omhoog
naar het goddelijke; de kracht van de scheppende intuïtie stroomt
weer door alle gebieden. Bijgevolg wordt de verstarde geestelijke traditie
van Titurel opnieuw van leven doortrokken en staat hij op uit zijn doodskist.
De goddelijke geest, gesymboliseerd door de duif, zweeft boven Parsifals
hoofd, wat wil zeggen dat het bewustzijn van het hogere ego haar aangeboren
goddelijke natuur ervaart. Dit betekent de transformatie tot iets dat
volkomen nieuw is; het bereiken van meesterschap.