Het koninkrijk der hemelen in ons
Katherine Tingley

 

Vertaald uit de The Wine of Life, blz. 10-4.



In ons sluimeren goddelijke eigenschappen, de spirituele dingen die het teken van onze onsterfelijkheid zijn, want hier, in het hart, bevindt zich het koninkrijk der hemelen en het enige goed dat een mens nodig heeft, is zich bewust te worden van zijn eigen goddelijkheid. Die is er, een scheppende kracht in ons, die maakt dat wie geduldig volhardt en werkt, de vruchten van zijn inspanningen zal zien: de mensheid, verheerlijkt en tot het doel gebracht dat, naar zijn hart hem zegt, kan worden bereikt.

Zij die, in geboorte na geboorte en in ronde na ronde, de scholen van de ervaring hebben doorlopen en zich boven de spanning en smart van de wereld hebben verheven, en nu op hun beurt de wereld van haar spanning en smart kunnen genezen, zullen uiteindelijk een nieuwe wijze van leven brengen; wat ze opbouwen zal nieuw zijn – een type beschaving, hoger dan alles waarover we ooit hebben gelezen of wat we ons ooit zouden kunnen voorstellen. Het denken van de mens zal zich ontplooien in een atmosfeer van universele broederschap; de aarde zal haar geheimen prijsgeven en de sterren zullen het grootse mysterie van hun leven onthullen.

Hoevelen geloven dat het mogelijk is het koninkrijk der hemelen op aarde te vestigen? Zelfs de meesten van hen die zoals men dat noemt geestelijk zijn ingesteld, gaan in gedachte als ze erover nadenken naar verre ruimten; toch is het hier, in het hart: het is in de mens, het is op aarde en we kunnen er binnengaan omdat we deelhebben aan het universele plan.

De mogelijkheid het menselijk leven te verruimen en de ziel te doen groeien kent geen grenzen – de natuur is door en door weldadig; de universele wetten die ons onder hun hoede hebben zijn volkomen betrouwbaar. De god in ons streeft er altijd naar ons tot dat hogere leven te brengen, dat alleen wordt geleefd voor het welzijn van de mensheid; de ziel van de mens roept het menselijk verstand voortdurend op te luisteren, te gehoorzamen en zich te bevrijden.

De ziel is niet iets om aan de kant te worden gezet en, als het ware, een poosje te worden opgeborgen om zo nu en dan te voorschijn te worden gehaald. Ze is dat edeler deel van ons wezen dat is opgewassen tegen alle omstandigheden en deze met geduld en moed tegemoet treedt – de kracht die vaak ongemerkt het leven van een mens binnenstroomt en hem opheft boven al het verstandelijk denken naar het grootse, brede pad van dienen. Zij moet de vrijheid, de armslag en het ruime werkterrein krijgen waaraan ze behoefte heeft.

De kennis ervan komt niet op opzienbarende of magische wijze – is niet te koop, maar alleen te verwerven als de emotionele en begerige natuur van de mens zich ondergeschikt maakt aan de innerlijke god. Het is een kennis die ongemerkt tot ons komt in de rustige uren van de nacht en op al onze momenten van vrede, wanneer we onze medemensen dienen en geen andere beloning verlangen dan de glorie die in de stilte straalt op hem die het uiterste heeft gedaan en de gemoedsrust die ten deel valt aan hen die streven. Ze kan tot ons komen bij de nietigste daden: als we op ons best zijn en opgaan in wat het zuiverste en edelste is; als we in wanhoop verkeren maar toch vasthouden aan onze hoogste idealen en dromen. Er gebeurt iets dat ons treft en we zeggen: die wil van mij, die zo even nog weifelde, beknot en onderdrukt was, is vrij; nu kan ik met volmaakt vertrouwen uitzien naar de dag van morgen en de eeuwigheid.

Het is kennis die van binnenuit moet worden opgeroepen: iedereen moet haar door eigen inspanning verdienen. Ze kan niet in woorden worden overgebracht – door de grootste zieners niet worden verklaard en door de grootste redenaars niet worden verduidelijkt. Iedereen moet in zichzelf het licht en de sleutel zijn, het vuur en de verlossende impuls vinden die zijn denken bevrijden en het ontvankelijk maken, zoals bloemen zijn voor het zonlicht; hij moet zich bewust worden van de schoonheid van de ochtend en opgaan naar de bergtoppen van licht. Maar als een mens haar uit eigenbelang zoekt, dan zullen al zijn inspanningen hem niet helpen. Hij moet het doen voor de redding van de mensheid, in het besef dat er op innerlijke gebieden geen afgescheidenheid bestaat, dat we allemaal broeders zijn en onze broeders hoeder en dat pas als we werkelijke kennis krijgen van het innerlijk zelf in ons, we onze andere zelven, onze medemensen, kunnen verstaan. We moeten de subtiele en ingewikkelde wisselwerking tussen de verschillende delen van ons eigen wezen en hun functie begrijpen, voor we er aanspraak op kunnen maken de wetten van het universele leven te begrijpen.

Op elk moment, in ieder leven, kan het uur van openbaring nabij zijn. Daar is niet een bepaalde tijd of periode voor nodig, niet het begin of einde van een uiterlijke cyclus. Ergens in onszelf, in regionen waar niet het intellect vertoeft, maar wel de verbeeldingskracht die er ten volle haar grootheid kan ontplooien, zijn we voortdurend, zij het met tussenpozen, in aanraking met het oneindige en staan we op de drempel van ongekende mogelijkheden en waarheden. We kunnen putten uit bronnen, grootser dan waarvan we ooit droomden.

De verbeeldingskracht is niet het speciale bezit van geniale mensen met uitzonderlijke talenten, maar een kracht die iedereen is aangeboren, en dat wat een ieder zou kunnen helpen zijn ziel te vinden. Ze is de dienares van de god in de mens en onze gids in dat koninkrijk der hemelen in ons, dat het gebied is van het denken waar de ziel spreekt tot hart en geest in de stille schuilhoeken van ons leven. Op die momenten, waarop wij het verhevene naderen en we ons op overweldigende wijze bewust worden van de universaliteit van het goddelijk leven en van de goddelijke mogelijkheden die in de mens sluimeren; momenten waarop de stilten van de grootse natuur ons de aanwezigheid verkondigen van de god in ons en we de nabijheid, het gezelschap, voelen van dat wat we niet wagen te beschrijven, maar ons in zijn universele aanwezigheid ertoe aanzet onze gedachten en gevoelens voor de spiegel van deze oneindige schoonheid iets plechtigs en groots mee te geven – in de tempel van deze majesteit – in een houding van grotere eerbied . . . in stilte.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency


 

Het hart van het heelal is de bron van vrijheid. Wat betekent dit voor de mens? In welk opzicht en in hoeverre is hij vrij? Hij is vrij met de volmaakte vrijheid van de onbelemmerde natuur, voor zover hij uit het hart van het heelal kan putten, voor zover hij in het oneindige en eeuwige kan leven, en voor zover hij de ziel van de natuur tot de zijne kan maken.    – Edmond Holmes