Een nieuwe kijk op het grenzeloze
Wim Rinsma

 

Wij vormen met alle levende dingen een onverbrekelijk geheel in de onbegrensde ruimte en leren door onafgebroken inspanningen en ervaringen in leven na leven, geleid door karma. Geestelijke evolutie betekent uitbreiding van bewustzijn en van latente vermogens, langs het naar binnen gerichte pad, naar de wijsheid, inspiratie en de beschermende kracht van onze ingeboren, onvergankelijke godsvonk. Deze monade is op zijn eigen verheven niveau ook een zich ontwikkelende ‘pelgrim’ die in talloze evoluerende heelallen vorderingen maakt. Deze kosmoi verschijnen periodiek, met tussenpozen van enorme duur, uit hun geestelijke bron en belichamen zich in stoffelijke werelden, die zij binnentreden en verlaten via ‘verdwijnpunten’. Na een transformatieproces keren zij naar de geestelijke rijken terug voor een rustperiode. Mensen illustreren dit proces op hun eigen schaal: we sterven, komen gedurende een lange periode in een toestand van gelukzaligheid en volmaakte rust, reïncarneren dan en beginnen een nieuw bestaan. Heelallen met hun (naar ik veronderstel) prachtig gekleurde hemelkoepels zijn op hun beurt begrensde, maar intrinsieke delen van een onvoorstelbaar Wezen waarin, zoals de bijbel het uitdrukt: ‘Wij leven, bewegen en ons bestaan hebben.’ Over dit onderwerp zegt G. de Purucker:

     Niettemin krimpt deze superkosmische entiteit, vergeleken met de grenzeloze oneindigheid, ineen tot de dimensies van een dimensieloos punt, om een paradox te gebruiken. De superkosmische entiteit zelf is slechts een levensatoom in het wezen in het lichaam – van een andere, nog veel grotere entiteit.      – The Dialogues of G. de Purucker 3:114

     Alles bestaat op gebieden van de grenzeloze, ongeschapen ruimte in de duur, bezield en geleid door een uiteindelijk onkenbare intelligentie – een eeuwig mysterie dat wij het Goddelijke noemen en waarvan onze eigen godsvonk een deeltje is. De grenzeloze ruimte wordt soms omschreven als Dat, want het is onmogelijk haar te definiëren zonder haar te beperken – ze gaat ons begripsvermogen volkomen te boven. Daarom wordt gezegd dat de wijzen uit de oudheid nooit zo dwaas waren om te proberen haar te bevatten.
     Maar is ons vermogen om de uitgestrekte gebieden van de uiterlijke ruimte te begrijpen niet gelijk aan ons vermogen ieder moment een glimp te ervaren van de uitgestrekte gebieden van de innerlijke ruimte van onze goddelijke bron een eindeloos ontwikkelingsproces?

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency