Hoe reageren we op het leven?
Jim Belderis

 

Er is een heel oude traditie die iedere vorm van bestaan ziet als een voertuig van bewustzijn. Van het mineralenrijk en de elementen van de natuur tot de planeten en de sterren – alle hebben ze een vorm van bewustzijn. Elk reageert op het leven op een heel subtiele wijze, die onze menselijke zintuigen niet kunnen waarnemen. Er zijn levende krachten waarvan het bewustzijn meer elementair is dan het onze en waarvan de reacties veel beperkter zijn. Er zijn er ook die verder ontwikkeld zijn en op een breed spectrum van de natuur reageren – op zowel rijken boven ons, als onder ons.
     Omdat al wat leeft zich langs dezelfde evolutionaire ladder ontwikkkelt, zijn onze eigen bewustzijnscentra door elk lager rijk gegaan om ons potentieel te ontvouwen en daarbij de voertuigen te ontwikkelen om dit tot uitdrukking te brengen. Tijdens deze doortocht deden we levenservaringen op onder de elementale krachten van de natuur, in het lichaam van de aarde en door middel van de voertuigen van planten en dieren. Zelfs in onze huidige menselijke vorm zijn er bewustzijnscentra in ons, die nauw met de andere rijken zijn verbonden. Deze centra zijn bijzonder gevoelig voor andere levensvormen, omdat ze in hun evolutie nog steeds dicht bij hen staan.
     Eén manier om een idee te krijgen van deze nabijheid is met meer aandacht te kijken naar dingen waar we veel van houden. Hoezeer ook deze dingen in onze stoffelijke waarnemingen bestaan, ze leven eveneens in onze gedachten en emoties met ongrijpbare, maar voor ons heel reële eigenschappen. Misschien betrappen we ons er zelfs op te reageren alsof het levende dingen betreft. Het is niet ongewoon een dergelijke band te hebben met de aarde, met de werkingen van water, wind en vuur. Voelen we misschien de vitaliteit aan van de onzichtbare wezens, die de elementen van de natuur bezielen?
     We kunnen ook een bijzondere sympathie hebben voor een bepaalde vorm van materie. Een geologische formatie, een reusachtig rotsblok, een edelsteen deze en andere leden van het mineralenrijk oefenen om verschillende redenen aantrekkingskracht op ons uit. We resoneren vaak met hun energie, schoonheid, majesteit of met hun vrede. Er kunnen momenten zijn dat we voelen dat zij bewust op hun omgeving reageren, op licht en warmte, duisternis en kou, veranderingen in het weer en zelfs op onze eigen emoties. Als we helemaal geen reactie waarnemen, is onze natuurlijke affiniteit dan vervangen door kunstmatige gedachten, die ons in beslag nemen?
     Dezelfde vraag zou van toepassing kunnen zijn op de wezens van elk rijk. Onze geest kan zo worden overheerst door de eigen abstracte gedachten, dat we het leven om ons heen niet opmerken. Het enige middel dat ons altijd van deze overheersing bevrijdt, is onze zorg voor anderen. Dit verruimt niet alleen ons eigen bewustzijn, het verheft ook het bewustzijn van de wezens waar we zorg voor dragen. Denk aan de planten en de dieren, die ons bijzonder dierbaar zijn en aan alle manieren waarop zij op onze aanwezigheid, onze daden en onze geestelijke instelling reageren. Hun gedrag vertegenwoordigt een groeiend bewustzijn en wij mensen helpen hen dit te ontwikkelen.
     Maar wie helpt ons in onze evolutie? Welke hogere wezens zijn zo begaan met de mensheid dat hun gedachten en daden ons denken en ons hart verheffen? Dat zijn de geestelijke leiders van de mensheid, de inspirators van wijsheid en mededogen, de grote wijzen en zieners die de wereld openlijk van hun visie deelgenoot maken en zij die een verborgen leven van dienen leiden. De stichters van de wereldreligies, de baanbrekers op het gebied van filosofisch denken en wetenschappelijk onderzoek, de grootmoedige zielen die onze diepste aspiraties doen ontwaken – wie kan de invloed bepalen die zulke leraren uitoefenen? Ze kan zo indringend zijn dat, wanneer we ervoor open staan, ons bewustzijn in een flits van verlichting door hen kan worden geraakt. Misschien herkennen wij hen niet in hun fysieke vorm en sommigen van hen leiden mogelijk een bewust bestaan dat we fysiek niet kunnen waarnemen, maar toch is er in ons een ontwakend centrum van hoger bewustzijn, dat heel dicht bij hen staat. En zij helpen ons het te ontvouwen.
     Het doel van het leven is blijkbaar dit proces van het ontvouwen van ons innerlijk potentieel, dat nauw is verbonden met wezens die dat potentieel al hebben ontwikkeld. We evolueren door onze zorg voor andere levens – zowel boven als onder ons – omdat we innig met hen zijn verbonden. Onze lagere natuur is opgebouwd uit evoluerende bewustzijnscentra, die nog deel uitmaken van de lagere rijken van de natuur. Door te zorgen voor dieren, planten en de aarde, zorgen we letterlijk voor onze eigen familie.
Ons hoger zelf behoort in essentie tot het rijk van de geest. Als we de band onderhouden tussen ons en de grote zielen die de mensheid verheffen, dan inspireren zij ons tot het opwekken van onze eigen goddelijke mogelijkheden.
     Wat is de aard van deze goddelijke kracht? Een onbeperkte aandacht en zorg voor het leven. Er zijn wezens die zoveel wijsheid en mededogen hebben ontwikkeld, dat ze de eenheid van alles, waarop ze toezien, ten volle beseffen. Zij zijn de beschermers, die waken over al wat leeft in elke cyclus van de aarde. Als de meest geestelijke inspirators van de mensheid leiden ze ons op geheime en onzichtbare manieren en brengen de grootsheid naar boven die sluimert in ieder van ons, de grootsheid die ontspringt aan een zorgvol hart en een begrijpend verstand.
     Toch is er één, zo wordt ons gezegd, die nog meer overziet, die waakt over alle levens op deze aardbol. Eeuwen geleden, voordat het denken van de kind-mensheid werd ontstoken, was er iemand die al een diep gevoel van een alles-omvattende eenheid had ontwikkeld, die zich in hoge mate bekommerde om de lagere rijken en ook besefte met de goden verbonden te zijn. Toen die goddelijke wezens door mededogen werden bewogen het denken van de mensheid te doen ontwaken, werd deze grote ziel de eerste werkelijk verlichte mens, de eerste die de gelukzalige eenheid van zuiver bewustzijn opgaf terwille van allen die goddelijke inspiratie nodig hadden. Deze menselijke hiërarch leeft door de eeuwen heen als een zelfbewuste kracht onder ons, een aanwezigheid, zo meelevend en vol zorg, dat hij met stil mededogen over ons waakt. Ieder die door het goddelijke is geïnspireerd, heeft de invloed van dit wonderlijke wezen gevoeld, dat één is met het hoogste in ons, de schakel tussen ons en het goddelijke, het hoogste punt van onze eigen hiërarchie en onze verbinding met de goden.
     Dit perspectief van een evoluerend bewustzijn kent in feite geen einde. Boven ons zijn er steeds grotere gebieden van groeiend bewustzijn, zoals er ook steeds kleinere gebieden onder ons zijn. Er is zelfs een evoluerende hiërarchie in ons – de menigten levens die alle niveaus van onze samengestelde natuur vormen. Elk van deze innerlijke ‘rijken’ heeft zijn eigen manier van reageren op wat het waarneemt en alle leren zij met andere levensvormen samen te werken en meer gevoelig te worden voor andere wezens. Maar één daarvan heeft de mogelijkheid alle andere te helpen of te hinderen – het rijk van het denken.
     Telkens wanneer ons denken door fysieke waarnemingen in beslag wordt genomen, hebben gedachten de neiging te blijven stilstaan bij de beperkingen van de materie. Onze werkelijkheid kristalliseert zich uit in zichtbare vaste vormen die geen diepere betekenis hebben, omdat we, om de wereld te leren kennen, afhankelijk zijn van onze heel beperkte zintuigen. Een dergelijke houding kan de groei van andere vermogens verlammen, waarvan we de levenskracht nodig hebben om lusteloosheid en verveling of een harteloze en verstarde zienswijze te vermijden. Maar zelfs deze beperkte houding draagt de zaden in zich die ons bestaan kunnen bezielen. Een enkele zorgzame gedachte kan een fysieke vorm een grotere realiteit verschaffen, en kan ons meer ontvankelijk maken voor wat werkelijk leeft. Gedachten van mededogen kunnen vaak een inzicht geven in de werkelijke betekenis van het leven, omdat we ons vereenzelvigen met het voorwerp van onze zorg. Hoe veelomvattender deze vereenzelviging is, des te beter zien we in dat dezelfde vitale kracht in elk levend wezen aanwezig is.
     Intuïties van deze soort zijn hogere wezens in het rijk van het menselijk denken, omdat ze de bewuste kwaliteit van onze gedachten verheffen. Ze zijn onze eigen inspirators van wijsheid en mededogen. Ze kunnen de basis leggen voor een leven van inzicht in wetenschap en filosofie en kunnen de aanleiding zijn voor de meest diepzinnige religieuze ervaringen. Zulke intuïties van eenheid hebben het vermogen ons hele bewustzijn te beïnvloeden. Misschien herkennen we de invloed ervan op ons leven niet en sommige intuïties kunnen ons op onzichtbare wijzen doen veranderen – toch zijn het levende, spirituele gidsen, die ons steeds dichter bij hun visie van eenheid brengen.
     Er is een deel van onze geest dat zelfs nog meer ziet, het deel dat het zorgzaamst is, maar in stilte moet toezien. Onze eigen Stille Wachter, die één is met ons hele wezen, heeft begrip voor al onze beperkingen, maar ziet achter deze beperkingen onze onbeperkte mogelijkheden. Met oneindig mededogen kijkt ons diepste bewustzijn hoe we ons aan onze illusies vastklampen, hoe we de meeste zorg besteden aan ons lichaam, onze emoties en ons intellect. Maar ondanks al onze fouten zijn er momenten waarop we beseffen dat het diepste deel van ons toeziet, niet alleen op onze bedrieglijke kijk op het leven, maar ook op ons ware zelf. Dat is het zelf dat geleidelijk in ons bewustzijn tot ontwikkeling komt, het zelf dat zich om anderen bekommert, omdat het zich van onze innerlijke verbondenheid bewust is. Telkens wanneer we de drang voelen om de dingen, die ons van onze medemensen scheiden, los te laten, volgen we de visie van de grote inwijder in ons. We beginnen te beseffen wie we werkelijk zijn.
     Dit begrip wordt in ons geboren als we ons voor anderen om ons heen bekommeren. Het ontwikkelt zich naarmate we leren reageren op de verborgen identiteit in ons en in ieder levend wezen. Het komt tot uitdrukking in onze relatie met alles waarvan we houden. Het doordringt ons denken als een mysterieuze levende kracht die ons verbindt met een heelal van oneindig denken. Het is onze schakel met de groten die het denken inspireren, met de beschermers van de geest en met de godheid van stille zorg, in wie we leven, bewegen en ons bestaan hebben. Hoe dicht staan we bij deze godheid? We zijn er slechts één gedachte vandaan.

 

Uit het tijdschrift Sunrise sept/okt 1994

© 1994 Theosophical University Press Agency