Brengers van geschenken
Madeline Clark

 

Wij in onze drukke moderne wereld zijn in het algemeen vergeten dat Apollo ooit aanklopte aan de poort van Koning Admetus en bij hem in dienst trad; en toch is dat oude Griekse verhaal een symbool van iets dat in de geschiedenis van de mens op aarde meer dan eens moet hebben plaatsgevonden. Apollo – zo luidt het verhaal – had de cyclopen verslagen en werd daarvoor door Zeus, zijn vader, veroordeeld om af te dalen naar de aarde en voor de duur van een sterfelijk jaar nederige arbeid te verrichten. Dus pakte hij zijn stralende zonnepracht bijeen onder zijn mantel en daalde af, klopte aan de poort, werd toegelaten en werd herder bij koning Admetus van Thessalië.
     Hij moet een vreemde werkman hebben geleken in de ogen van zijn collega’s, zoals hij daar ieder uur prachtige melodieën zat te spelen op zijn lier, of er talloze uren aan besteedde hen te leren muziek te componeren, of te dichten, of hen te onderrichten in de geneeskunst. Toch floreerden de kudden van koning Admetus onder zijn hoede en ze breidden zich uit; de velden droegen rijkere oogsten aan graan en de wijngaarden aan druiven; alles wat hij zegende met zijn aanwezigheid gedijde en verkreeg daardoor een glans van schoonheid. Dan, aan het eind van het jaar, verdween de nieuwe herder even geheimzinnig als hij was gekomen en de arbeiders die in het veld waren achtergebleven keken elkaar aan en begrepen dat een god hun pad had gekruist.
     Dit oude verhaal bevat elementen die aanwijzingen geven hoe geestelijk onderricht tot de mensheid komt. De komst van Jezus, zijn korte verblijf op aarde, waarbij hij op alles en iedereen in zijn omgeving een goede invloed uitoefende, toont hetzelfde patroon. Zelfs de vertrouwde teksten van Johannes wijzen op een soortgelijk geval: ‘En het Woord is vlees geworden en heeft onder ons gewoond, . . .’ (1:14); ‘Ik ben gekomen opdat zij het leven hebben en overvloed hebben. Ik ben de goede herder: de goede herder geeft zijn leven voor de schapen’ (10:10-11).
     Als we met begrip terugzien op het religieuze leven in andere tijden en van andere volkeren, ontdekken we dat bij de ene of de andere groep onder de mensheid het goddelijke op het geschikte cyclische moment de aarde heeft bereikt via de persoon van een grote leermeester, van wie de leringen in wezen waren bedoeld voor de gehele mensheid, maar opgesteld en geformuleerd voor de groep die hij bezocht. En toen hij weer uit hun gezichtsveld verdween, had hij zijn volgelingen oneindig veel rijker aan hoop achtergelaten, voorzien van een vernieuwd besef van de zuiverheid in het hart van al wat is, voorzien van leringen die eindeloze uitdagingen boden tot groei en verlichting. Alle grote historische bronnen, de literatuur, de kern van de religies en volkstradities, hebben iets behouden van deze waarheden die ons hebben bereikt via de heilanden van de transcendente en innerlijke werkelijkheid. De geest van werkelijke religie gaat uit boven de beperkingen van vaste of plaatselijke geloofsovertuigingen en zorgt ervoor dat alle volkeren van deze aarde het goddelijke op hun eigen wijze benaderen, een eigen benadering die bij hen past. Maar het goddelijke dat zij in hun bewustzijn toelaten en de god die ons aanspoort naar beste kunnen te handelen, zijn een en dezelfde.
     In het geval van westerse volken zette Jezus Christus in de drie belangrijkste jaren van zijn zending een kettingreactie in gang waardoor wij er nog steeds naar streven elkaar lief te hebben, te vergeven, en anderen te behandelen zoals wijzelf behandeld willen worden. Het lijkt erop dat we tot nu toe weinig aandacht hebben geschonken aan zijn andere uitdaging: ‘Gij zijt goden’, en aan het feit dat hij hen die tot hem kwamen de macht schonk ‘om kinderen Gods te worden’ (Joh. 1:12), zoals hij. Misschien hebben we ons nog niet aan zijn woord durven houden. Ook hebben we de betekenis van de beroemde gelijkenissen nog niet kunnen ontwarren. Maar geef ons tijd . . .
     Er zijn bepaalde jaargetijden, waarvan er twee hun hoogtepunt hebben in het kerst- en het paasfeest, waarin we de schoonheid, die Jezus en andere verlichte figuren ons hebben nagelaten, weer dicht naderen en we opnieuw beseffen dat het goddelijke onze weg heeft gekruist. De geestelijke bezieling, die aan de mensen werd gebracht om haar werk onder hen te doen, gaat zó niet verloren, maar begint zich meer te manifesteren naarmate de mensheid in haar groei beter in staat is de invloed ervan te ondergaan.
     Gautama de Boeddha zette de mensen aan het denken – en dat doen ze nog steeds – over de vergankelijkheid van alle zichtbare dingen, van door mensen gevormde instellingen en ook van de mens zelf in een bepaalde fase of toestand. Toch predikte hij tegelijk daarmee eerbied voor alle leven en een juiste levenswijze. Het Westen beschouwde vroeger de gedachte van vergankelijkheid met afkeer, als een sombere, deprimerende en vreugdeloze leer. Maar in deze eeuw van snelle veranderingen is de voorbijgaande aard van dingen en instellingen zo duidelijk, dat dit deel van de filosofie van de boeddha bewezen lijkt te zijn. Christus predikte hetzelfde toen hij in de Bergrede zei: ‘Vergaart u geen schatten op de aarde, waar ze de mot en de roest verderft en waar de dieven doorgraven en stelen; maar vergaart u schatten in den hemel . . .’ (Mattheüs 6:19-20).
     Er valt een ander licht op deze gedachte als men gaat beseffen dat de leer van vergankelijkheid niet het hart en de kern van Boeddha’s leer is, maar in zekere zin een bijkomstigheid die ondergeschikt is aan zijn bredere beeld van het heelal en de verplichtingen van de mensheid aan en binnen dit heelal. Zoals Sir S. Radhakrishnan stelt in zijn verhandeling over ‘De leer van Boeddha door te spreken en te zwijgen’, heeft deze leerstelling dat ‘alles een worden is en vergaan’ haar parallel in een latere ontdekking van de moderne wetenschap dat het universum niets anders is dan een opeenvolging van gebeurtenissen. Hijzelf komt met de tot nadenken inspirerende uitdrukking, ‘een verandering met continuïteit’.
     De ware kern van Boeddha’s leer kan worden omschreven als dharma, die zich manifesteert als de werkelijkheid in alle dingen – die zich in de mens manifesteert als de hoogste plichtsbetrachting. Want als we onze natuurlijke en eenvoudige plicht doen en geen gehoor geven aan de stem van onze koppige begeerten, geven we in feite uitdrukking aan de hoogste werkelijkheid op aarde. Als we in dit continent van denken, dat door de grote brengers van geschenken van alle tijden voor ons is opgebouwd, zoeken naar een werkelijk nuchtere en praktische gedragslijn voor ons dagelijks leven, zullen we nauwelijks een gedachte vinden die inspirerender is of die een diepere betekenis geeft aan juist handelen.
     Een andere oude opvatting die nog steeds leeft is afkomstig van de zarathoestra’s van de prehistorische Perzische rassen: de algemeen geldige filosofie van dualiteit in de natuur en in onszelf – het positieve en negatieve, het licht en donker, het constructieve en destructieve – dat nu zo gemakkelijk herkenbaar is in de wereldsituatie en in onszelf. Maar deze filosofie laat geen twijfel bestaan over de uiteindelijke overwinning van de samenvoegende kracht over de ontbindende, want het kwade bevat in zichzelf niet datgene wat blijvend is.
     De volgelingen van Zarathoestra houden het heilige vuur nog steeds brandende; het vuur, dat zij kennen als het symbool van het goddelijke en van de goddelijke vonk in de mens, die alleen kan blijven branden door liefde, trouw en ‘de welbewuste gehoorzaamheid van een begrijpende geest’. Even belangrijk zijn goede gedachten, goede woorden en goede daden, want als aspiratie niet tot uitdrukking komt in daden, wordt de heilige vlam niet op de juiste wijze gevoed. Bovendien moet ieder van ons volledig vrij zijn te kiezen welk van de twee paden – die door Ahura Mazda, de verhevene, werden aangegeven – hij wil inslaan en volgen, want alleen zo kunnen we ware zielekracht verwerven. Dit laatste wordt volgens de geleerde kenner van de leer van Zarathoestra, Irach J.S. Taraporewala, beschouwd als zijn edelste leer.
     Andere stromen uit de onuitputtelijke bron van het goddelijke kwamen via de prehistorische geestelijke erfenis van Hermes en Orfeus, en in China via de geheimzinnige Lao Tse, die toen hij oud was in westelijke richting reisde en verdween, en aan de mensheid als erfenis naliet wat de Chinezen ‘de blauwe parel van onsterfelijkheid’ noemen, besloten in het begrip tao: universele eenheid en harmonie, en in de mens wijsheid en deugd in de juiste interpretatie van het gebod: ‘Het is de weg van de hemel om niet te streven’.
     Steeds wanneer we de leringen die worden gevolgd door elk van de grote religieuze groeperingen binnen de menselijke familie onder de loep nemen, moeten we tot de conclusie komen dat elk ervan in een bepaalde periode in haar geschiedenis getuige was van een incarnatie van het goddelijke. De samengestelde aard van het menselijk leven op deze aarde, de oneindige verscheidenheid aan eigenschappen van lichaam, denken en temperament – kunnen nooit in één enkel patroon worden samengevat. Maar hoe dieper we graven onder deze uiterlijke verschijnselen, hoe dichter we die eenheid naderen waar zo naar wordt verlangd en die zo weinig wordt begrepen. We hebben nog nauwelijks een begin gemaakt met het onderzoek dat eens de verschillende filosofieën zal samenbrengen, en zal onthullen dat ze in hun oorspronkelijke zuiverheid alle via verschillende boodschappers voortkomen uit een gemeenschappelijke bron. Want we kunnen beslist aannemen dat de beschermende godheden nooit enig deel van het mensenras hebben vergeten of genegeerd.
     Het besef groeit onder ons dat alle leven is onderbouwd door, en steunt op een universele goddelijke wet van hoogste liefde en harmonie, waaraan een deel van onze eigen aard actief deelneemt. De leiders van de mensheid, die van tijd tot tijd zijn opgestaan om helderheid te brengen in de stromen van het religieuze leven, en de geest en de leringen van de verlossers bestendigen, moeten hun inspiratie beslist hebben geput uit deze ondersteunende bron; en alle edelmoedige daden, tot aan de allereenvoudigste toe, hebben ongetwijfeld dezelfde oorsprong. Daarom staat niemand buiten de kring van het goddelijke en is de geschiedenis vol van mannen en vrouwen, die door hun verblijf op aarde hun eigen en soms toekomstige generaties hebben verlicht en deze tot zegen zijn geweest, evenals Apollo’s korte verblijf onder het volk van Thessalië een glans achterliet. We raken nog steeds in vervoering door muziek, schilder- en beeldhouwkunst, poëzie en proza, het werk van hand en hoofd van allang verdwenen kunstenaars. Ook de grote wetgevers, wetenschappers, ontdekkers op allerlei gebied hebben de wereld door hun aanwezigheid verrijkt achtergelaten.
     En zo komen we bij ons tegenwoordige zelf, de gewone mens, want waar trekken we de scheidslijn? Ieder van ons, hoe weinig aanspraak we ook maken op een bijzondere prestatie, kan een brenger van geschenken zijn binnen zijn of haar eigen kring. Dan kan er misschien, als wij er niet meer zijn, worden gezegd, dat ook wij de wereld een beetje rijker hebben achtergelaten.

 

Uit het tijdschrift Sunrise mei/juni 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency