Maar wat gebeurde er in die tijd? Hoe brachten de zaad-atomen die tijd
door? Dat wordt ons verteld in een van de oudste sprookjes – een
verhaal dat bekend was in het oudste Egypte, het oudste India en dat
wij Doornroosje noemen. Net als de prinses valt de hele hofhouding in
slaap, ook alle bewakers van het paleis, alle vogels en andere dieren,
alle planten en bomen en zelfs de bloesems van de egelantierheg, ook
die sloten hun sierlijke bloemblaadjes om zoete dromen te dromen.
Zoals de prinses na honderd jaar door de prins wordt gewekt, zo begint
de kosmische lente, nadat er eeuwen en eeuwen zijn verstreken en de
kosmische winter voorbij is. Dan worden de zaad-atomen die achterbleven
weer klaarwakker; net als het ‘paleis’ dat we de eerste
aard-bol noemen en alle biljoenen levensatomen gaan naar deze nieuwe
woning als de nieuwe stroom van levens binnenkomt. Ook die zijn klaarwakker
en verlangen ernaar welkom te worden geheten, en onderwezen en geleid
te worden, om erbij te horen. De zaad-atomen begrepen toen
waarom ze waren uitgekozen om te blijven. Ze waren inderdaad uitgekozen,
want wanneer de grote goden een wereld beginnen te bouwen, gebeurt er
niets bij toeval. Nu wisten ze waarom het belangrijker was dan wat ook
ter wereld om zaden te zijn, en waarom ze juist daar gelukkiger waren
dan ze ergens anders zouden zijn geweest.
‘Voorlopig tot ziens!’ zei Fohat. ‘Ik moet jullie
nu verlaten om degenen die mij nog meer nodig hebben te helpen. Anderen
zijn jullie voorgegaan en zijn hoger, dat is zo: we noemen hen pioniers.
Maar jullie zijn nog grotere pioniers – met geduld, nederigheid,
wijsheid en bereidheid tot dienen. Hun beloning zal niet lang op zich
laten wachten – die voor jullie zal pas na vele eeuwen komen.
Daarom houden de hogere wezens die werkelijke kennis hebben van de zaad-atomen,
degenen die achterblijven om de levensgolven of stromen van levens van
alle rijken die nog zullen komen, te helpen en hen leiding te geven.’
Ben je wel eens plotseling wakker geworden met een gevoel van verbazing?
Ben je wel eens heel vroeg opgestaan toen de dauwdruppels nog fonkelden
en de zon boven de heuvels opkwam? Je had het gevoel dat er een magisch
venster open was gegaan en dat je iets meer was dan je ooit tevoren
was geweest.
In die stemming werden de levensatomen op een dag wakker. Ze waren
niet ‘alleen maar zichzelf’ zoals ze altijd hadden gedacht
– ze waren iets groters en iets meer. Ze maakten nu deel uit van
een groter leven, en hielpen met het bouwen en groeien daarvan. Natuurlijk
hadden niet alle levensatomen dat gevoel, maar zij die knapper en ouder
waren wel, en die werden daarom zelf leiders, weer onder leiding van
hun grote leiders, de architecten waarvan ze de plannen heel precies
volgden.
In het begin waren ze baby-atomen met wijdopen ogen, die op zoek waren
naar iemand die hen bij de hand kon nemen en op reis sturen voor een
groot avontuur en die zei wat ze moesten doen, totdat ze, na te zijn
weggeslingerd alsof ze vonken van een stuk vuurwerk waren, Koning Komeet
vonden en in zijn hart kropen. Toen Koning Komeet zijn Zon-Vader had
gevonden, hield hij eindelijk op met zijn zwerftochten en vestigde zich
in een rustige, bijna cirkelvormige baan rond zijn zon – een planeet
stond op het punt opnieuw geboren te worden.
En al die tijd waren de levensatomen bezig aan een avontuurlijke reis
met Fohat, die hun leven en energie gaf en hen liet zingen en rondtollen
en dansen, soms heel snel en vlakbij elkaar, en soms ver uit elkaar,
en sommigen wervelden naar de ene, sommigen naar de andere kant; ook
daar vertelde Fohat precies hoe ze hem moesten helpen een wereld te
bouwen, en hoe ze in die etherische onzichtbare wereld precies op hun
plaats zouden passen, net als gehakte stenen passen in de muur van een
kasteel.
Toen verschenen er uit de godenwereld, die zich ver boven hen bevond,
grote helpers: de hemelse architecten met hun goed ontworpen plan; ze
hadden ook bouwers bij zich om hen te helpen. En het machtige werk om
een wereld te bouwen begon, en na verloop van tijd ontstond de nevelige,
prachtige, ordelijke eerste aardbol. Eeuwen en eeuwen van werk, inspanning
en gehoorzaamheid – maar tenslotte was hij klaar, de pasgeboren
wereld die krioelde van leven.
En toen moest de tweede aardbol worden gebouwd, en de levensatomen
stonden meteen klaar om hem te bouwen samen met hun leiders en gidsen
– de architecten en bouwers. En zo ging het met alle andere aardbollen.
Toen, na de laatste te hebben gebouwd, vielen alle levensatoomkinderen
in een lange, lange slaap.
Toen ze wakker werden, gingen ze weer op reis langs alle aardbollen
en ze begonnen met de eerste.
‘Waarom gaat het de tweede keer zo makkelijk?’ vroegen
ze zingend aan Fohat. ‘We hebben er helemaal niets op tegen op
de andere bollen te werken.’
En Fohat antwoordde: ‘Dat komt omdat je pionierstijd voorbij
is. Jullie hebben het goddelijke patroon gevolgd en hebben, met hulp
van de natuur de bouwers geholpen met het aanleggen van wegen en het
bouwen van woningen.’
‘Al het zware werk dat daarbij kwam kijken hebben jullie afgemaakt
toen jullie de eerste tocht rond de aardbollen maakten. Nu zijn ze er,
klaar om door jullie te worden versterkt en veiliger en vaster te worden
gemaakt. Je hoeft niet nog eens met niets te beginnen. De zaadatomen
hebben ze voor jullie bewaard. Daarom is de tweede rondgang makkelijk!
Maar er wachten jullie nog grote dingen. Op de ene bol na de andere
gaan jullie een thuis bouwen voor mensen, met planten, bomen, stromende
beken, oceanen en dieren – en dat zijn er in de loop van de tijd
heel wat verschillende.’
‘Zo gaat het ook tijdens de derde reis over de aardbollen –
maar dan met een grotere familie van levende wezens, en de aarde zelf
zal dan nog dichter zijn geworden. En daarna een vierde reis waarop
jullie zullen leren mensen te zijn, en de mens, die dan veel hoger ontwikkeld
is dan de mens nu is, zal nog steeds de leider zijn.’
Want de mensenfamilie bestond tijdens de derde reis rond de aardbollen
niet uit mensen zoals we die nu kennen. Ze waren wel menselijk, maar
dierachtig menselijk. De mensheid van die tijd bestond uit grote, op
schaduwen lijkende, etherische en bijna doorzichtige wezens –
en ze leken helemaal niet op de mensen van onze tegenwoordige aardbol.
Toch was de mens de leider van al die wezens op aarde. Zelfs de dierachtige
mens was hoger dan de planten en dieren – verder gevorderd dan
alle rijken beneden hem; en hij probeerde leiding te geven, maar op
een gebrekkige en zwakke manier. Moeder Natuur deed haar best, maar
de natuur alleen kon de mens niet helpen, want om echt mens
te zijn moest hij iets hebben dat deze vroegere mensen niet hadden –
het licht van het denken.
Natuurlijk hadden ze wel een denkvermogen, net zoals de dieren en trouwens
ook alle lagere rijken dat hebben, maar een sluimerend denkvermogen,
zonder de kracht van een ontwaakte intelligentie. Het is als bij een
kaars die niet aangestoken is, maar die wel de mogelijkheid van licht
in zich heeft, en toch geen licht bezit om met anderen te delen, geen
kracht om een kamer te verlichten, totdat hij zelf is aangestoken.
Deze grote familie van mensen was het, die onze levensatomen sinds
het begin van de aardse tijd hadden opgebouwd. Het was dít mensenras
waarvan de beste en edelste levensatomen tijdens de vierde rondreis
deel uitmaakten. Met hun hulp had Fohat de aardbollen en alles wat erop
leefde met zijn gezang doen ontstaan. Maar de goden wisten dat dit nog
niet genoeg was: de mens moest een volledig mens worden. Fohat
kon dat niet doen, zelfs al was hij hun boodschapper. Alleen goden konden
dat tot standbrengen.
De levensatomen zouden dus nu de vreemdste, de meest inspirerende en
verreweg de mooiste avonturen gaan beleven waar zelfs de wijste en oudste
levensatomen ooit maar op konden hopen.
‘Wat heerlijk om vanaf het eerste begin bij het mensenrijk te
horen!’ zei een van de oudere levensatomen. ‘Eigenlijk zijn
we dat rijk. Dáárom hebben de architecten ons vertrouwd
om Fohat te helpen bij het bouwen van de aarde. Volgens dat plan hebben
we alle bollen gebouwd, elk met zijn eigen bijzondere stromen van leven,
zijn eigen levensgolven, zijn eigen rassen, zijn eigen rijken.’
‘Nu zijn we voor de vierde keer aangekomen op de vierde bol.
We zijn al halverwege het derde grote ras van de mensheid,’ zei
een ander levensatoom. ‘Wat wordt deze bol toch dicht en donker
en zwaar!’
‘Daar kan je niet over klagen’, antwoordde Fohat. ‘Hij
is als een schelp die de tere delen er binnenin beschermt die jullie
als jullie tover-harpisten waren met je muziek hebben gebouwd –
zo prachtig gebouwd, stap voor stap, als muzieknoten die over een muziekblad
marcheren.’
Maar hoe dicht en donker ook, hij was toch prachtig, de wereld van
dit derde mensenras. Er groeiden hele vreemde en mooie planten, en in
de zee en in de lucht leefden miljoenen kleine wezentjes – en
ook grote – die allemaal opkeken naar het mensenrijk, waartoe
ze zich allemaal voelden aangetrokken.
Dat was de trieste kant van de zaak, want terwijl de mensheid van die
tijd menselijk was, was ze dat toch nog niet helemaal; ze was nog steeds
dierlijk-menselijk. De mens die om zich heen keek naar de enige wereld
die hij kende – en ongetwijfeld omhoog keek naar de kracht boven
hem die hij geen naam kon geven en niet kon zien; en omdat hij er vurig
naar verlangde omhoog te klimmen langs de grote levensladder, maar niet
wist hoe – staarde hij de natuur in alsof hij wilde zeggen:
‘Til me op! Help me! Ik wil hogerop; ik wil net als jullie worden!’
En de natuur antwoordde: ‘Ik kan je niet helpen verder omhoog
te klimmen, behalve heel, heel langzaam . . . .’
Wat kon deze mensheid anders doen dan opzien naar Fohat – Fohat
die overal was, in de bliksem en de regen, in de donder, de wind en
de storm – en sprakeloos zeggen: ‘Help me! Ik voel dat ik
vleugels heb, maar ik kan niet omhoogkomen. Ik voel de drang van een
beter leven in me, maar ik ben geketend, met boeien vastgeklonken. Waarom,
Fohat, waarom?’
En Fohat zei bedroefd: ‘Ik bezit niet de macht om jouw vleugels
te geven.’
Maar terwijl dit alles gaande was en zelfs de hemelen uit medelijden
weenden, zaten grote wezens, goden, te luisteren aan de grenzen van
hun wereld die zo ver weg was. En ze spraken met elkaar.
‘Wat is die bol – daar? Dat moet de aarde zijn.’
‘Ja, de aarde. Met Moeder Natuur in het midden, er naar verlangend
haar mensheid te verheffen. Maar ze heeft niet de macht om te helpen.
Alleen wij hebben die.’
‘Laten we naar beneden gaan naar de mens. Laten we dat sluimerende
denkvermogen ontsteken. Met onze hulp zal alles kunnen gebeuren waar
die mensheid naar verlangt.’
En hier begint het verhaal van het ontsteken van het denkvermogen in
de mens. Het is het mooiste verhaal van de wereld, en ouder dan de wereld
zelf, want het begon in een andere en vroegere wereld, en in een vroegere
keten van planeetbollen. Maar we hoeven niet naar het allereerste begin
terug te gaan. Het is voldoende als we teruggaan tot het derde grote
ras van de mensheid op onze huidige aarde, dat leefde op een uitgestrekt
continent dat nu bijna is verdwenen onder het water van de Grote Oceaan.
Op die onmetelijke landmassa leefde de menselijke stam waaruit wij
allemaal zijn voortgekomen. Maar in die tijd was de mens anders dan
wij nu zijn. Hij kon niet denken zoals wij. Hij was vriendelijk, goed
van vertrouwen als een klein kind. Hij groeide en leerde, maar dier-mens
als hij was, kon hij niet zoals de goden doen, als een pijl recht op
zijn doel af- gaan. Hij had verlangens, maar hij had geen ontwaakte
wil.
Maar hij werd niet vergeten, en er kwam een tijd dat in de hogere wereld
van de goden iets heel edelmoedigs en werkelijk magisch ging gebeuren.
Want de grootse wezens die daar woonden, hadden in vroegere tijdperken
al ervaring opgedaan als mensen. Zij hadden de beloning van een verblijf
in een hemelwereld verdiend, en toen ze deze dier-mensen zagen, begrepen
ze hun nood en hadden medelijden met hen en zeiden:
‘Laten we hen goddelijk-menselijk maken – niet langer alleen
dier-menselijk. Laten we hun iets geven van ons licht. Laten we hun
een deel van onszelf geven.’ Zo gebeurde het en vanaf dat tijdstip
had de mens twee karakters, het ene goddelijk, het andere dierlijk,
soms was hij lui en egoïstisch, zelfs gemeen en lager dan een dier;
op andere momenten was hij geïnspireerd en vol liefde en mededogen.
‘Maar hoe kan een mens worden verlicht?’
Hoe steekt de ene kaars de andere aan? Hoe kan één kaars,
als dat nodig zou zijn, alle kaarsen van de wereld aansteken met haar
eigen licht zonder zelf één enkel atoom te verliezen?
Dat is een van de mysteries die de wetenschap nog nooit heeft onthuld.
Maar dat is niet het hele verhaal. Sommige van deze goddelijke wezens
gingen enkele van de meest nobele en bewuste mensen uit die oude tijd
binnen. Zoals een licht een tempel zou kunnen binnengaan door naar binnen
te worden gebracht en het geheel verlichten, zo ging het licht van die
goddelijke wezens letterlijk naar binnen in de mensheid. De weinige
mensen van wie het denken werd verlicht, ontwaakten, en ontvingen dat
licht, omdat ze gereed waren om het te ontvangen.
De meesten van die dier-mensen kregen maar een vonkje, een beetje van
het licht. Als ze onzelfzuchtig waren en wijs nadachten, werden ze als
kaarsen – overal om zich heen licht verspreidend. Ze begonnen
hun broeders te helpen, vooral hun jongere broeders, om langs de levensladder
omhoog te klimmen, net zoals de goden hen hadden geholpen. Sommigen
waren nog lang niet klaar en konden er zelfs geen glimp van opvangen,
net zomin als licht door een dikke muur kan schijnen, of die nu van
steen is gemaakt of van trage hersens.
Als dit vuur van het denkvermogen zo goddelijk en wijs is, waarom zijn
we dan soms toch slecht of dom? Omdat we net als het derde grote ras
in werkelijkheid twee denkvermogens hebben die we niet altijd uit elkaar
kunnen houden – egoïsme maakt mensen blind en ook doof. We
hebben niet alleen het hogere denkvermogen, een deel van de god in ons,
maar ook een lager, dierlijk denkvermogen. En het moet net als een kind
onderwezen worden! Hoeveel levens zijn er vaak nodig voor zulk onderwijs!
Hoe vaak hebben wijzelf, of wat nog erger is, anderen, geen pijn en
verdriet omdat het dier-denkvermogen zijn zin wil hebben?
Er is werkelijk geen excuus om verkeerde dingen te doen als we dit
goddelijke licht in ons hebben. Maar ook al hebben we maar een vonkje
gekregen, kunnen we dat vonkje leven geven door geduldig te blijven
proberen, en eens zal het plotseling opvlammen. Velen hebben dit gedaan.
Zij zijn de echte helden, en net als de levensatomen zijn zij échte
pioniers.
‘En wat gebeurt er daarna?’
Precies wat er met iedereen, jong en oud, gebeurt, die na een goede
nachtrust gaat werken of spelen – op kantoor, in een winkel of
in een fabriek, in de speeltuin of op school – en als hij moe
is weer naar huis gaat omdat hij daar woont. Zo gaat het ook met de
levensatomen, alleen is hun dag niet een kleine atoom-dag, of zelfs
een aardse dag. Het is een kosmische dag.
De levensatomen hebben inderdaad met heel veel plezier gewerkt en gespeeld
op het Speelterrein van de Dageraad. Maar toen de dag van de planeet
aarde het middaguur was gepasseerd, zagen ze dat een heleboel van hen
volwassen waren geworden. Degenen die waardig waren bevonden, waren
bij hun groei geholpen door grote, onzichtbare wezens die hen bijstonden
op dat enorme speelterrein. Eerst moesten ze die grootse wezens, die
hen onzichtbaar gadesloegen, alleen gehoorzamen, en daarna zeiden die
tenslotte: ‘Jullie lichamen zijn nu volgroeid, en nu zullen we
jullie denkvermogen ontsteken en zijn jullie aan ons gelijk. Jullie
moeten je nog steeds aan de regels houden – maar het zal jullie
eigen keus zijn, omdat gehoorzaamheid aan de kosmische wet het dienen
van het hoogste betekent.’
Niettemin moeten jullie nog driemaal een reis maken rond de aardbollen
voordat jullie de weg naar huis terugvinden. Jullie kosmische dag is
nog niet voorbij. Jullie hebben nu op aarde alleen nog maar het middelste
punt bereikt, de vierde aardbol.
‘Hoe komen we dan thuis?’
Alle werelden volgen één groot plan. In kleine dingen
verschillen ze wellicht en ook in hun grootsheid van geest en hun groei.
Maar het plan blijft onveranderd. Jullie verschillen toch ook onderling,
nietwaar? Dat komt omdat jullie nu kunnen nadenken en kunnen praten.
Vroeger volgden jullie alleen je instinct – nu hebben jullie intuïtie,
denkvermogen en geestelijke wil. Van nu af kiezen jullie dus zelf het
pad dat jullie willen gaan.
Vergeet nooit dat jullie tweevoudig van aard zijn: het ene is goddelijk,
en spoort jullie steeds aan het pad naar de goden te volgen; het andere
spoort degenen die ernaar luisteren zelfs nog sterker aan het neerwaartse
pad te volgen. Jullie zijn de bouwers van de toekomst van de aarde.
De goden maken alleen de kosmische schets – jullie moeten de rest
doen. ‘Vertel eens – welk van de twee paden volgen we nú?’
Jullie staan nu op het keerpunt tussen deze twee. Meegevoerd in de
geweldige, woelige stroom van levens, zijn jullie nu net voorbij het
laagste punt van de grote cyclus van de aardse dag, het punt waarop
je het pad omlaag verlaat om de lange klim omhoog langs het pad van
licht te beginnen. Bij al die keerpunten is er op iedere planeetbol
een strijd van de wateren gaande, en hier moet de scheiding van wegen
plaatsvinden.
‘Scheiding? Bevinden we ons nog steeds in deze stroom van levens?’
We zijn er nu allemaal in, want deze grote, statig voortbewegende stroom
bestaat uit levens: levens die slecht zijn, levens die groots zijn in
goedheid, en alle graden daartussenin. Sommigen gaan omhoog in een groter
licht; enkelen zijn zo zwaar van egoïsme en kwaad doen dat ze door
hun eigen gewicht omlaag worden getrokken naar nog stoffelijker gebieden
en daar vast worden gehouden. Anderen vallen gewoon in slaap op de plek
waar ze zijn, en wachten tot de volgende stroom van levens zich verzamelt
en naar binnen rolt. Dan worden ze wakker om opnieuw de aardse lessen
van het leven te leren. Het gaat hier niet om straf of lijden of iets
onrechtvaardigs.
‘Wat gebeurt er met de dieren en de bomen, de planten en stenen?
Die zijn niet slecht.’
Ook die vallen rustig in slaap – ook nu vallen ze voor onze ogen
in slaap terwijl de levensstroom zijn weg omhoog begint. In het kort
is de gang van zaken als volgt: het staat alle rijken vrij zo hoog op
de levensladder te klimmen als ze kunnen, maar het instinct alleen is
nooit voldoende. Zowel de intuïtie als het goddelijke denkvermogen
zijn nodig. Zij die niet gereed zijn, raken uiteraard achterop, maar
er valt hen niets te verwijten. Ze wachten eenvoudig op een nieuwe kans
om op onze aarde te groeien en te leren.
‘Maar hoe staat het met degenen die wakker zijn, die hun best
doen en klimmen en overal onderweg anderen helpen – zij die het
licht van het denkvermogen hebben?’
Zij zijn het die de hogere bollen gaan bouwen. Als ze nooit ophouden
met streven en nooit vergeten vriendelijk te zijn, staat hen een schitterende
bestemming te wachten, een steeds verdere vooruitgang naar omhoog, totdat
ze, nadat de zevende reis rond de aardbollen is voltooid, een goddelijke
woning binnengaan, een stralende wereld waar alleen goden mogen wonen.
Intussen straalt boven de bergtoppen een nieuwe Magische Deur, die
de levensatomen uitnodigt nog hoger te gaan – aan het proces iets
te volbrengen en te ‘vervolmaken’ komt nooit een einde.
Nu, opgefrist en uitgerust, verlaten ze zelfs die goddelijke woning.
Morgen gaan ze op weg naar nieuwe avonturen, verhevener werelden –
allen op enkelen na, die zich de rijken ver beneden herinneren, bij
de ingang stilhouden en terugkeren. Zij horen, als klokgelui, de onsterfelijke
woorden:
Nooit zal ik de gelukzaligheid alleen binnengaan. Eeuwig
en altijd zal ik blijven wachten totdat de laatsten en de zwaksten onder
hen, die beneden worstelen, hun goddelijk thuis hebben bereikt.
Zo zal het zijn, zonder ophouden en altijd.
EINDE