Boekbespreking
Jean B. Crabbendam

 

De kunst van het dromen, Carlos Castaneda, Servire Uitgevers bv, Cothen, 1993, ISBN 90-6325-450-4.

Carlos Castaneda heeft acht boeken over tovenarij geschreven. Ieder die bekend is met deze literatuur kent zijn belangstelling, zijn experimenten met hallucinaties verwekkende planten en met zijn twintig jaar training onder zijn leermeester, Don Juan. Hem zijn vele begrippen geleerd en een van de belangrijke is dat de kosmos energie is die zich manifesteert in concrete vormen. Voorts dat door bewust te leren dromen zoals tovenaars doen, men de energetische essentie van de dingen kan zien. Zijn nieuwste boek, De kunst van het dromen, verklaart hoe men dit kan doen.

Het zal vreemd aandoen dat een tijdschrift dat spirituele waarden bevordert een lijnrecht tegengesteld onderwerp zelfs maar in het kort bespreekt, maar tegenwoordig zijn veel mensen geïntrigeerd door paranormale praktijken, of zijn erin verwikkeld. Zelfs als men alleen liefhebbert in het occulte als een amusant tijdverdrijf, zijn pogingen op dit terrein gevaarlijk en dikwijls oorzaak van degeneratie. Tovenarij is geen populair onderwerp, maar voor de weinigen die in de verleiding komen het te onderzoeken, is enige achtergrondinformatie gewenst.

Oude leringen vertellen dat de aarde is omringd door sferen van energie of ‘astrale’ sferen die zich uitstrekken van uiterst grof tot nirvanisch. Men zegt dat de spirituele hoogten ervan een atmosfeer van onpersoonlijke liefde, mededogen en bescherming uitstralen die niets buiten sluit, daar al het gemanifesteerde leven een weerspiegeling is van de goddelijke bron, hoe vervormd het beeld ook moge zijn. Wezens die bewust zijn in de geestelijke gebieden zijn niet passief, want evolutie gaat steeds door: de zwakke moet sterker worden, de grote groter. De zekerheid eens het doel te bereiken, verleent vrede en geeft houvast aan de spirituele vastberadenheid van een mens. Tenslotte is evolutie groei.

Castaneda’s leermeester heeft het niet over verschillende astrale niveaus, maar spreekt over dit niet stoffelijke gebied als ‘de tweede aandacht’ – wat slechts de droesem van het astrale gebied blijkt te zijn. Hij vertelt Carlos dat de weg naar bewust, zelfgekozen dromen veel energie, standvastigheid, en toegang tot het eigen energielichaam vergt. Hij beschrijft mensen als reusachtige, lichtgevende, eivormige energielichamen – wat theosofen het aurisch ei noemen – omringd en doordrongen van ontelbare draden van ruimtelijke kosmische energie. Binnen elk van deze lichamen bevindt zich een menselijk verzamelpunt (of bewustzijnscentrum), waardevol, maar beperkt tot waarneming van de aarde. Het is hier, zegt hij, dat de getrainde tovenaar een voorsprong heeft op gewone mensen. Hij heeft geleerd hoe hij beschikbare, maar tot nu toe inactieve verzamelpunten binnen het ei zowel kan verleggen als fixeren, wat hem in staat stelt onbekende werelden te doorkruisen, omdat de aarde net als een ui vele lagen heeft. Dit alles is een voorspel tot het introduceren van ‘anorganische wezens’ aan zijn leerling. Deze zijn de bondgenoten van de tovenaars, die hun eigen energie uitwisselen tegen de geheime kennis van die entiteiten en voor de macht die dit geeft. Dit klinkt alsof het gaat om de elementalen en elementaren van de theosofie. De verschijning van deze entiteiten tijdens dromen op te roepen is niet moeilijk, maar om zich naderhand ervan te ontdoen, zelfs in het alledaagse leven, lijkt onmogelijk.

Verder was het volgens Don Juan door dit wederzijdse uitwisselingsprogramma dat de legendarische tovenaars leerden nieuwe rijken en gebieden te onderzoeken met de anorganische entiteiten als helpers en gidsen. Tenslotte bracht het toegeven aan lagere neigingen en ongecontroleerde zucht naar macht de oude lijn van zwarte magiërs ten val, maar hun kennis is door de eeuwen heen tot op heden doorgegeven. Hoewel nu zonder macht, leven ze volgens Don Juan nog steeds. Hij adviseert Carlos zover mogelijk uit de buurt te blijven van de anorganische wezens, net zoals hijzelf, de moderne tovenaar dat doet; tegelijk geeft hij toe dat hij voor zijn energie van hen afhankelijk is.

Carlos Castaneda schijnt een impulsief natuurlijk medium te zijn met een onlesbare nieuwsgierigheid, wiens zelfvertrouwen en onafhankelijke natuur hem er soms toe brengen de leiding van zijn leermeester te negeren. Wanneer dit gebeurt, zoals in dit geval, is hij in moeilijkheden.

Na verscheidene jaren van oefenen, leerde Castaneda het bewuste dromen van de tovenaar en kwam hij in het rijk van de anorganische wezens terecht, dat blijkbaar de opslagplaats van vreemde energieën was. Deze zijn op zich scherpzinnige, gewetenloze energiepunten die iedere vorm aan kunnen nemen en gedachten kunnen lezen. Door verleiding of uitnodiging dringen ze iemands dromen binnen; zijn ze ongewenst dan verschijnen ze toch, in de vorm van mensen die de dromer kent, zoals een vriend of een ouder. Altijd hongerend naar menselijke energie, proberen ze door geruststelling, bedrog of door overredingskracht de bezoekende aardbewoner voor altijd in hun wereld te houden. Het beeld dat de schrijver geeft van deze anorganische wezens, hun activiteiten en hun wereld is een angstaanjagend surrealistisch draaiboek dat doet denken aan een nachtmerrie. Tot het einde, hoewel er geen beslissend einde is, sluit het thema van dit verhaal met een reeks rampspoedige, levensbedreigende beproevingen die hij en mede-tovenaars ondergaan met deze listige wezens.

Misschien geloven lezers niet in het bestaan van verschillende graden van bewuste wezens die onzichtbaar zijn, maar zich in gebieden bevinden die in relatie staan met onze bol, toch hebben wij in de laatste paar honderd jaar grote aantallen onzichtbare dingen ontdekt, die we hebben gebruikt en misbruikt of waar we ons zorgen over hebben gemaakt: elektriciteit, radio, televisie, microgolven en laserstralen, bacteriën, virussen en zelfs de lucht die we inademen. Onze ogen kunnen geen van deze dingen zien, maar we weten dat ze werkelijkheid zijn. Waard om te overdenken is ook het scherpe contrast tussen de beschrijvingen die door de oude zieners zijn gegeven van de geestelijke gebieden – niets dan liefde en mededogen – en die van de tovenaars: alles is onzekerheid, ontvoering, slavernij en dodelijke vrees. Het is interessant dat hij de nooit verouderende meestertovenaar in dit boek laat zeggen dat mensen soms naar hun gebied verwijzen als de Onderwereld.

Het is duidelijk dat de mens zowel een hogere aspirerende natuur heeft als een lagere toegeeflijke. De laatste speelt vaak de grootste rol, omdat die bestaat uit wereldse begeerten en eigenbelang. Toch vermindert de hoeveelheid energie waarmee wij de lagere sterfelijke natuur voeden, in gelijke mate ons hogere onsterfelijke deel, een verschrikkelijk verlies. En omdat alles tweevoudig is, beïnvloeden de gedachten en daden van ieder individu in zekere mate ons heelal en alle leden daarvan – een uitdagende verantwoordelijkheid voor menselijke wezens, waarvan wordt verwacht dat ze constructief en wijs zullen worden.

De kunst van het dromen is een vreemd verhaal dat de stappen in een twijfelachtig onderzoek schetst, dat vreesaanjagende innerlijke en uiterlijke beslissingen met zich brengt. Er is geen sprake van spiritualiteit op deze bladzijden, wat ook niet de bedoeling is, want het is tenslotte een verhandeling over tovenarij, de duistere stoffelijke kant van het occultisme. Een mogelijke dienst die dit boek zou kunnen bewijzen, is dat het voorziet in een ernstige waarschuwing aan allen die dat nodig hebben, in het bijzonder aan hen die onbezonnen en onervaren zijn.

 
Andere artikelen over: Occultisme, meditatie, yoga, gebed, paranormale vermogens
 

Uit het tijdschrift Sunrise mrt/april 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency