Wat zie je dan zuster, of zie je
het niet?
Wat denk je eigenlijk als je mij ziet,
Een knorrig oud vrouwtje, niet helemaal snik,
Onzek’re gewoonten en starende
blik.
Die knoeit met haar eten, geen antwoord kan geven
Als je me luid toeroept ‘Probeer
het toch even’.
Wie ben ik die hier zit, gehoorzaam en stil,
Die opstaat als je ’t zegt en eet
als je ’t wil.
’k Ben een kind van tien, met een ouderpaar,
Met broers en zusters, blij met elkaar.
Een bruidje van twintig, mijn hart staat in vlam.
’k Heb vijf jaar later mijn eigen
kroost,
Afhankelijk van mij voor liefde en troost.
Met vijftig, weer kleintjes, die vrolijk
spelen
Rond mij en mijn liefste, die die vreugde delen.
Maar dan wordt het duister want mijn
man is dood,
Ik zie naar de toekomst en beef in mijn nood.
Mijn kind’ren hebben een druk gezin
Ik denk aan de jaren van liefde, in ’t begin.
Ik ben nu een oud mens en de natuur is
de baas,
En maakt, voor de grap, dat men oud ziet als dwaas.
Het lichaam verschrompelt, kracht en
gratie zijn heen
Waar eens mijn hart zat, zit nu een steen.
Maar in ’t oude karkas is nog ’t
kind van weleer,
En soms gaat mijn gehavend hart juichend te keer.
Ik herinner me de vreugde en denk aan
de pijn,
En ik houd weer van allen die in leven zijn.
Ik denk aan de weinige jaren, zo snel
vergaan
En aanvaard het feit dat niets blijft bestaan.
Dus zuster, doe open je ogen en zie van
nabij
Niet een knorrig oud vrouwtje, kijk beter, zie mij.