Václav Havel, President van de
Republiek Tsjechië, ontving op 4 juli 1994, de 218e verjaardag
van de Onafhankelijkheidsverklaring van de Verenigde Staten, in de
Independence Hall in Philadelphia, Pennsylvania, de Liberty Medal.
Het doet ons genoegen onze lezers deelgenoot te kunnen maken van de
toespraak waarmee hij deze prijs aanvaardde. – Red.
Dames en heren: Hier – voor dit historische gebouw,
waar u mij de hoge eer hebt verleend mij de Philadelphia Liberty Medal
toe te kennen – wil ik deze gelegenheid zien als een uitnodiging
om mijn eigen uitzichten op gelijk niveau te brengen. Ik zou daarom
vandaag mijn gedachten willen richten op de toestand van de wereld en
de vooruitzichten die er zijn. Ik heb ook besloten iets te doen dat
ik persoonlijk even veeleisend vind: ik wil proberen u toe te spreken
in het Engels. Ik hoop dat u me zult begrijpen.
Er zijn denkers die beweren dat als de moderne tijd begon
met de ontdekking van Amerika, die ook in Amerika eindigde. Dit zou
zijn gebeurd in het jaar 1969, toen Amerika de eerste mensen naar de
maan zond. Vanaf dit historische moment begon er, naar men zegt, een
nieuw tijdperk in het leven van de mensheid.
Ik denk dat er goede redenen zijn om aan te nemen dat
de moderne tijd voorbij is. Er zijn in deze tijd veel dingen die erop
wijzen dat we in een overgangstijd verkeren waarin naar het lijkt, iets
op weg is te verdwijnen, en iets anders op pijnlijke wijze wordt geboren.
Het is alsof er iets aan het afbrokkelen, vergaan en opdrogen is, terwijl
er iets anders, dat nog vaag is uit het puin oprijst.
Perioden in de geschiedenis waarin waarden een fundamentele
verandering ondergaan zijn niet zonder precedent. Dit gebeurde in de
Hellenistische periode, toen uit de puinhopen van de klassieke wereld
geleidelijk aan de middeleeuwen werden geboren. Hetzelfde gebeurde tijdens
de renaissance, die de weg vrijmaakte naar de moderne tijd. Wat deze
overgangsperioden kenmerkt, is een vermenging en samensmelting van culturen
en een pluraliteit of parallellisme van intellectuele en geestelijke
werelden. Het zijn perioden waarin alle consistente waardenstelsels
ineenstorten, waarin wat tijd en plaats betreft ver uiteenlopende culturen
worden ontdekt of herontdekt. Het zijn perioden waarin de neiging bestaat
om te citeren, te imiteren en uit te weiden, in plaats van met gezag
te spreken of zaken met elkaar in samenhang te brengen. Nieuwe zingeving
ontstaat geleidelijk door de ontmoeting of het elkaar kruisen van vele
verschillende elementen.
Tegenwoordig noemt men deze geesteshouding of toestand
van de wereld van de mens post-modernisme. Een symbool van deze toestand
is voor mij een Bedoeïen op een kameel, gekleed in de traditionele
gewaden waaronder hij een spijkerbroek draagt, met een transistorradio
in zijn hand en een Coca-Colareclame op het achterste van het dier.
Ik wil dit niet in het belachelijke trekken, en evenmin pleng ik een
intellectuele traan over de commerciële expansie van het Westen
die niet-westerse culturen vernietigt. Ik zie het veeleer als een typische
uiting van de multiculturele tijd waarin we leven, een signaal dat er
een versmelting van culturen aan de gang is. Ik zie het als bewijs dat
er iets aan het gebeuren is, dat er iets wordt geboren, dat we in een
fase zijn waarin het ene tijdperk overgaat in het andere, wanneer alles
mogelijk is. Ja, alles is mogelijk, want onze beschaving heeft geen
eigen gemeenschappelijke stijl, een eigen geest, een eigen esthetiek.
Dit houdt verband met de crisis, of met de transformatie,
van de wetenschap als basis van de moderne voorstelling van de wereld.
De duizelingwekkende ontwikkeling van deze wetenschap, met haar onvoorwaardelijk
vertrouwen in objectieve werkelijkheid en haar volledige afhankelijkheid
van algemene en rationeel kenbare wetten, leidde tot het ontstaan van
de moderne technologische beschaving. Het is de eerste beschaving in
de geschiedenis van het menselijke ras die de hele aardbol omvat en
alle mensengemeenschappen hecht met elkaar verbindt en hen onderwerpt
aan een gemeenschappelijk wereldomvattend lot. Het was deze wetenschap
die de mens voor het eerst in staat stelde om de aarde met eigen ogen
vanuit de ruimte te aanschouwen, dat wil zeggen, haar te zien als een
van de sterren aan de hemel.
Maar tegelijkertijd schijnt de relatie tot de wereld die
de moderne wetenschap cultiveerde en vorm gaf haar energie te hebben
verbruikt. Het wordt steeds duidelijker dat er vreemd genoeg aan die
relatie iets ontbreekt. Ze slaagt er niet in de verbinding te leggen
met de meest wezenlijke aard van de werkelijkheid, en met de natuurlijke
menselijke ervaring. Ze is nu eerder een bron van verval en twijfel
dan van integratie en zingeving. Ze verwekt iets dat neerkomt op een
toestand van schizofrenie: de mens als waarnemer raakt volkomen vervreemd
van zichzelf als wezen. De moderne wetenschap in haar klassieke vorm
beschreef slechts de oppervlakte van de dingen, een enkele dimensie
van de werkelijkheid. En hoe dogmatischer de wetenschap deze beschouwde
als de enige dimensie, als de ware essentie van de werkelijkheid, des
te misleidender werd ze. We weten dan, bijvoorbeeld, tegenwoordig misschien
onmetelijk veel meer over het heelal dan onze voorouders, en toch lijkt
het er steeds meer op dat zij er iets van wisten dat essentiëler
is dan wat wij weten, iets dat ons ontgaat. Hetzelfde geldt voor de
natuur en voor onszelf. Hoe grondiger al onze organen en hun functie,
hun innerlijke structuur en de biochemische reacties die erin plaatsvinden,
worden beschreven, hoe meer het ons lijkt te ontgaan wat de geest, het
doel en de betekenis is van het systeem dat ze met elkaar opbouwen en
dat we ervaren als ons unieke ‘zelf’.
En zo bevinden we ons nu in een paradoxale situatie. We
verheugen ons in de verworvenheden van de moderne beschaving die ons
stoffelijk bestaan op deze aarde op zoveel ingrijpende manieren hebben
vergemakkelijkt. Toch weten we niet precies wat we met onszelf aan moeten,
waarheen we ons moeten wenden. De wereld van onze ervaringen lijkt chaotisch,
verbrokkeld, verwarrend. Er lijken geen integrerende krachten te zijn,
geen eensluidende doeleinden, geen echt begrip van de verschijnselen
in onze ervaringswereld. Deskundigen kunnen ons alles in de objectieve
wereld verklaren, toch begrijpen we hoe langer hoe minder van ons eigen
leven. Kortom, we leven in de post-moderne wereld, waar alles mogelijk
is en bijna niets zeker.
Deze stand van zaken heeft zijn sociale en politieke consequenties.
De ene planetaire beschaving waartoe we allen behoren, confronteert
ons met wereldomvattende uitdagingen. Daar staan we hulpeloos tegenover,
omdat onze beschaving ons leven in wezen slechts aan de oppervlakte
wereldomvattend heeft gemaakt. Maar ons innerlijke zelf gaat voort een
eigen leven te hebben. En hoe minder antwoorden het tijdperk van traditionele
kennis levert op de fundamentele vragen van het menselijk bestaan, hoe
hardnekkiger de mensen, achter hun rug als het ware, vasthouden aan
de oude zekerheden van de stam waartoe ze behoren. Dit is de reden waarom
afzonderlijke culturen, die door de huidige beschaving steeds meer samenklonteren,
zich met hernieuwde kracht rekenschap geven van hun eigen innerlijke
zelfstandigheid en de innerlijke verschillen met anderen. Culturele
conflicten nemen toe en zijn begrijpelijkerwijs tegenwoordig gevaarlijker
dan op enig ander tijdstip in de geschiedenis. Het einde van het tijdperk
van het rationalisme was catastrofaal: gewapend met dezelfde supermoderne
wapens, vaak geleverd door dezelfde leveranciers, en gevolgd door televisiecamera’s,
voeren de verschillende stamgroepen oorlog met elkaar. Overdag werken
we met statistieken; ’s avonds raadplegen we astrologen en jagen
onszelf angst aan met thrillers over vampiers. De kloof tussen het rationele
en het geestelijke, het uiterlijke en het innerlijke, het objectieve
en het subjectieve, het technische en het morele, het universele en
het unieke wordt steeds dieper.
Terecht maken politici zich zorgen over het probleem hoe
de sleutel te vinden om het overleven van een beschaving te verzekeren
die wereldomvattend is en tegelijkertijd duidelijk multicultureel; hoe
algemeen aanvaarde mechanismen van een vreedzaam samenleven opgezet
kunnen worden en op welke beginselen ze gegrondvest dienen te worden.
Deze vragen zijn zeer nadrukkelijk naar voren gekomen door de twee belangrijkste
politieke gebeurtenissen in de tweede helft van de twintigste eeuw:
het ineenstorten van de koloniale hegemonie en de val van het communisme.
De kunstmatige wereldorde van de afgelopen decennia is bezweken en een
nieuwe, rechtvaardiger orde heeft zich nog niet aangediend. De belangrijkste
politieke opgave van de laatste jaren van deze eeuw is dan ook het scheppen
van een samenlevingsmodel tussen de verschillende culturen, volkeren,
rassen, en religieuze kringen binnen een enkele samenhangende beschaving.
Deze opgave is des te dringender omdat andere bedreigingen van de hedendaagse
mensheid, die zijn ontstaan door de één-dimensionale ontwikkeling
van de beschaving, steeds ernstiger worden.
Menigeen gelooft dat deze taak met behulp van technische
middelen kan worden volbracht. Dat betekent dat zij geloven dat dit
gedaan kan worden door tussenkomst van nieuwe organisatorische, politieke
en diplomatieke instrumenten. Ja, het is duidelijk nodig om organisatorische
structuren te bedenken die afgestemd zijn op het huidige multiculturele
tijdperk. Maar een dergelijke inspanning is tot mislukken gedoemd als
ze niet voortkomt uit iets diepers, uit algemeen erkende waarden.
Ook dit is algemeen bekend. En bij het zoeken naar de
meest natuurlijke bron voor het scheppen van een nieuwe wereldorde,
kijken we gewoonlijk naar een gebied dat het traditionele fundament
is van de moderne gerechtigheid en een grote verworvenheid van de moderne
tijd: naar een waardenstelsel dat, naast andere zaken, voor het eerst
werd uitgesproken in dit gebouw. Ik doel op het respect voor elk afzonderlijk
menselijk wezen en zijn of haar vrijheden en onvervreemdbare rechten,
en naar het beginsel dat alle macht voortkomt uit het volk. Kortom,
ik bedoel de fundamentele ideeën van de moderne democratie.
Wat ik ga zeggen klinkt misschien provocerend, maar ik
voel steeds sterker dat zelfs deze ideeën niet voldoende zijn,
dat we verder en dieper moeten gaan. Het punt is dat de oplossing die
ze bieden als het ware nog steeds modern is, ontleend aan de sfeer van
de verlichting en aan de kijk op de mens en zijn verhouding tot de wereld
die kenmerkend was voor het Euro-Amerikaanse klimaat van de laatste
twee eeuwen. Maar nu nemen we een andere plaats in en staan we tegenover
een andere situatie, één waarop traditionele moderne oplossingen
op zich geen afdoende antwoord geven. Tenslotte ontstond het principe
van de onvervreemdbare mensenrechten, toegekend aan de mens door de
Schepper, uit de typisch moderne opvatting dat de mens – als een
wezen dat in staat was om de natuur en de wereld te kennen – de
kroon van de schepping was en heerser over de wereld. Dit moderne antropocentrisme
betekende onvermijdelijk dat Hij die, naar men zegt, de mens begiftigde
met zijn onvervreemdbare rechten, uit de wereld begon te verdwijnen.
Hij stond zo ver buiten het bereik van de moderne wetenschap dat hij
geleidelijk in de privé-sfeer werd gedrongen, zoniet rechtstreeks
in een sfeer van privé-verzinsels – dat wil zeggen, een
plaats waar openbare belangen niet langer van toepassing zijn. Het bestaan
van een hogere autoriteit dan de mens zelf begon eenvoudig de menselijke
aspiraties in de weg te staan.
Het idee van mensenrechten en vrijheden moet een wezenlijk
deel uitmaken van iedere zinvolle wereldorde. Maar ik denk dat die verankerd
moet zijn op een andere plaats en op een andere manier dan tot dusver
het geval was. Wil het meer zijn dan alleen een loze kreet waar de helft
van de wereld zich vrolijk om maakt, dan kan het niet worden verwoord
in de taal van een voorbije tijd, en mag het niet als schuim zijn dat
drijft op de zich terugtrekkende wateren van een geloof in een louter
wetenschappelijk verband met de wereld.
Inspiratie voor de hernieuwing van de verloren gegane
eenheid kan, paradoxaal genoeg, toch weer in de wetenschap worden gevonden.
In een wetenschap die nieuw is – laat ons zeggen post-modern –
een wetenschap die ideeën voortbrengt die haar in zekere zin toestaan
haar eigen grenzen te overschrijden. Ik geef twee voorbeelden.
Het eerste is het Antropisch Kosmologische Beginsel. De
opstellers ervan en hun aanhangers hebben erop gewezen dat van de ontelbare
richtingen die de evolutie van het universum had kunnen nemen, het de
enige richting nam die het leven in staat stelde zich te manifesteren.
Toch is dit nog geen bewijs dat het altijd het doel van het universum
is geweest eens zichzelf door onze ogen te zien. Maar hoe kan dit anders
verklaard worden?
Ik denk dat het Antropisch Kosmologische Beginsel ons
tot een idee brengt dat misschien zo oud is als de mensheid zelf: dat
we allerminst een louter toevallige afwijking zijn, een microscopische
gril van een nietig stofje dat rondtolt ergens in de eindeloze diepten
van het universum. Integendeel, we zijn op mysterieuze wijze verbonden
met het hele universum, we zijn erin weerspiegeld, precies zoals de
hele evolutie van het universum in ons is weerspiegeld. Tot voor kort
leek het er wellicht op dat wij een treurig hoopje meeldauw waren op
een hemellichaam dat ronddraait in de ruimte tussen vele andere die
totaal geen meeldauw hebben. Dit was iets dat de klassieke wetenschap
kon verklaren. Maar op het moment dat het duidelijk begint te worden
dat we nauw verbonden zijn met het hele universum, bereikt de wetenschap
de buitenste grenzen van haar macht. Omdat ze is gefundeerd in het zoeken
naar universele wetten, kan ze zich niet inlaten met bijzonderheden,
dat wil zeggen met het unieke. Het heelal is een uniek gebeuren en een
uniek verhaal, en tot hiertoe zijn wij het unieke punt in dat
verhaal. Maar unieke gebeurtenissen en verhalen zijn het domein van
de dichtkunst, niet van de wetenschap. Met het formuleren van het Antropisch
Kosmologische Beginsel ziet de wetenschap zich geplaatst op de grens
tussen formule en verhaal, tussen wetenschap en mythe. Maar daarmee
is de wetenschap, hoe paradoxaal ook, via een omweg teruggekeerd tot
de mens en biedt ze hem – in een nieuw jasje – zijn verloren
gegane integriteit. Ze doet dit door hem opnieuw te verankeren in de
kosmos.
Het tweede voorbeeld is de Gaia-hypothese. Deze theorie
draagt bewijsmateriaal aan dat het dichte netwerk van onderlinge interacties
tussen de organische en anorganische delen van het aardoppervlak een
enkel systeem vormen, een soort mega-organisme, een levende planeet
– Gaia – genoemd naar de oude godin die terug te vinden
is als archetype van Moeder Aarde in bijna alle religies. Volgens de
Gaia-hypothese zijn we deel van een groter geheel. Ons lot hangt niet
alleen af van wat wij voor onszelf doen, maar ook wat we doen voor Gaia
als geheel. Als we haar in gevaar brengen zal ze met ons afrekenen ter
wille van een hogere waarde – dat wil zeggen, het leven zelf.
Wat maakt het Antropisch Beginsel en de Gaia-hypothese
zo inspirerend? Heel eenvoudig dit: beide herinneren ons, in moderne
taal, aan wat we allang hebben vermoed, aan wat we al heel lang hebben
geprojecteerd in onze vergeten mythen en in wat misschien al altijd
als archetype in ons sluimerde. Dat is het besef dat we verankerd zijn
in de Aarde en het universum, het besef dat we hier niet alleen voor
onszelf zijn, maar dat we een wezenlijk deel zijn van hogere, mysterieuze
entiteiten waarmee we beter niet kunnen spotten. Dit verloren gegane
bewustzijn is gecodeerd in alle religies. In alle culturen leeft het,
in allerlei vormen. Het is een van de grondslagen waardoor de mens zichzelf
kan begrijpen, zijn plaats in de wereld, en uiteindelijk de wereld als
zodanig.
Een modern filosoof zei eens: ‘Alleen een God kan
ons nu nog redden.’
Ja, de enige werkelijke hoop van de hedendaagse mens is
waarschijnlijk onze hernieuwde zekerheid dat we geworteld zijn in de
Aarde en, tegelijkertijd, in de kosmos. Dit besef begiftigt ons met
het vermogen boven onszelf uit te stijgen. Politici mogen dan wel op
internationale forums duizend keer herhalen dat de basis van de nieuwe
wereldorde universeel respect voor de mensenrechten moet zijn, maar
het zal niets uithalen zolang deze dringende opdracht niet voortkomt
uit het respect voor het wonder van het Zijn, het wonder van het heelal,
het wonder van de natuur, het wonder van ons eigen bestaan. Alleen degene
die zich onderwerpt aan het gezag van de universele orde en van de schepping,
die prijs stelt op het recht er een deel van te zijn en er deel aan
te hebben, kan oprecht zichzelf en zijn naasten naar waarde schatten
en zodoende tevens hun rechten erkennen.
Hieruit volgt logisch dat, in de multiculturele wereld
van nu, de werkelijk betrouwbare weg naar coëxistentie, naar vreedzame
coëxistentie en creatieve samenwerking, moet beginnen bij wat ten
grondslag ligt aan elke cultuur en wat oneindig veel dieper ligt in
hart en denken van de mens dan politieke meningen, overtuigingen, antipathieën
of sympathieën: het moet geworteld zijn in zelf-transcendentie.
Transcendentie als een hand die zich uitstrekt naar hen die ons na staan,
naar vreemdelingen, naar de menselijke gemeenschap, naar alle levende
wezens, naar de natuur, naar het heelal; transcendentie als een diep
en vreugdevol gevoelde behoefte in harmonie te zijn zelfs met wat we
zelf niet zijn, wat we niet begrijpen, wat in ruimte en tijd ver van
ons verwijderd lijkt, maar waarmee we niettemin op mysterieuze wijze
zijn verbonden, want samen met ons vormt dit alles een enkele wereld.
Transcendentie als het enig reële alternatief voor vernietiging.
De Onafhankelijkheidsverklaring, die 218 jaar geleden
in dit gebouw werd aangenomen, stelt dat de Schepper de mens het recht
op vrijheid heeft gegeven. Het ziet er naar uit dat de mens die vrijheid
slechts kan verwezenlijken als hij Degene die hem ermee begiftigde niet
vergeet.
Ik dank u voor uw aandacht.