Maatschappij en dier, herstel van een relatie:
   de visie van een medicus*

dr. David O. Wiebers

 
 

[Dr. David O. Wiebers is hoogleraar, en voorzitter van de afdeling cerebrovasculaire ziekten alsmede adviseur op het gebied van de neurologie en klinische epidemiologie te Rochester, Minnesota, aan één van ’s werelds meest vooraanstaande medische centra. Hij is consulterend geneesheer, lector en klinisch onderzoeker. Hij heeft meer dan 170 wetenschappelijke publikaties op zijn naam staan en is een internationaal erkende autoriteit op het gebied van cerebrovasculaire ziekten (beroerten). Hij is vice-voorzitter van de raad van beheer van ’s werelds grootste dierenbeschermingsorganisatie, The Humane Society of the United States (HSUS), en voorzitter van de wetenschappelijke adviesraad van de HSUS. Hij is ook lid van de raad van beheer van de Humane Society International en van Earthkind. – RED.]


In de medische stand is men voortdurend bedacht op de waarde en heiligheid van het menselijke leven en op de noodzaak het te bevorderen en te versterken. Dit geldt niet alleen voor de meest intelligente en mondige mensen, maar ook voor de minst fortuinlijken onder ons, inclusief mensen die ernstige ziekten en ontwikkelingsstoornissen hebben opgelopen, waarvan sommige zo zwaar zijn dat daardoor elke vorm van zinvolle communicatie met anderen onmogelijk is.

Ieder individu heeft zijn eigen unieke waarde, niet op grond van zijn of haar intelligentieniveau of vermogen op een bepaalde manier te communiceren, maar op grond van de energie die in dat lichaam huist en het cytoplasma doordringt met dat wat herkenbaar is als ‘leven’. Deze energie, die het menselijke brein activeert, maakt het de fysieke structuren van de hersenen mogelijk bewustzijn te verwerven, beslissingen te nemen, gedachten te denken en pijn en vreugde te voelen. Zonder die energie is het menselijk lichaam (inclusief de hersenen) niet meer dan een karkas, verstoken van deze vermogens. Hoewel wetenschappers proberen de technologie te ontwikkelen om deze energie direct te meten, bestaat daartoe op het moment geen betrouwbare methode. We kunnen echter wel veel van de gevolgen ervan meten. Vanuit elektrofysiologisch gezichtspunt bijvoorbeeld, kunnen we de potentiaalveranderingen in de schors van de grote hersenen (‘hersengolven’) meten door middel van het elektro-encefalogram (EEG).

Het is, als we erover nadenken, vanzelfsprekend dat er een analogie bestaat tussen deze energie in de mens en die in andere dieren. Dit is in het bijzonder duidelijk voor mensen die nauw met dieren omgaan en de persoonlijkheden van die dieren jarenlang nauwkeurig hebben gadegeslagen. Zelfs zonder een dergelijke nauwkeurige waarneming vereist de logica dat de levengevende energie die bewustzijn, gedachten, beslissingen, gewaarwording van pijn, enz. mogelijk maakt, in andere levende dieren aanwezig moet zijn, zoals ze ook in levende mensen aanwezig is om hun centrale zenuwstelsels te activeren.

Als er behoefte is aan meer bewijs: de EEGs van dieren zijn analoog aan die van mensen; in feite zijn de EEGs van gorilla’s en andere primaten nauwelijks te onderscheiden van die van mensen. Dit is niet verrassend, gezien het feit dat de hersenstructuur en andere structuren en circuits van het centrale en perifere zenuwstelsel tot op cellulair niveau in mensen en andere dieren analoog zijn, in het bijzonder in het geval van primaten, waarvan ze bijna niet van die van de mens te onderscheiden zijn. Deze structuren omvatten centra voor het functioneren van de motoriek; de begeleidende motorieke bewegingen; sensorische systemen voor pijn- en tastwaarneming, gezichtsvermogen, gehoor, smaak en reuk; en, in veel gevallen, centra die stemming en persoonlijkheid tot stand brengen.

Er heeft een algemene tendens onder mensen bestaan – en een specifieke geneigdheid onder wetenschappers en theologen – een hele scherpe lijn te trekken tussen mensen en andere dieren en daarmee opvallende analogieën en gebieden die elkaar overlappen te negeren. Als gevolg daarvan zijn er ethische richtlijnen ontwikkeld met weinig of geen aandacht voor andere bewuste wezens dan de mens, gebaseerd op bepaalde trekken die mensen wel, maar andere dieren niet hebben.

Wetenschappers hebben zich gewoonlijk gericht op de superioriteit van de menselijke intelligentie of het spraakvermogen. Toch hebben gorilla’s en andere primaten bij intelligentietests, ontwikkeld door en voor mensen, hoger gescoord dan sommige mensen. Bijna alle dieren hebben een bepaalde vorm van gemakkelijk herkenbare communicatie en het is nu duidelijk dat tenminste aan sommige primaten gebarentaal en ook andere, verbale, taal kan worden geleerd, zij het dat nog geen van hen onze exacte vocabulaire onder de knie krijgt. Het is duidelijk dat deze dieren meer spraakvermogen bezitten dan een kind dat minder dan drie maanden oud is, en aanzienlijk meer dan een mens geboren zonder de twee helften van de grote hersenen en die niet zinvol kan communiceren met de omgeving of niet andere wezens. Hoewel zulke mensen kunnen overleven met de levenskracht-energie die hun centrale zenuwstelsel activeert, verhinderen de beperkingen van de hersenen het vermogen van deze energie om tot expressie te komen.

Theologen hebben door de geschiedenis heen een lijn getrokken tussen mensen en andere dieren, door er bij voorbaat vanuit te gaan dat dieren geen ziel of geest kunnen bezitten. Toch is het juist deze levenskracht-energie in de mens die de ziel of geest vormt, die ook de centrale zenuwstelsels van andere levende dieren moet bewonen en activeren. Alle grote wereldreligies en een groeiende verzameling wetenschappelijke gegevens over bijna-doodervaringen en aanverwante verschijnselen wijzen erop dat deze energie, ziel, of geest het vermogen bezit uit te gaan boven (los te bestaan van) het menselijk lichaam. De voornaamste definitie van ziel in Websters New World Dictionary is: ‘een entiteit die als het onsterfelijke of spirituele deel van de persoon wordt beschouwd en waaraan, hoewel ze geen fysieke of stoffelijke realiteit bezit, de functies van denken en willen worden toegeschreven en, daarom, alle gedragingen bepaalt.’ Als in de voorgaande zin het woord ‘persoon’ zou worden veranderd in ‘individu’, zou de daaruit voortvloeiende definitie goed aansluiten bij wat we weten over dieren zowel als over mensen.

Weinigen zouden ontkennen dat een geestelijk gehandicapt kind, of zelfs een kind geboren zonder de twee helften van de grote hersenen, een ziel of geest heeft, maar toch heerst er bij velen een onwil om te accepteren dat deze mogelijkheid in dieren bestaat. Wij mensen zouden open moeten staan voor de verder reikende mogelijkheid dat de verschillen die we tussen mensen en dieren waarnemen misschien niet zozeer verband houden met de energie/ziel/geest die de lichamen en hersenen van mensen en andere dieren bewoont, maar met de lichamen en hersenen zelf, die het tot uitdrukking brengen van deze energie bepalen en beperken. Een soortgelijk verschijnsel kan worden waargenomen bij mensen met uiteenlopende beschadigingen. Het lijkt nauwelijks mogelijk dat de energie of ziel die in een mens huist die een beroerte krijgt of de ziekte van Alzheimer oploopt, op de een of andere manier voor eeuwig verwoest of beschadigd is. Integendeel, dat deel van ieder van ons dat onsterfelijk is of in staat uit te stijgen boven het lichaam kan niet door ziekte of enige andere structurele verandering in het menselijk lichaam worden beschadigd, maar het is haar uitdrukkingsmogelijkheid die tijdelijk wordt beperkt.

Er zijn stellig duidelijke en wezenlijke verschillen tussen mensen en andere dieren. Maar we zouden niet te snel moeten zijn met ons oordeel over de betekenis van deze verschillen omdat er een aanzienlijke hoeveelheid bewijsmateriaal is dat, zelfs naar menselijke maatstaven, suggereert dat de belangrijkste en duurzaamste beginselen in mensen en dieren misschien die elementen zijn die het minst verschillen.

Andere medici en natuurwetenschappers hebben soortgelijke opmerkingen gemaakt met betrekking tot de geest van mensen en andere dieren. De eminente Britse neuroloog Lord Walter Russell Brain (1895-1966) merkte op: ‘Ik kan persoonlijk geen reden zien een geest aan mijn medemens toe te kennen en die aan dieren te ontzeggen. . . . Ik althans kan er niet aan twijfelen dat de belangen en activiteiten van dieren samenhangen met bewustzijn en gevoel op dezelfde manier als die van mijzelf.’ Bijna een eeuw eerder, in zijn boek ‘The Descent of Man’ [de herkomst van de mens], merkte Charles Darwin (1809-1882) op: ‘Er is geen fundamenteel verschil tussen de mens en de hogere zoogdieren wat betreft hun mentale vermogens. Het verschil tussen het denkvermogen van de mens en de hogere dieren, hoe groot het ook is, is er beslist één in graad en niet in aard.’

Als ik nadenk over deze opmerkingen, kan ik niet anders dan een groot plichtsgevoel in mij voelen opkomen, niet alleen ten aanzien van ander menselijk leven, maar ook ten aanzien van het niet-menselijke leven. De superieure intelligentie van de mensheid en haar vermogen een moreel oordeel te vellen geeft ons niet het recht andere soorten (of eventueel andere mensen met minder intellectueel vermogen) uit te buiten, maar eerder de verantwoordelijkheid mededogen voor hen te tonen en ze te helpen.

Ik vraag me af hoe wij mensen zouden reageren als een intellectueel superieur ras van wezens, toegerust met geavanceerde telepathische communicatievermogens die ‘wij niet kunnen begrijpen, op aarde zou landen. Zouden die wezens, op grond van deze extra vermogens, moreel het recht hebben gebruik te maken van mensen op de manier waarop wij tegenwoordig dieren gebruiken ten voordele van hun ‘superieure’ ras?

Ik ben ervan overtuigd dat veel van de huidige wreedheid van de mensheid ten opzichte van dieren het gevolg is van het onvermogen in te zien wie de dieren in werkelijkheid zijn. Dr. Albert Einstein (1879-1955) doelde hierop toen hij zei: ‘Een mens . . . ervaart zichzelf, zijn gedachten en gevoelens, als iets los van de rest – een soort van optisch bedrog van zijn bewustzijn. . . . Onze taak zou moeten zijn onszelf te bevrijden uit de gevangenis door onze kring van mededogen uit te breiden om zodoende alle levende wezens en de gehele natuur en haar schoonheid te omarmen. Niemand is in staat dit volledig tot stand te brengen, maar het streven naar zo’n doel is op zichzelf een deel van die bevrijding en een grondslag voor innerlijke zekerheid.’

Om geestelijk te evolueren is het voor de mensheid als soort nodig te leren denken aan andere wezens als doel in plaats van middel. Wellicht heeft geen andere arts dit denkbeeld zo beknopt samengevat als dr. Albert Schweitzer (1875-1965) met zijn filosofie van ‘eerbied voor het leven’. Schweitzer was een begaafd mens van zeldzaam karakter en behalve zijn reusachtige creativiteit, bezat hij het vermogen onderscheid te maken tussen het echt belangrijke en het minder belangrijke, zelfs wanneer veel van zijn ideeën tegen de grote stroom van de publieke opinie ingingen. Ruim een halve eeuw geleden schreef Schweitzer: ‘Voor de mens die werkelijk ethisch is, is alle leven heilig, inclusief leven dat zich vanuit het oogpunt van de mens op een lager niveau schijnt te bevinden.’ In een afzonderlijk boek over menselijke ethiek merkte hij voorts op; ‘Voortdurend respect verkondigen voor elke vorm van leven als een serieuze vereiste voor rationele ethiek, wordt tegenwoordig als overdrijving beschouwd. Maar de tijd komt dat de mensen zich erover verbazen dat het menselijk ras er zo lang over heeft gedaan voor het inzag dat het achteloos schaden van leven onverenigbaar is met ware ethiek.’

Naarmate meer mensen zich bewust worden van de diepere identiteit van andere bewuste wezens, worden zaden van evolutie voortgebracht – zaden die uiteindelijk niet alleen de goede verstandhouding tussen mensen en andere dieren zullen bevorderen, maar ook die tussen mensen en andere mensen.

 

Noot:

  1. Dit artikel, ‘Healing Society’s Relationship with Animals: A Physician’s View’, verscheen eerder in HSUS News, herfst 1994, en is overgenomen met toestemming van de schrijver.
 
Zie ook zijn artikel: Dieren en de medische wetenschap: Een visioen van een nieuw tijdperk
 
 

Uit het tijdschrift Sunrise nov/dec 1995

© 1995 Theosophical University Press Agency